zoeken en vinden

Het was zoeken en vinden, de afgelopen dagen. Zoeken naar mijn fiets in Utrecht. Zoeken naar de juiste woorden voor de diploma-uitreiking. En zoeken naar Pokémon, natuurlijk, al heeft dat niet direct betrekking op mij. Dat wil zeggen, ik zie het niet als een levensdoel op zich om een Pikachu te vangen of gymmaster te worden. Maar verder vind ik het alleen maar grappig dat enkele vriendinnen, familieleden en eigenlijk de halve wereld in de ban is van Pokémon Go. Alleen al omdat het de maatschappij op een sympathieke manier ontregelt. Nachtelijke meetings in het park, en het aloude ‘Doe je voorzichtig?’ dat vervangen is door ‘Je gaat niet rijdend Pokémons vangen, hoor!’

(Maar serieus: zorg alsjeblieft dat je nergens tegenaan knalt.)

In Utrecht vind ik steeds beter mijn weg. Naar mijn idee bevindt alles zich aan dezelfde lange straat, al zal dat waarschijnlijk betekenen dat ik pas een fractie van de stad gezien heb. Toch is het in mijn geval (‘zeg ik links, ga dan vooral rechts’) telkens weer een kleine overwinning wanneer ik, zonder op mijn telefoon te kijken, mijn fiets op de juiste bestemming kan parkeren.

Het terugvinden van die fiets is weer een ander verhaal. Wanneer ik op de Oudegracht een plekje zie, prop ik mijn zwarte gevaarte daar gedachteloos in. Slot van drie kilo eromheen, niets meer aan doen. En dus struin ik enige tijd later op en neer langs de rekken, terwijl ik telkens weer versteld sta van mijn eigen onoplettendheid. Ik moet ‘m maar snel oranje gaan spuiten, die fiets. Of van die plastic mamabloemen kopen voor aan mijn stuur.

(Maak je geen zorgen, toekomstige stadsgenoten. Ik zal geen neonkleurig kratje voorop zetten. Ik ben me er van bewust dat dat – vooral bij fietsenrekkenschaarste – zeer asociaal is.)

De eerste nacht dat ik in Utrecht sliep, was ik met Mienke. We deden een poging tot het schrijven van een verhaal voor de diploma-uitreiking. Het feit dat die nog even op zich liet wachten, maakte dat de druk om daadwerkelijk iets te schrijven vrij laag was. Maar het begin was gemaakt.

Vorige week donderdag voelden we dan toch enige urgentie dat verhaal af te maken. Dus dat deden we. We schreven en schrapten. We overlegden uitvoerig over een gebrek aan samenhang, over momenten die per se vernoemd moesten worden en welke grappen we wel of niet konden maken.

Afgelopen maandag besloten we het geheel maar eens te oefenen. Precies op tijd voor de diploma-uitreiking, die avond. Voorzien van corsages en een gezonde dosis zenuwen liepen we de zaal binnen. Op de achtergrond klonk een heel Amerikaans deuntje, overstemd door het applaus van vrienden en familie. Wij leerlingen namen plaats in het midden en werden overladen met mooie woorden. Voor iedereen was er een mooi, grappig, maar vooral persoonlijk verhaal. En toen kwamen wij.

‘Daar ben ik weer,’ begon ik, mijn stem galmend door de gymzaal. Door een samenloop van omstandigheden stond ik voor de vijfde keer op het podium tijdens ons laatste woord. De insteek was ‘doen alsof’. Wij leerlingen waren daar behoorlijk goed in, maar aangezien we de school zouden verlaten, was het niet langer nodig. Ik voelde me lichtelijk bezwaard om te vertellen over spijbelpraktijken en alcoholaffaires, na alle lof die over me was uitgesproken. Maar na het delen van die ‘stoere verhalen’, hebben we hopelijk de juiste woorden weten te vinden. Aan de hand van vele herinneringen wilden we bovenal duidelijk maken dat we een enorm fijne tijd hebben gehad.

(En toen kwam er opeens een filmpje voorbij dat vanuit de zaal werd gemaakt. Hierbij drie tips aan mezelf:

  1. Blijf van je haar af
  2. Minder boos kijken mag
  3. Blijf van je haar af.

Maar verder ging het best prima.)

In de aula zocht ik een hoop leraren die ik nog wilde bedanken. Niet allemaal gevonden, dus bij deze nog eens: bedankt voor alles. We zochten en vonden elkaar, de mensen met wie ik die mooie tijd beleefd heb. Een allerlaatste foto op het duistere schoolplein. Dertien meisjes in zomerse jurkjes, bloemen in de hand. Boven ons de leus waar we zo vaak de draak mee hebben gestoken, maar die voor ons toch waar geworden is. Zoals mijn mentor over me zei: mezelf gezocht en gevonden. Groot geworden op het Eckart.

(don’t) take me home

IMG_6372

Terwijl ik dit schrijf zit ik in de trein naar huis. Ik twijfel of dat nog wel de juiste verwoording is, ‘naar huis’. Ik ben op weg naar Son, maar daar woon ik niet meer. Niet meer helemaal.

Twee weken geleden reden we in een volgeladen Volkswagenbusje richting Utrecht. Mam en ik zaten nogal knus op het bijrijdersbankje, Mart zat achter het stuur alsof hij niet anders deed.

Twee weken geleden, maar het lijkt wel een maand. Dat komt omdat ik behoorlijk wat op en neer gereisd ben, de afgelopen tijd. Naar Amsterdam voor een concert en een videoklus. Naar Son voor feestjes en spullen. En naar Parijs, want daar staat tegenwoordig ook een bed waar ik in kan slapen.

Wanneer ik zeg ‘mijn ouders zijn geëmigreerd naar Frankrijk’ klinkt dat meteen heel drastisch. Maar mijn ouders zijn geëmigreerd naar Frankrijk. Mijn complete familie gaat dit jaar het huis uit.

Vorige week stapte ik in de Thalys om te kijken waar mijn vader de afgelopen maand nu eigenlijk geweest was. Het bleek een wijk waar typisch Franse mensen wonen. Die je dus écht met een stokbrood onder hun arm de straat over ziet steken. Die in rap Frans tegen je spreken, omdat ze er vanuit gaan dat jij één van hen bent.

(Dat beschouw ik natuurlijk als een compliment – wie wil er nu geen Parisienne zijn? Al moet ik zeggen dat de illusie gauw verbroken is, wanneer je even niet meer weet wat ‘stokbrood’ is in het Frans. ‘Ehm… Un pain comme ça, s’il vous plaît.’ ‘Une baguette?’ ‘Ah… Oui.’)

Met Mart en drie vrienden ging ik naar Champs de Mars. We keken een voetbalwedstrijd op een enorm scherm onder de Eiffeltoren, maar we zagen vooral veel zingende Engelsen. Ze bleken maar twee liedjes te kennen. In het ene kwam nogal vaak het woord ‘pussy’ voor. Van het andere lied – veruit het populairst – was eigenlijk maar één regel te verstaan. Die werd dan ook massaal meegebruld, en niet alleen door de Engelsen zelf. ‘Don’t take me home!’ galmde het door de Parijse straten. ‘Please don’t take me home.’

Vroeger wilde ik dat alles hetzelfde zou blijven. Het komende jaar zal er juist meer veranderen dan ik ooit verwacht had. Je mag me vragen hoe het allemaal gaat lopen, maar mijn antwoord komt steeds op hetzelfde neer: dat weet ik nog niet. Want ik weet het echt niet, nu vrijwel alles anders wordt. Nu ik twijfel welk huis ‘thuis’ is. Nu ik me regelmatig afvraag waar ik ben, wanneer ik ‘s ochtends wakker word. En soms vind ik het nog moeilijk. Nieuwe stad, nieuwe school, een nieuw familieleven. Een leven dat op allerlei plekken zal gaan plaatsvinden. Aan elkaar geregen via Whatsapp, door foto’s met als bijschrift: ‘Groetjes uit…’

Maar met de dag neemt de onzekerheid af. Kamer gevonden, diploma gehaald. (In die volgorde, ja.) Spullen verhuisd, IKEA-kasten in elkaar gezet. (Al is dat totaal niet mijn verdienste. Cum laude geslaagd voor het VWO, maar een handleiding volgen? Lukt me niet.) Met Colette leerde ik de Utrechtse kroegen kennen – ook niet onbelangrijk. Van haar broer wist ze waar we ongeveer moesten zijn. En volgens mij zijn we ongeveer overal geweest. Om half vijf ’s nachts renden we door een enorme regenbui naar huis, af en toe schuilend in portiekjes, wanneer een bliksemschicht de hemel oplichtte. ‘Over een jaar doen we dit weer,’ zei ze, ‘en dan laat jij me alles zien.’

Vroeger ging ik het onbekende uit de weg. Nu spreek ik de ene dag af in het Vondelpark, met een toekomstige klasgenoot, die ik alleen van internet ken. Ik rijd ’s nachts in m’n eentje door Parijs, zit dan weer met een rugzak vol cameraspullen op een kade in Amsterdam Oost. Ik trap op een vertrouwde fiets door onbekend Utrecht, waar ik me toch al behoorlijk thuis voel.

Dat gevoel wordt alleen maar versterkt wanneer ik met één van de tien sleutels mijn kamerdeur open. De kamer waar de kast staat die mijn opa veertig jaar geleden timmerde. Voor het raam de groene kist die meeging naar de Antillen. Een tafel en een bank uit Son. Aan de balustrade de lampjes die ik al op twee andere kamers heb opgehangen.

Soms was ik bang dat ik nergens meer thuis zou zijn. Maar het tegenovergestelde is waar: ik voel me overal wel op m’n plek. Al is het maar door al die mensen die in Brabant, Amsterdam, Parijs of Utrecht wonen en gezegd hebben: wat er ook is, je kan me altijd bellen.

kyteman

IMG_6579

‘Wat we vanavond gaan spelen, hebben we nog nooit eerder gespeeld. En we zullen het hierna ook nooit meer spelen.’

Langzaam wuift hij het orkest wakker, met zijn vingers, zijn armen, zijn lijf. Slechts gebaren als bladmuziek. Geknik en geschud met zijn hoofd: ga maar, kom maar, doe maar. Alleen de noot die er is – de volgende hangt nog in de lucht.

Voorzichtig op zoek naar een begin, een opening, een gat om in duiken. De melodie blijft herhalen, de drums blijven tikken. En daar gaat het, verder de muziek in. Strijkers, blazers, zwarte en witte toetsen. Alles en meer.

En dan minder. Steeds minder, tot de klanken die er waren alleen nog in herinnering bestaan. Het publiek ademt uit. Hij slaat zijn handen voor zijn mond. Alsof het hem zomaar overkomen is.

YES FORGET NU MAAR MIJN NAME

Processed with VSCO with f2 preset

‘Ladies! That way to the beach!’ Een Portugees op leeftijd houdt ons met licht doorrookte stem staande. Ik begrijp hem wel. Zes jonge meisjes, allen in bikini en weinig verhullende strandjurkjes. Twee van ons dragen een blauw-witte koelbox, gevuld met literflessen water, watermeloen en prosciutto. Over mijn schouder hangt een Aldi-tas met daarin handdoeken en zonnebrand. We zijn blond, verbrand, en ogenschijnlijk verdwaald. Maar wij weten beter. ‘Oh, we know. But thank you so much!’

Albu

Al een paar dagen zijn we in Albufeira en we zijn er inmiddels al aardig vertrouwd. We gaan een dag naar Gale beach, een strand wat verder uit het centrum. Bepakt en bezakt trotseren we op slippers de zanderige paden. We klimmen over rotsen heen, om zo de verlaten baaien te ontdekken die Gale beach zo bijzonder maken. Met onze handen plakkerig van de watermeloen zitten we in de zon, kijkend naar de golven die tegen de rotsen omhoog spatten.

Albu3

We doen verscheidene pogingen tot koken. Of ja, ‘koken’. Dingen maken in de keuken, laten we het daar op houden. Bij poging één laat ik een zak magnetronpopcorn aanbranden – wat heus niet zo stom is als het nu klinkt. Normaal ben ik wel visueel ingesteld, maar wanneer het aantal watt aangegeven wordt met één, twee of drie vlammetjes, haak ik toch af. Bij poging twee gaat het enigszins mis met de pasta-sausratio. Bij de derde poging lukt het ons (lees: Marre) om een paar fatsoenlijke eitjes te bakken. De kleine keuken staat blauw van de rook, maar het smaakt prima.

Albu5

Het zal je niet verbazen dat we vaak buitenshuis hebben gegeten. We belanden bij een Portugees restaurant dat er wel héél authentiek uitziet. Sommigen van ons hebben zo hun twijfels bij het zien van het interieur, dat overeenkomt met dat van een bruin café, maar dan met tl-verlichting. Toch besluiten we naar binnen te gaan. Een stevige jongen zet ons met een eindeloze glimlach borden met eten voor. Verse vis, vlees en kip die wel héél erg ‘piri piri’ is. Vanuit de keuken roept zijn moeder (?) af een toe iets vanachter de pannen.

De laatste avond zitten we op een terras op de eerste verdieping, met uitzicht op het strand. Maar de grootste ontdekking van de week is, geen grapje: de supermarkt – Pingo Doce, om precies te zijn. Naast de ingrediënten van de gemiddelde buitenlandse supermarkt (vissenhoofden ter grootte van een voetbal, watermeloenen ter grootte van drie voetballen), heeft deze supermercado nog iets extra’s te bieden. Het laat zich het beste omschrijven als een superkantine. Je kan kiezen uit verschillende soorten  vis, vlees, of pizza met daarbij zoveel rijst of aardappeltjes als ik normaal in een week zou eten. Het wordt voor je neus gebakken en is super lekker. Kosten: zo’n vijf euro. Aanrader.

Albu1

Al deze adressen hebben we te danken aan onze host Veronika, die ons via Airbnb het appartement verhuurt. Zij is niet de enige vriendelijke Portugees die we treffen deze week. Er is het meneertje dat ons ongevraagd de weg wijst. Het mevrouwtje aan wie we vragen of er in dat ene blauwe pakje inderdaad kookroom zit. In volzinnen antwoorden lukt haar niet, maar een enthousiast ‘yes, yes, yes!’ is voldoende. De chauffeur die ons van en naar het vliegveld rijdt. Hij gaat volgend jaar in Delft studeren. We leren hem wat over Nederland (‘Your fiets will get stolen at least once.’) en we voeren heuse filosofische discussies. Er is de willekeurige man bij wie we in zijn witte busje stappen, omdat hij ons wel naar het strand wil brengen. Gratis. (Sorry mam. Ik weet wat je altijd zei. Maar alles is goed. We zijn niet verkracht.)

Albu6

Wat betreft uitgaan slaan we het advies van Veronika wel in de wind. Zij raadt ons het oude centrum aan, maar daar treffen we vooral bejaarde Britten. In het nieuwe centrum zijn meer mensen van onze leeftijd (maar ook nog genoeg bejaarde Britten). Het is één groot Nederlands feest in de café’s, waar het dringen is tussen de honderden eindexamenleerlingen, hun polsen behangen met felgekleurde toegangsbandjes.

Albu4

Het liedje van de week is al vlug gekozen. ‘Forget my name’ van Side2Side, ook wel ‘de jongens van Streetlab’. Er is ook geen ontkomen aan; op een gemiddelde avond wordt het minstens drie keer gedraaid. Binnen een dag kennen we de tekst uit ons hoofd* en ik weet al snel: die gaat er voorlopig niet meer uit.  Later in de avond verhuizen we naar Heaven, meer club dan kroeg, meer dance dan Top-4o meezingers. We dansen tot we onze voeten niet meer voelen. Op weg naar huis zien we het licht worden. Twee van ons slaan af richting het strand, om de zon op te zien komen. De rest loopt door, langs een stad die allang slaapt. Twee jongens staan in hun tuin nog een sigaret te roken. Ze steken hun hand naar ons op. ‘Welterusten.’

We creëren een heel nieuw ritme. Om zeven uur ’s avonds liggen we nog aan het zwembad,  om kwart over negen schrikken we wakker van een middagdutje. Misschien maar eens gaan eten. Om half zes ’s ochtends schuiven we een intens smerige diepvrieslasagne in de oven. Die op dat moment intens lekker smaakt.

Albu7

We leren elkaar goed kennen, deze week. Sarcasme voert de boventoon, de meest gehoorde uitspraak is ‘doe het lekker zelf’. (‘Wil iemand even mijn rug insmeren?’ ‘Doe het lekker zelf.’) Wanneer ik op de wc zit denk ik: dit is de eerste keer dat ik alleen ben vandaag.

Het is precies zoals ik verwacht had. Ja, het is een puinzooi. Je moet op slippers douchen omdat de badkamervloer onwijs plakt. Vanaf de helft van de week is er niemand meer die de moeite neemt de afwas te doen. We liggen in bed tot we er van de hitte uitzweten. Er is vaker niet dan wel een plan. Maar ik kan ervan genieten.

Albu2

Op het vliegveld worden al die zelfstandige tieners toch braaf door hun ouders opgehaald. We eten koude pizza, zittend op de warme stoep voor de aankomsthal. We zijn vrij stil – eindelijk uitgepraat. Eenmaal thuis slaap ik dertien uur aan een stuk. Ik had gedacht dat ik graag op mezelf zou zijn na zo’n week, maar niets is minder waar. ’s Avonds zitten we alweer met elkaar op de bank. Om langzaam weer te wennen aan het ritme van het gewone leven.

IMG_6201

* Mocht je dat nu ook willen, dan moet je even hier klikken en het liedje luisteren! Instant vakantiegevoel gegarandeerd.

BEKIJK HET VAN DE ZONNIGE KANT

Over de eindexamens worden een hoop onwaarheden verspreid. ‘Ze zijn makkelijker dan de schoolexamens’, is de meest gehoorde. Mijn cijfers moet ik natuurlijk nog krijgen, maar uitgaande op mijn eigen nakijkwerk kan ik je vertellen: niet waar.

‘Je bent nooit de volle drie uur bezig.’ Niet waar. Ik heb er steeds tot het einde gezeten, behalve op de laatste dag. Maar dat lag meer aan mijn concentratieniveau dan aan de lengte van het examen.

‘Tijdens de examenweken zelf leer je niet meer.’ Absoluut niet waar. De mensen die geen stress hebben, beginnen de dag van tevoren pas met leren. De mensen die wel stress hebben, lezen alles ’s ochtends nog eens door.

Nu ik al deze wijsheden heb verworpen, vraag je je misschien af: wat is dan wel wijsheid omtrent die examens? De beste tip die ik je kan geven: probeer er de humor van in te zien. Lach om de misbaksels van antwoorden die je soms produceert wanneer je echt geen flauw idee hebt, maar toch íéts in wilt vullen. (Want je hoort in je hoofd die ene docent, die al drie jaar roept: je moet altijd íéts invullen!) En lach om de examens zelf. Want ondanks de stress en vermoeidheid die ze met zich meebrengen, ontdekte ik: soms zijn ze best grappig.

Het examen Engels bevatte een tekst die ging over klachten omtrent Baby Einstein videos. Die videos zouden niet de educatieve waarde hebben die door producent Disney wordt geclaimd. Disney heeft dat inmiddels erkend en er zijn maatregelen getroffen. Als de videos geen Einstein voortbrengen, dan mag het kind gewoon geruild worden.

scan0018

Biologie begon met een tekst over het gif ‘imidacloprid’* en bijen. ‘In lage doses verstoort het onder andere het poetsgedrag, het oriëntatievermogen, de bijendans en het foerageren.’ Mijn over het algemeen goed geconcentreerde brein liet zich even afleiden door de term ‘bijendans’. Direct zag ik een groep geel-zwarte animatiefiguurtjes voor me, schuddend met hun vleugels. Op de achtergrond klonk Formation van Beyoncé.

Gelukkig was de afleiding maar van korte duur, en kon ik me weer focussen op de bijbehorende vraag over de nadelige gevolgen van het gif. ‘Dan kunnen de bijen de bijendans niet meer doen,’ was de strekking van mijn antwoord. Daar heb ik dan zes jaar voor op school gezeten. En het was nog fout ook.

scan0019

Bij filosofie was scepticisme het onderwerp van het eindexamen. Het scepticisme is een stroming die alles in twijfel trekt. Het bestaan van de buitenwereld, van de mensen om ons heen en zelfs ons eigen bestaan wordt onzeker geacht. Om paranoia van te worden.

Op het examen resulteerde het in pareltjes van zinnen, die zo wanhopig klonken dat het lastig was er niet om te lachen. ‘Je moet beginnen met te beseffen dat je er helemaal alleen voor staat.’ En mijn persoonlijke favoriet: ‘Ik weet zeker dat je ouders heel erg trots op je zouden zijn, als ze inderdaad zouden bestaan.’

Ook probeerden we te lachen om het feit dat iedereen zich suf had geleerd op het gedachtegoed van Kant, waar vervolgens geen enkele vraag over gesteld werd. Niet één. En we hadden nog zoveel woordgrapjes over hem gemaakt in de Facebookpoll. (Zie titel. Ha-ha.)

Untitled (1)

Bij Frans kregen we een tekst voorgeschoteld over de rampzalige gevolgen van te veel zitten. ‘Les muscles deviennent aussi réactifs que ceux d’un cheval mort.’ Daar ben je mooi klaar mee. Deze ‘spieractiviteit als van een dood paard’ leidt tot diabetes, obesitas en een verhoogd sterftecijfer. We werden bekogeld met termen als ‘désastreuse’ ‘néfaste’ en ‘funeste’. Ervan uitgaand dat het Cito weet dat wij wekenlang op onze derrières aan het studeren geweest zijn, vond ik dit wel een vrij zwarte vorm van humor.

Dan waren er nog twee examens waar geen enkele hilariteit in te ontdekken viel: natuurkunde en wiskunde. Was te verwachten. Die heb ik ook het slechtst gemaakt – dan is het maar duidelijk waar dat aan gelegen heeft.

* Het is maar goed dat de dyslecten een half uur extra kregen.

Dit was de tweede en tevens laatste eindexamensamenvatting. Ik ga nog wel iets schrijven over hoe het met me gaat, wat ik ga doen met de rest van mijn vakantie/leven. Dat komt allemaal. Tijd genoeg. Eerst even feestvieren (en wat boeken in de fik steken).

IN MINIMAAL 30 WOORDEN

scan0017

Na twee dagen vind ik mezelf ervaren genoeg om iets te schrijven over hetgeen waar al het gehele schooljaar naartoe geleefd wordt: het Centraal Schriftelijk. Wanneer ik een examen maak, blijk ik me in een concentratievacuüm te bevinden. Daarin bestaan alleen vragen en antwoorden, sporadisch een graai in een bakje druiven. Of zoals ze het in de Volkskrant zouden verwoorden: ik begeef me in het epicentrum van mijn bewustzijn.

Deze hyperconcentratie resulteert erin dat ik na drie uur niet meer weet waar de eerste opgave over ging. Hulde dan ook voor de mensen die om vijf uur ’s middags al een scherpe poll op Facebook hebben geplaatst. Zoals Colette zei: ‘Het leukste aan examens is dat ik de grapjes op social media snap dit jaar.’

Je kan je voorstellen dat ik met een overvolle hersenpan thuiskom na zo’n zitting. Ik voel sterk de behoefte om tegen iemand aan te kletsen over de essentie van tekst vier of de bedoeling van vraag twintig, mocht ik nog weten waar die over ging. Mijn familie kan ik hier maar tot op zekere hoogte mee lastigvallen, dus doe ik mijn woordje hier.

Het examen Nederlands verliep zoals ik verwacht had. Ik markeerde er lustig op los, goochelde wat met functiewoorden. Door Martin Heidegger werd ik even verleid te gaan twijfelen aan het nut van het leven (en dus de examens). Maar ik trapte er niet in. Ik probeerde alles wat op creativiteit of een eigen mening leek te onderdrukken. En dat ging eigenlijk prima.

Dan scheikunde. Dat was… Tsja. Scheikunde. Daar wil ik het graag bij laten.

Nee, natuurlijk niet. Bij Nederlands heb ik de oplossing voor de wereldcrisis al moeten samenvatten in dertig woorden, rekening houdend met de aspecten die deze crisis kenmerken en de partijen die ervoor verantwoordelijk zijn. (Of zoiets.) Dan ga ik me in mijn eigen eindexamensamenvatting niet nóg eens zo beperken.

Ik weet dat ik wat betreft scheikunde nooit beter ga worden dan ‘gemiddeld’, vanwege een gebrek aan interesse en kundigheid. En dat is oké – het is het me niet meer waard me er druk over te maken. Dat heeft me misschien nog wel het meest verbaasd de eerste examendagen: mijn eigen gemoedstoestand. Zo nu en dan een vlaagje zenuwen en een vrij zonnig humeur – dat is niet wat ik verwacht had deze periode.

Verder blijken mijn ideeën over de examentijd wel te kloppen. Een gymzaal gevuld met lichte nervositeit. Een tafel vol paperassen, waar na twee uur schrijven geen systeem meer in te ontdekken is. De bemoedigende glimlachjes van docenten. (En dat je dan lief terugknikt, maar stiekem denkt: ‘Ja, lach maar. Jij hoeft dit niet te doen.’)

Dat naar de wc gaan een uitje wordt, wanneer je je al twee uur op één vierkante meter bevindt. Je vangt de blik van je klasgenoot op wanneer je terugkomt van je plaspauze. Waarin je niet eens hebt geplast, overigens – je wilde gewoon even je benen strekken. Op weg naar je tafel herkennen jullie wat melodramatische wanhoop in elkaars ogen, waar je nogal de slappe lach van krijgt. Je beseft dat dat totaal niet handig is, in deze gymzaal waar alleen het geritsel van papieren en het gekraak van waterflesjes klinkt. We glimlachen elkaar bemoedigend toe. Wij mogen dat, want we zitten in hetzelfde scheikundeschuitje. Het is een glimlach die voortkomt uit één geruststellend gegeven: in dit schuitje zitten we waarschijnlijk nooit meer.

Dit was de eindexamensamenvatting (ja, ja) van week 1. In week 2 maak ik Engels, dat wordt een makkie. Dan wiskunde en op vrijdag ga ik aan het zwarte gat natuurkunde proberen te ontsnappen. Misschien komt daar ook een samenvatting van. Misschien ook niet – wie zal het zeggen. Wat je kan doen om met mijn wispelturigheid om te gaan, is de Facebookpagina van Picture this by Milou liken. Zo blijf je zeker op de hoogte wat betreft examenupdates en verhalen over andere zaken. Want die schrijf ik ook heus wel. Maar nu even niet.

misschien toch maar gaan

De smaak van vakantie ligt op mijn lippen; een mengeling van chloorwater en perenijsjes terwijl ik opdroog in de zon. Het is vakantie, maar ook alles behalve dat.

Maandagochtend, we hebben nog drie dagen. We leren biologie, Mienke en ik. Drie hoofdstukken in een uur, het lijkt heel wat. Maar we focussen ons meer op herkennen dan kennen. ‘Dit weet ik. Dit weet ik ook wel. Oh ja. Dat staat in je Binas. Tabel 78C. En dit – nee, dit niet. Maar dat kan je hieruit afleiden. Dat onthoud je misschien. Trouwens, dat gaan ze tóch niet vragen. Nee… Toch?’

Om en om proberen we afleiding te voorkomen en op te zoeken. Beide kanten op gaat dat niet geweldig. Tijdens het leren lonkt mijn telefoon, ’s avonds kan ik mijn gedachten niet van de formules en begrippen afhouden. PSV en OZ doen een goede poging de spanning te verleggen. Zelf proberen we het ook, tijdens avondjes op limonade, kletsend over alles behalve. Toelevend naar de vakantiestip op de horizon.

Natuurlijk komen we er toch steeds op uit. We bespreken wat we geleerd hebben, of hadden moeten leren die dag. We vragen ons af of iemand je wakker zou maken, mocht je in slaap vallen daar in de gymzaal. Er wordt een verhaal verteld over een meisje dat vol goede moed wilde beginnen met schrijven. Ze zuchtte nog eens diep, knakte haar vingers… en trok er daarbij vier uit de kom.

Ik leef op mijn planning, die inmiddels al zaligmakend neon kleurt. Wat er buiten dat schema om gebeurt, bestaat niet. Ik schrik dan ook wanneer ik een melding ontvang van Facebook. ‘Je hebt interesse getoond in een evenement dat later deze week plaatsvindt. Laat weten of je aanwezig bent.’ Het staat niet op mijn planning, dus nee. Ik klik verder. ‘Centraal Eindexamen 2016’. Misschien toch maar gaan.

‘Vooral geen stress hebben, dat is nergens voor nodig’ is het meest gehoorde goedbedoelde advies. Als ik eens wist hoe dat moest. Het komt met vlagen van buikpijn en gezucht, nachtelijke rekensessies waarbij ik check wat ik minimaal moet halen. Die cijfers zijn ook echt minimaal, kan ik je vertellen – de stress is inderdaad niet nodig. Het feit dat ik het toch ervaar is irritant, frustrerend en soms lachwekkend, als ik denk aan de uit mijn fantasie voortkomende doemscenario’s die al de revue zijn gepasseerd. Voor anderen heb ik tientallen tips en geruststellende woorden. Maar zelf neem ik ze niet aan.

Maandagmiddag inmiddels, we hebben biologie opgegeven. Het valt gemakkelijk goed te praten, vanuit een gebrek aan concentratie en een overschot aan blauwe lucht. Dus liggen we in de tuin, voorzichtig zonnend in de leerpauze. (Voorzichtig lerend in de zonpauze, wat je wilt.) Ik denk aan de melanine die zich vormt in mijn huid. Er loopt een mier over mijn handdoek en ik denk aan zijn kleine lichaam, dat zelfs daarin zich synapsen, bloedlichaampjes en receptoreiwitten bevinden. (Althans, dat verwacht ik – de anatomie van de mier staat niet in mijn syllabus.) Ik denk aan nog duizend andere dingen die ik volgend jaar ben vergeten en waar ik nu niets aan heb. Maar ondertussen word ik wel degelijk bruin – fijn dat sommige dingen vanzelf gaan.

Gelukkig gaat de tijd ook vanzelf. Het wordt vanzelf 25 mei – hoe dan ook. Het wordt vanzelf morgen, de dag waarop ik mijn eerste examen maak. En dan zie ik vast dat het meevalt. Ik loop de rijen tafels af op zoek naar de mijne. In mijn handen een flesje water en koekjes die veel te hard kraken. En dan is het half twee. Ik kijk de anderen aan, doe alsof ik mijn vingers ga knakken. We lachen, ondanks alles, en slaan onze boekjes open.

Lieve examenkandidaten: heel veel succes!

venetië

9R7A7369

Om één uur ’s middags houd ik me nog bezig met de stelling van Pythagoras. Twaalf uur later ben ik in Venetië – waar het water lichtgroen is en alle mannen van boven de zestig elkaar lijken te kennen. In barretjes gieten ze gezamenlijk straffe espresso’s naar binnen. In de waterbus groeten ze elkaar, waarna ze in rap Italiaans gesprekken beginnen over de dagelijkse gang van zaken. “En wat vind jij nou van het referendum?”

9R7A73959R7A74009R7A74119R7A7422

We zijn met z’n tweeën, Mart en ik. We eten pizza als ontbijt, zitten minutenlang doelloos in de zon. Maar er zijn ook plannen – plannen genoeg. We steken kaarsjes op in kathedralen, dwalen door paleizen. We wandelen door de duizenden nauwe steegjes die de stad rijk is. Hoek na hoek slaan we om, ons richtingsvermogen testend tot we het echt niet meer weten. In mijn geval is dat natuurlijk vrij snel. Mart is een grotere doorzetter in dezen, maar toch diep ik meermaals de licht verkreukelde kaart op uit mijn tas.

9R7A74379R7A74459R7A7454

Venetië doet aan als een mediterraans Amsterdam. Maar waar in Nederland de stad won van het water, won hier het water van de stad. Of beter: werden ze één. De groenige kanalen stromen tot aan de achterdeuren van de pastelkleurige huizen. Het doet bijna onecht aan. Dobberend door de nauwe grachten verwacht ik elk ogenblik een mechanisch monster dat uit het water opdoemt, terwijl er rook en spannende muziek uit de voorkant van de boot komt. Aan het einde van de rit kunnen we een foto van dit actiemoment kopen.

Het idee dat ik me in een pretpark bevind, valt niet geheel uit te sluiten. Bovendien dragen de vele Japanners nogal bij aan het Disneylandgevoel.

9R7A74599R7A74789R7A7521

Het voelt weer echt als Italië wanneer we de drukste straten links laten liggen. We kopen aardbeien op een markt waar het naar vis ruikt en eten ze op in een rustige bocht van het Grand Canal. De zon brandt door mijn bloesje, mijn voeten bungelen van de steiger. Voorzichtige golfjes maken mijn sokken nat.

9R7A75249R7A7532

We bezoeken de Gallerie dell’Accademia, benieuwd naar de werken van Leonardo da Vinci. Zaal na zaal gaan we af, maar geen Leo. ‘Not on display. Sorry.’  wordt ons in Italiaans Engels verteld. Natuurlijk pas nadat we het complete museum hebben gezien. We hebben dus vooral gelachen om talloze dikke engeltjes en disproportionele paarden.

(Ik wijt dit aan een gebrek aan ouders.)

9R7A75389R7A7547

We ontbijten op een trapje in de zon. We beklimmen de Campanile van Venetië, waar we niet meer voor het kindertarief naar binnen mogen. Veel te vroeg rollen we onze koffer over de kinderkopjes. Met de boot, met de bus, met het vliegtuig. We rijden van Brussel naar huis terwijl het langzaam donker wordt. Mart achter stuur, ik reik handjes chips aan en wijs zo nu en dan op een naderende flitspaal. Ik verzorg de muziek, maar zing vooral erg hard mee. Het was fijn – even los van alles.

FOR MEN

For men

Vanaf het moment dat ik kon lezen, heb ik een onschuldige afwijking ontwikkeld: ik lees alles wat ik zie, of ik het nu wil of niet. Vandaag was dat onder andere de tekst op een fles douchegel. Het was er één van mijn broer – die gebruik ik het liefst. Dat begon een paar jaar geleden, in de tijd dat hij behoorlijk fan was van Abercrombie & Fitch. In de winkels van dit kledingmerk lopen regelmatig knappe halfnaakte mannen rond, het is er zo donker dat je een zaklamp nodig hebt om de kleding te bekijken – en het ruikt er naar de hemel.

(Niet dat ik daar ooit geweest ben, natuurlijk.  Maar mocht het bestaan, dan denk ik dat het ruikt als ‘Fierce’ van Abercrombie.)

Op een goede dag bleek er ook Fierce-douchegel te bestaan, waar direct een voorraad van werd ingeslagen. De Abercrombie-manie is inmiddels weggeëbd, en dus ook de heerlijke geur die ermee gepaard ging. Maar nog steeds gebruik ik de douchegels van mijn broer, omdat ze simpelweg lekkerder ruiken dan die van mij.

Momenteel staat er Nivea for Men in onze badkamer. Wel gek eigenlijk: douchegel for women bestaat niet. Alsof mannen – mocht de specificatie for men op de fles ontbreken – vergeten dat ook zíj af en toe moeten douchen. Wat wil die term überhaupt zeggen? Nadere inspectie leerde mij dat Nivea for Men was ontwikkeld ‘especially for mens skin’. Ik heb zo’n vijf jaar biologie gehad en kan allerlei fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen noemen, maar dit is toch langs mij heen gegaan.

Wat is er zo speciaal aan douchegel voor mannen? Uit een kleinschalig onderzoek kon ik de volgende generieke eigenschappen afleiden. Ten eerste de kleur van de fles: grijs, blauw of zwart. Dan de geur: douchegels voor mannen ruiken naar mannen – op een andere manier kan ik het niet omschrijven. Deze associatie ontstaat natuurlijk doordat het voornamelijk mannen zijn, die douchegels voor mannen gebruiken. Volg je me nog? Een typisch gevalletje kip en ei.

Natuurlijk weet ik dat douchegel for men maar bestaat om één reden: geld. Het is pure marketing, die gericht is op mannen die stuurloos voor het schap met toiletartikelen staan, overdonderd door ál die keuzes. In hun ooghoek zien ze een rijtje donkerblauwe flessen, waar in blokletters FOR MEN opstaat. Daar grijpen ze natuurlijk naar, opgelucht dat de keuze al voor hen gemaakt is. Vrouwen gebruiken het vervolgens niet, want het is for men en het ruikt ook naar men. Zij kopen dus hun eigen fles, die waarschijnlijk ook nog duurder is dan een vergelijkbaar ‘mannelijk’ product. Er zijn allerlei onderzoeken gedaan naar deze zogeheten Pink Tax, waardoor een roze scheermes meer kost dan een blauw exemplaar. Bij de producent rinkelt de kassa.

Dit soort genderspecifieke marketing beperkt zich overigens niet tot toiletartikelen. Een uiterst irritant voorbeeld komt van Optimel. Momenteel word je doodgegooid met een spotje, waar Optimel wordt aangeprezen als vrouwenproduct. ‘Ik ben moeder, dochter en vriendin. (…) Ik ben lekker relaxed. Ik ben vrouw, maar ik ben vooral mezelf.’

En dus drink ik Optimel? Het verband ontgaat mij hier volledig. Bovendien: waarom zou je dit doen? Als marketing gericht is op geld verdienen, lijkt het me in veel gevallen helemaal niet lucratief je te richten tot één sekse. De helft van de wereldbevolking behoort dan opeens niet meer tot de doelgroep. Ik kan me voorstellen dat tampons lastig te verkopen zijn aan klanten zonder baarmoeder. Maar er zijn vast vrouwen die graag Snickers eten, of die met enige regelmaat een drilboor gebruiken. Er zijn genoeg mannen die houden van Optimel, misschien ook nog ‘lekker relaxed’ en ‘zichzelf’ zijn – maar geen moeder, dochter, vrouw.

AWKWARD

De jeugd van tegenwoordig maakt veelvuldig gebruik van Engelse woorden in hun dagelijkse conversaties. Afkortingen zijn populair: op WhatsApp zijn de lol’s, wtf’s en omg’s niet van de lucht, maar ook in het echte leven schromen tieners niet dit soort termen te gebruiken. Er is er één die het tienerbestaan perfect typeert. Bij voorkeur in een luide meisjesstem: awkward!

Want awkward, dat is het leven van een puber nu eenmaal vaak – ik spreek uit ervaring. Tussen mijn dertiende en vijftiende vond ik vrijwel alles gênant. Dat komt door een combinatie van factoren, denk ik. Ten eerste legt mijn brein voortdurend allerlei verbanden. Meestal best handig, maar soms zit er een verband tussen dat nergens op slaat. Dat flap ik er dan uit, en vaak midden in mijn zin denk ik al: néé! Hoe kan ik dit nu zeggen?

Me schamen voor andere mensen, daar was ik ook erg goed in. Als stereotype puber pretendeerde ik geen kind van mijn ouders te zijn, wanneer ze iets deden wat ik écht niet vond kunnen. Nog steeds ervaar ik regelmatig plaatsvervangende schaamte. Ongemakkelijke situaties op televisie, vreselijk acteerwerk in films; het maakt dat ik wegkijk, omdat ik het gewoon níét kan aanzien.

Ten slotte vul ik snel andermans gedachten in. Dan gebeurt er iets ongemakkelijks, en hóór ik de mensen om me heen haast denken hoe gênant het wel niet is. Met de jaren ben ik er wel achter gekomen dat iets wat voor jou heel opvallend leek, door een ander vaak nauwelijks is opgemerkt. Het is natuurlijk ook egoïstisch om te denken dat iedereen maar de hele dag op jou staat te letten. Echter, door zo’n uitroep – awkward! – vestig je wel degelijk de aandacht op wat je zojuist gedaan hebt. Zo graaf je dus je eigen graf.

Schermafbeelding 2016-03-09 om 21.05.03

Vriendin Marre stuurde me laatst bovenstaand plaatje. ‘Story of my life!‘ antwoordde ik. (In het Engels, ja. Ik behoor zelf ook tot de jeugd van tegenwoordig.) Schaamte over je vroegere zelf. Een vorm die ik als enige dacht te kennen, maar dat bleek dus niet het geval. Mocht dit wel nieuw zijn voor je, laat het me dan uitleggen. Het kan op elk willekeurig moment op komen zetten, maar mij overkomt het vaak als ik in bed lig. Ik ben rustig het leven aan het overdenken, mijn gedachten dwalen af en BAM! Daar is het: een ongemakkelijk moment uit het verleden. Iets wat ik deed of zei, en wat me zelfs nu nog – gerust vijf jaar later – onder mijn dekens doet kruipen, met de wens om niet meer te bestaan.

Een vraag aan de oudere lezer: gaat dit ooit voorbij? Is schaamte slechts een puber-ding? Ik denk het niet. Er komen waarschijnlijk nog genoeg momenten waarop ik graag even door de grond zou zakken. Wel ontwikkel je een gezonde dosis relativeringsvermogen, die maakt dat je sneller onder de grond (of dekens) vandaan durft te komen. Daarbij krijg je iets meer schijt aan de ongeschreven regels, iets meer bluf, en ontstaat het besef: het leven is zo awkward als je het zelf maakt.