een boek

In de categorie ‘grote dromen’, had ik de droom om ooit eens een boek te schrijven. Vanaf groep drie pende ik schriften vol hanenpoten, waarmee ik mijn dagelijkse bezigheden beschreef. Ik verslond de boeken van Francine Oomen, bij een signeersessie in de plaatselijke boekhandel vroeg ze me wat ik wilde worden later. ‘Kinderboekenschrijfster,’ antwoordde ik een beetje beschroomd. Sinds 2012 deel ik mijn verhalen hier; nog steeds alledaagse observaties, op den duur ook wel eens een vurige mening. Een schrijver durfde ik mezelf nog niet te noemen. Maar ik schreef. Mijn stukken werden vooral gelezen door mensen die me persoonlijk kenden, die het ‘me hoorden vertellen’ of ‘het helemaal voor zich zagen’. Soms dacht ik er wel eens over om meer te gaan doen met mijn verhalen. Een paar jaar geleden deelde ik die droom voor het eerst. ‘Ooit ga ik nog een boek schrijven,’ mijmerde ik tegen een huisgenoot. ‘Dat denk ik ook wel,’ zei ze.

Inmiddels zijn we tweeënhalf jaar verder, en komt er een boek uit met mijn naam erop.

(Dat niet alleen, ik heb het ook geschreven.)

Vanaf 8 maart ligt Niet bepaald sexy in de winkel: een heel normaal maar onverteld verhaal over vrouwelijke seksualiteit.

Dat ik een boek over seks zou schrijven, had ik tot voor kort nooit gedacht. Seks was voor mij lange tijd een non-issue. Ik dacht er niet over na, sprak er niet over, deed er nauwelijks aan. Ik nam dat voor lief, tot eind 2019. Tijdens mijn uitwisseling naar Nashville kwam ik tot de conclusie dat ik niet wilde dat het zo bleef – maar dan moest ik wel in actie komen. Ik zette de luiken in mijn hoofd open, begon te denken en te praten over dit thema. En te schrijven, omdat ik dat nu eenmaal doe.

In de zomer van 2020 plaatste ik een reeks stories op Instagram. De aanleiding was een nieuwsbericht van de NOS: als een vrouw geen ‘nee’ had gezegd, vond een op de vijf jonge mannen dat een verzachtende omstandigheid voor verkrachting. Een op de vijf vrouwen had ooit meegemaakt dat iemand ongewenst haar lichaam binnendrong. Ik werd er zowel verdrietig als kwaad van. In mijn stories pleitte ik voor het normaliseren van het gesprek over seks. Niet alleen om ongewenste intimiteit te voorkomen; ook seks die wel met wederzijdse instemming plaatsvond, zou daardoor zoveel makkelijker, fijner en leuker zijn.

Ik kreeg veel reacties en plaatste de dag erna nog iets, over hoe spannend ik het had gevonden om me hierover uit te spreken. Dat dit kwam doordat seks voor mijzelf nog zo ingewikkeld was, durfde ik absoluut nog niet publiekelijk te maken. Ik sloot af: ‘De verhalen die het engst zijn om te delen, zijn vaak het meest waar of raak. Ze worden breed herkend, maar zelden besproken. Vandaar denk ik er al langer over na om meer te gaan schrijven over seks(ualiteit). Ik ben er nog niet helemaal uit hoe (qua vorm en vooral qua durf), maar ik zet hierbij een stok achter de deur. Want ook dat is vaak zo in mijn ervaring: dingen uitspreken helpt om ze te realiseren. Bij deze.’

Mijn verhalen namen een steeds vastere vorm aan, van losse flodders naar thematische stukken. Blogs, als het ware, die ik hier zo online had kunnen plaatsen. Ik besloot het niet te doen – het voelde als iets wat samen gelezen moest worden, en als iets wat ik niet zomaar het internet op wilde slingeren. Voorzichtig begon ik na te denken over wat ik er dan wel mee zou willen. Dat ik er iets mee wilde, was zeker. De meeste vrouwen die zich uitspreken over seks, lijken er dol op te zijn. Ze zijn seksuoloog, sekswerker of vinden seks gewoon fantastisch. Maar voor mij was seks helemaal niet gewoon, laat staan fantastisch. Ik miste een verhaal zoals het mijne en ontdekte – toen ik er eindelijk over ging praten – dat ik niet de enige was. Dus moest ik het zelf maar schrijven.

Dat ging langzaam – ik had ernaast een studie, een bijbaan. Bovendien was mijn kijk op seks volop in ontwikkeling, terwijl ik erover schreef. Soms voelde het alsof ik niet verder kon met de verhalen, omdat ik nog niet zover was in mijn leven. In de zomer van 2021 raakte ik de motivatie enigszins kwijt. Ik liet mijn werk wel aan een aantal vrienden lezen, maar verder ging het nergens heen. Een vriendin moedigde me aan het naar een uitgever te sturen. ‘Je hoeft maar tien minuten stoer te zijn, terwijl je de mail naar hun schrijft. Daarvoor hoef je het niet te durven, en daarna ook niet meer per se.’ Zo doende stuurde ik het naar Blossom Books. Ik kreeg een ontvangstbevestiging: het zou ongeveer vier maanden duren voor ik iets te horen kreeg.

(Dat is bij iedere uitgeverij zo wanneer je iets ongevraagd instuurt, zeker nu iedereen en z’n moeder in coronatijd een boek heeft geschreven.

Na die vier maanden kreeg ik een positieve reactie: of ik de andere hoofdstukken ook kon sturen. Ik was dolblij, het was al meer dan ik had durven hopen. Er was alleen een klein probleem: die hoofdstukken waren er nog niet. Dus ik ging aan de slag en wachtte vervolgens weer een poos. Het was eigenlijk wel goed dat het langzaam ging, omdat ik zo de tijd had om te wennen aan het idee dat mijn verhaal door iedereen zou kunnen worden gelezen. Voorzichtig stond ik de gedachte toe dat het misschien echt iets zou worden. Deze zomer belandden mijn verhalen op het bureau van de hoofdredacteur, en mailde ze mij: ze was enthousiast, ik mocht langskomen.

En toen ging het ineens lopen. Er kwam een tijdlijn, een publicatiedatum. In de vakantie herzag ik het manuscript, in de trein, op het strand, aan de rand van een zwembad, voordat ik de eerste versie aanleverde. Ik tekende een contract in mijn yogalegging op de bank. Ik werd uitgenodigd voor een auteursborrel, waar ik me opeens tussen allerlei serieuze schrijvers bevond: mensen die de kost verdienden met fictie, poëzie, vertalingen. ‘En wat doe jij hier?’ vroegen ze voorzichtig aan mij. Ik vertelde dan over het boek, een kort praatje dat ik steeds vaker hield sinds ik wist dat het er ging komen. ‘Oh, dus dit is je debuut?’ vroegen ze verheugd. Inderdaad, ja. Dat woord gaf er extra gewicht aan. Mijn debuut. Het werd langzaam echt.

We mailden heen en weer over het omslag, lettertypes, roze dat toch wel erg roze was, en dat het uiteindelijk toch groen ging worden. Ik kreeg voor het eerst feedback op iets wat ik had geschreven. Aan de universiteit is dat natuurlijk aan de orde van de dag, maar van mijn creatieve projecten was ik tot dan toe altijd schrijver, hoofd- en eindredacteur geweest. Nu keken er professionele ogen mee. Het bleek vriendelijk en concreet commentaar. (Zo werd ik op bepaalde patronen gewezen: ‘Je gebruikt wel erg vaak een gedachtestreepje.’ Absoluut waar – tel ze voor de grap maar eens in dit stuk.) Ik vond het heel bijzonder dat mijn verhalen met zoveel aandacht waren gelezen, met als doel ze nog beter te maken.

En zo zijn we aanbeland bij deze dag, waarop dit alles bekend wordt gemaakt, in de catalogus van de uitgever en op sociale media. Het vormde voor mij een goede aanleiding om eens na te denken, over het schrijven en hoe serieus ik dat wil nemen. Er was nog altijd de twijfel of er nou echt wat van zou komen, die me tegenhield om er serieus iets mee te gaan doen. Tot ik vorige week besefte: ik heb er al ‘serieus’ iets mee gedaan. Er is al ‘echt’ iets van gekomen. Er komt een boek! Was dat nog niet genoeg? Dus heb ik mezelf beloofd mijn creatieve ideeën voortaan meer prioriteit te geven. Plannen genoeg, maar tijd om ze uit te werken ontstaat nu eenmaal niet zomaar. En misschien dat ik mezelf dan ook eindelijk schrijver durf te noemen.

Dit was dus de reden dat het zo lang stil was hier – de tijd die ik had om te schrijven, ging allemaal hierheen. Ik vind het heel leuk om het nu eindelijk te kunnen delen. Mocht je Niet bepaald sexy alvast willen reserveren, dan kan dat vanaf nu. Tip: reserveer via Libris, dan kan je bij het afrekenen je favoriete boekhandel selecteren en gaat het bedrag naar hen. Updates over het boek zal ik plaatsen op Instagram, @dekunstvan.blog. Rond 8 maart (Internationale Vrouwendag!) zal ik hier ook zeker iets plaatsen. Je kan mijn blogs ook via de mail ontvangen, scroll daarvoor even helemaal naar onderen op deze pagina.

lief

‘Wat vind je belangrijker,’ vroeg de docent, ‘dat het gezellig is, of dat er hard gewerkt wordt?’ Hij was het uur ervoor in mijn les komen kijken en constateerde dat ik wel heel veel met een glimlach deed. Ik zag het ook, toen ik het op video terugkeek. ‘Jongens,’ hoorde ik mezelf voor misschien wel de vijfde keer zeggen. Ik sprak drie leerlingen aan die constant aan het klieren waren. ‘Ik weet niet hoe ik het nog duidelijker kan maken dan dit – doe het niet!’ Vervolgens schoot ik in de lach om het feit dat het deze bijna volwassen gasten niet lukte om even drie minuten van elkaar af te blijven.

(‘Ik kan er ook om janken,’ zou mijn moeder zeggen, ‘maar daar heeft ook niemand iets aan.’) 

Sinds februari loop ik stage op een middelbare school in Utrecht, waar ik CKV geef in de vierde en kunstgeschiedenis in de vijfde. Ze geven er geen doorsnee onderwijs: er is veel vakoverstijgend, projectmatig, leerlingen krijgen veel vrijheid om hun eigen planning te maken. 

Oh, en er zijn geen regels. 

Althans – zo lijkt het.

In de eerste week was ik vooral bij andere docenten aan het meekijken. Het viel me direct op dat het er allemaal wat losjes aan toeging. ‘Het lijkt helemaal niet op een school,’ vertelde ik wanneer me gevraagd werd naar mijn ervaringen. Het leek helemaal niet op mijn school, bedoelde ik dan eigenlijk. Wanneer ik langs de lokalen liep, zag het er absoluut niet uit zoals in mijn herinnering: leerlingen in rijtjes, schriften op tafel, hun blikken gericht op een docent vooraan. Leerlingen hadden hier veel meer ruimte om te doen waar ze zin in hadden. Ik zag ze zittend op tafels de uitleg volgen, ik zag ze slepen met meubilair als ze op een andere plaats wilden zitten. Ik zag leerlingen op willekeurige momenten het lokaal uit wandelen – waarheen, dat was me een raadsel. Mocht dat allemaal zomaar? Bij navraag bleek dat niet alleen de leerlingen, maar ook de docenten erg vrij waren. Dat betekende dus geen algemeen geldende regels: wat wel en niet mocht, dat moest ieder voor zich uitmaken.

Deels vond ik dat fijn. Van regels-om-de-regels zou ik niet gelukkig worden. Van stagiairs op andere scholen hoorde ik over kledingvoorschriften en nablijflokalen, wat ik zeker niet gezellig vond klinken. Hoe zat dat op deze school eigenlijk, vroeg ik mijn stagebegeleider. Ze vertelde dat leerlingen niet uit de klas konden worden verwijderd. ‘Of ja, je kan iemand er wel uit sturen, maar ik zou niet weten waar diegene dan heen zou gaan. Je moet gewoon samen het gesprek aangaan.’ Dat klonk als een prima oplossing voor mij. Ook in het feit dat docenten bij de voornaam werden genoemd – geen meneer, geen mevrouw – kon ik me goed vinden.

Op deze school zonder regels ligt de bal dus bij mij, en dat kan ook wel eens lastig zijn. Want wat zijn mijn grenzen eigenlijk? 

Op tafel zitten tijdens een uitleg? Prima, dat doe ik zelf ook altijd. Als diegene maar oplet.

Een vraag beantwoorden zonder een hand op te steken? Niet zo erg, het enthousiasme wordt gewaardeerd.

Een prullenbak van driehoog naar beneden gooien? Ik had het niet kunnen verzinnen, maar dat bleek een duidelijke ‘nee’.

Bij een excursie naar de Tweede Kamer die enorme roltrap omhoog gebruiken om over naar beneden te rennen? Nee natuurlijk, maar ik moest er wel degelijk om lachen. 

Te laat komen? Dat deed ik zelf ook vrij vaak, ik meld dus zelden iemand te laat. Maar waar ligt de grens tussen te laat zijn of afwezig? Is het dan genoeg om de laatste tien minuten op te komen dagen? 

Iets eten tijdens de les? Geen probleem, honger laat zich niet altijd timen. Maar wat doe ik dan met een leerling die met een familiezak friet komt binnenwandelen? 

(Mijn grens bevindt zich blijkbaar ergens tussen een Liga en eten waardoor het lokaal naar een snackbar gaat ruiken.)

En zo is elke dag vol keuzes: wat sta ik toe, wat laat ik gaan? 

Soms voel ik wel aan dat ik bepaalde dingen liever anders zou zien. Neem telefoons in de les. Liefst zou ik zo’n zak hebben naast de deur, met dertig genummerde vakjes. Alles erin, geen gezeur. Maar zo’n besluit zou me – zeker op deze anti-autoritaire school – niet bepaald populair maken. Daarbij vind ik het te makkelijk om die telefoons tot de ultieme bron van het kwaad te maken. Het zijn pubers – wanneer ze willen, vinden ze ook zonder telefoon wel een manier om niks te doen.

En dus vraag ik het nog maar een keer aardig.

(‘Doe je ‘m even weg? Nee, niet op tafel – echt weg. Dankjewel!’)

Ik wil dat er hard gewerkt wordt én dat het gezellig is. Dat zou echt moeten kunnen – ik heb zelf genoeg aardige docenten gehad die toch echt niet over zich heen lieten lopen. Maar naar de balans is het nog zoeken.

Zo komt het dat een aantal leerlingen steevast te laat zijn in mijn les, maar wel met een blik van ‘duizendmaal sorry, ik ga al zitten!’ Zo komt het dat een leerling, toen ik haar vroeg waarom ze dan niet gemotiveerd was om iets te doen, tegen me zei: ‘Het is echt een leuke opdracht, hoor! Maar ja, wij hebben er gewoon niet zo’n zin in. Je moet het volgend jaar maar weer proberen met een nieuwe groep.’ Zo komt het dat een leerling wel een les lang liep te klieren, maar ook begrijpend knikte toen ik hem vroeg nog even te blijven. Wat ging hij de volgende les anders doen? ‘Ik denk dat ik maar even apart ga zitten, zodat ik goed kan werken. Wil je me daaraan helpen herinneren?’

En zo komen ook de lieve leraren er wel.

Ik ben er weer! Heel leuk dat je nog steeds meeleest. Ik ben al langere tijd bezig met een groter schrijfproject, dat ik niet hier wilde plaatsen. Hopelijk kan ik daar binnenkort meer over delen. Daarnaast loop ik dus stage, wat veel van mijn tijd en energie vraagt. Ik vind het wel enorm leuk, en maak genoeg mee om over te schrijven. Dat wil ik dan ook vaker gaan doen – ik heb nog een paar ideeën liggen. Als je niets wilt missen kan je mijn verhalen via mail ontvangen (onderaan de site vind je een inschrijfknop) of mij volgen via Instagram, @dekunstvan.blog. Tot de volgende!

omineus

Er slenteren weer studenten door de binnenstad. Ze dragen dezelfde shirts, truien, tassen, pakken, al dan niet met functie of naam. Kleine plukjes mensen die uitstralen: wij horen bij elkaar. Dat is niet illegaal meer. Ze hoeven zich niet langer te verstoppen of te schamen, het stempel ‘coronaverspreider’ kleeft niet automatisch meer aan ze. ‘Inmiddels hebben ze het allemaal al gehad’, zal men wel denken.

Eerstejaars op ov-fietsen houden het verkeer op, vanwege gebrek aan oriëntatie, besluitvaardigheid, of vanwege een slaapzak die van een bagagedrager af dondert. Er lopen jongens door de straten die zich eindelijk weer mannetjes kunnen voelen in hun jasjes en dasjes. Na twaalven verzamelen ze in de snackbar – alleen die is nog open. Voor de Albert Heijn knopen onbekenden gesprekken met elkaar aan, bierkratten op fietsenrekjes stapelend. ‘Waar gaan jullie heen?’ Er zijn weer uitwisselingsstudenten, die worden rondgeleid door mensen in gele shirts. Door hun ogen vind ik de stad haast nog fijner. Utrecht is uitnodigend, met al haar trappen om op te hangen, parken om in uit te brakken, pleinen om elkaar op te leren kennen in de zon die eindelijk schijnt.

Ook de universiteit bekijk ik met een frisse blik. Ik was er een halfjaar tussenuit, en daarvoor mocht ik ook al een jaar niet komen. Over een paar weken is de charme misschien wel weer verdwenen, herinner ik me dat de printers nooit meewerken en er altijd wel iemand iets meurends zit te eten naast je in de bieb, dat negen uur vroeg is voor een college als je er daadwerkelijk heen moet fietsen in plaats van het uit bed te kijken. Maar voor nu open ik de syllabi zodra ze online staan, download ik vast de teksten die ik moet lezen en bestudeer ik mijn rooster. Achter elk college staat een lokaal. (Ook dat vond ik ooit normaal.) Ze zijn over de stad verspreid, de universiteit heeft alle ruimte nodig. Ik heb college naast de bibliotheek, op de internationale campus, op de rechtenfaculteit en in een gebouw waar ik nooit eerder ben geweest. De docent ook niet, vermoed ik nadat ik mail van hem kreeg.

‘Graag tot ziens op 13 september, in de zaal met de omineuze naam “Kelder 1.03.”‘

Een vriendin kon bevestigen dat het inderdaad vrij grimmig was, maar het deert me niet. Al zetten ze me op het dak – ik zal er zijn.

zee

Er zijn bosmensen, bergmensen en zeemensen. Ik ben dat laatste – alleen al de zoute geur stemt me behoorlijk tevreden. In het najaar was ik aan het daten met een jongen die niet van de zee hield. Dat was snel klaar.

(Grapje.)

De zee kende me op m’n best. Blootvoets, ontspannen, dobberend op mijn rug of met een boek in de hand. Dit jaar was het anders.

Ik was regelmatig op het strand, op zoek naar het gevoel dat alles goed was. Ik kon het lang niet altijd vinden – zelfs daar niet. De zee zag me in allerlei toestanden en was zelf de grote constante – Noordwijk, Bloemendaal, Cadzand, Scheveningen. Het maakte altijd wel iets beter, de vanzelfsprekendheid van eb en vloed, de grootheid en eenheid van het water, maar vaak was het niet genoeg om te vergeten wat er achter de duinen bestond. Niet genoeg om op te wegen tegen alles wat niet meer zeker was.

Dat ik me nooit alleen hoefde te voelen. Dat ik kon gaan en staan waar ik wilde, wanneer en tot hoe laat. Dat ik plannen durfde te maken. Dat die plannen door zouden gaan en ik daarnaar uit durfde te kijken. Dat ik niet hoefde te kiezen tussen verstandig en samen zijn. Dat mijn ouders niets zou overkomen – al liepen ze naast me langs de vloedlijn, nog twijfelde ik eraan. Dat ik wist wat goed voor me was. Dat ik geen gevaar voor anderen zou zijn. Dat anderen geen gevaar waren voor mij, al helemaal niet degenen die ik liefhad. Dat mijn lichaam me de waarheid vertelde, dat ik die zelf kon verifiëren zonder tussenkomst van een externe partij met een wattenstaaf.

Op de laatste dag van maart daagde de zee me uit. Het was opeens boven de twintig graden. Het water was dat niet. Samen met mijn broer liep ik erheen, mijn kleren liet ik achter op het harde zand. Ik ging erin, eruit, toch erin. Hoofd onder water – een schok door mijn lijf, een herstart van mijn adem.

Een paar weken later was ik er opnieuw, ditmaal met mijn huisgenoten. We hadden een voetbal mee, een frisbee, een vlieger. Het was weer kouder, toch deden we onze schoenen uit. Met mijn voeten in het zand besefte ik dat ik van de zee niets meer hoefde – ik genoot enkel, zoals vroeger.

Het was geen makkelijk jaar, voor vrijwel iedereen denk ik, zo ook voor mij. Ik wilde er graag nog iets over schrijven, maar het was nog te dichtbij. Dat je dit nu kan lezen betekent dus dat het al veel beter gaat. Ik ben sinds februari klaar met mijn scriptie en nu een half jaar vrij. Ik ben druk aan het schrijven, maar niets wat meteen de wereld in gaat. Dat komt vast later! Voor nu veel liefs van mij.

potlood

In aanloop naar de verkiezingen werden deze vaak ‘het feest van de democratie’ genoemd. Het zal heus iets te maken hebben met onze liefde voor het algemeen kiesrecht, maar ik vermoed dat we momenteel ieder feest met beide handen aangrijpen, zelfs de symbolische soort. Dat gold voor mij ook: ik ging nog net niet huppelend naar de stembus, mijn lippen voor het eerst sinds tijden gestift, in de kleur van het potlood dat ik hoopte te bemachtigen. Samen met een huisgenoot ging ik stemmen bij een kinderboerderij. Nadat we onze biljetten in een kliko hadden geduwd, konden we de lammetjes aaien. Er lagen er drie tegen het hek, oogjes gesloten, zich van geen commotie bewust. Op hun vacht zat een rode stip, alsof ook zij met zo’n potlood waren ingekleurd.

’s Avonds installeerden we ons op de bank, met bier en popcorn, alsof we naar het Songfestival gingen kijken. Die sfeer heerste er ook tijdens de exitpoll, waar met een klok naartoe af werd geteld. (‘Het is negen uur, de lijnen zijn gesloten.’) Tergend langzaam werd de zetelverdeling bekendgemaakt. (‘VertGauche, huit points!’) Handen gingen de lucht in, handen werden voor monden geslagen. Ik gunde Kaag haar dans op tafel, mijn stem op een nieuwe partij bleek daadwerkelijk een zetel waard. Maar bij het feest van de democratie – zo bleek een dag later – hoort ook een kater. Het echte feest moest nog beginnen. Ik had slechts een uitnodiging verstuurd, en er bleken een hoop gasten aanwezig die ik zelf nooit zou vragen. Ik viste mijn potlood tussen de kussens van de bank vandaan en vroeg me af waar ik het zou bewaren.

wind

Het waait en alles kraakt. ’s Nachts raast het met windkracht vier rond het dakkapel, het enkelglas knarsend in de kozijnen. ’s Ochtends trekt het nog verder aan. In de binnentuinen klinkt het geluid van struikelende dakpannen en rinkelend glas. In de badkamer huilt de wind door de ventilatiebuizen, waar normaal alleen gezang van huisgenoten doorheen klinkt.

In de stad word ik onder de Dom door geblazen. Op de verlaten gracht klinkt vooral visueel lawaai. Posters met vetgedrukte letters, ingeflitste foto’s, logo’s in krijtverf op de stoepen, sommige net te vroeg verregend. Ditmaal geen felgekleurde jassen, flyers of vlaggen die nu juist zo goed hadden gewapperd. Het voelt als een wind van verandering. Of dat klopt blijkt volgende week.

mening

Perron vijf, net voor de spits.

‘Hallo!’ Een vrouw van een jaar of vijftig komt op me aflopen. ‘Mag ik u iets vragen?’ Toen ik net in Utrecht woonde, beantwoordde ik deze vraag steevast met ‘ja’, inmiddels weet ik beter. In dit geval is de vraag al duidelijk voordat die is gesteld. ‘Mag ik uw mening over de NS?’ lees ik op het paarse hesje dat ze draagt. De vrouw volgt mijn blik.

‘Ja, dat hebben ze er vast op geprint, maar ik praat ook gewoon hoor! Zou u deze in willen vullen?

Ze overhandigt me een formulier met stellingen, waarbij ik een cijfer moet aankruisen van een tot tien.

(‘Dit station ruikt aangenaam.’

‘Dit station is kleurrijk.’

‘Dit station is niet zo verlaten dat het ongezellig is, maar ook niet zo druk dat je er last van hebt.’)

‘En een pen erbij – hij is schoon!’

Wanneer ik een opmerking maak over het grote aantal stellingen, zegt ze geroutineerd: ‘Drie tot vijf minuten duurt het maar.’ Ze werpt een blik op het informatiebord boven haar hoofd. ‘En ik zie dat je trein vertraagd is, dus dat haal je makkelijk!’

Wanneer ze het formulier weer komt ophalen, blijft ze nog even naast me staan terwijl ze haar administratie in orde maakt.

‘Die kan in het desinfectiearchief,’ zegt ze als ze de pen van me aanpakt, waarna ze hem in de zak van haar jas stopt.

‘Ga je je aansluiting nog wel halen?’ vraagt ze bezorgd. Mijn aansluiting is een fiets, dus die zal wel op me wachten. ‘Oh, gelukkig maar. Dat is zo’n gedoe soms als je moet overstappen en er is vertraging, dan ben je zo een uur verder. Het gaat sowieso niet zo lekker vandaag – veel treinen die uitvallen of later zijn.’

Ze stopt mijn formulier in haar tas.

‘Bedankt nogmaals, fijne dag!’

Ik hoop dat ze er zelf ook een mag invullen.

nog even over het ijs

Mijn broer belde, of we nog ergens schaatsen hadden liggen. ‘Het zou wel zonde zijn om nu niet te gaan,’ zei hij. ‘Wie weet wanneer het weer kan.’ Daar was ik het mee eens. Pas een uur later bedacht ik dat ik zelf misschien ook iets met die conclusie moest.

De volgende morgen stonden we om kwart over tien bij Loosdrecht op het ijs. Vanaf een steiger wiebelden we de plas op waar ik vorige zomer nog overheen had gevaren, in had gezwommen zelfs. Het groen-bruine water van toen was veranderd in een zwarte vlakte. Overal waren witte scheuren zichtbaar, als een gebroken raam dat elk moment uit elkaar kon vallen. Een stuk verderop trok een stoet mensen over het ijs.

‘Die kant op?’

‘Die kant op.’

En we vergaten de diepte.

Ik ging niet hard op mijn ijshockeyschaatsen, maar het gaf niets. Des te langer lukte het me om nergens over na te denken. Het was slechts doen, de ene voet en dan de andere, en kijken. Ik zag een vrouw met een kinderwagen, een man met een mitella. Ik zag een hond (en een drol), honderden meters van de kant verwijderd. We werden omgeven door een constante ruis van krassende ijzers – of was het toch krakend ijs? Dat eerste moest het zijn, besloten we.

Het was een jaar vol toch maar niet, niet voor mij, verstandig zijn. We doen het later. Maar inmiddels zijn er al zoveel laters voorbij, zoveel eindstrepen behaald zonder dat er daar veel anders bleek te zijn. En toen was daar het ijs, dat uitstellen niet toe zou laten. Een dag eerder nog breekbaar, een dag later misschien verdwenen. Maar voor nu konden we erop staan, en dat was genoeg. In ruil voor goed vertrouwen zou het water ons dragen.

haast

Wanneer ik een lange tijd niet geschreven heb, kan het voelen alsof ik die hele periode moet samenvatten voordat ik weer verder kan. Los van de absurditeit van die gedachte, is er geen beginnen aan. Dus begin ik niet, zoals de meeste dagen. Of ik begin maar ergens, in medias res. Zoals vandaag.

Mijn fiets had het in de permafrost begeven, en zo belandde ik gisteren tegen wil en dank in de avondklokrace, op weg naar huis nadat ik met een vriendin had gegeten. Er heerste een gevoel van saamhorigheid op straat. In het voorjaar was het er ook. Iedereen groette elkaar, wat in sommige plaatsen misschien normaal is, maar in Utrecht zeker niet, want daar heb je dan een dagtaak aan. Bovendien zou het wel eens verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden. Zo niet in de eerste golf, toen passanten vriendelijk naar elkaar knikten – we zaten tenslotte allemaal in de penarie, dus dat was wel het minste wat we konden doen.

Inmiddels negeert men elkaar weer zoals gewoonlijk. Maar tussen half negen en negen uur ’s avonds bleek er sprake van een nieuw soort verbondenheid. Het was een collectieve haast, een gedeeld besef van kut-we-komen-te-laat. De enigen die rustig aan deden waren de maaltijdbezorgers, geheel tegen hun laat-me-erlangs-natuur in. De rest stapte stevig door, voor zover de sneeuw dat toeliet. Een jongen in een spijkerbroek en op verre van winterbestendige schoenen had besloten dat hij alleen rennend over het midden van de weg op tijd zijn bestemming zou halen. Auto’s waren er toch nauwelijks, afgezien van politiewagens die traag rondcirkelden, bij wijze van warming-up.

Ik zag geen enkele hond die werd uitgelaten. Vermoedelijk stappen de baasjes collectief om negen uur de deur uit. Misschien knikken zij zelfs nog naar elkaar – ik zal het nooit weten.

nothing but words

We moesten een paper schrijven over een kunstenaar en mochten daarin ‘heus wel iets vinden’, aldus de docent. ‘Dat vind ik altijd zo eng,’ deelde een medestudent op mijn scherm. Daar sloot ik me bij aan. Wanneer je mij persoonlijk kent, zal je weten dat ik heus geregeld mijn mening laat blijken, maar binnen de kunstgeschiedenis ben ik daar niet bepaald op getraind. De eerste twee jaar waren we vooral bezig met theorieën tot ons nemen, om die op het tentamen weer op te kunnen lepelen. Daarnaast waren er vele afbeeldingstoetsen – maker, titel, jaar, en dat na een week weer vergeten. We schreven ook wel papers, maar daarin diende je bij de feiten te blijven.

Een mening, daar kon je niets mee.

Soms werd zelfs uitdrukkelijk verzocht hem thuis te laten. ‘THIS IS NOT A COURSE IN ART APPRECIATION’, schreef een docent eens in de syllabus. (Verder vroeg hij ons geen parfum te dragen naar zijn college, want daar kon hij ook niet tegen.)

Het had me wel leuk geleken, dat ik op een tentamen was verschenen en me werd gevraagd: wat vind je er eigenlijk zelf van? Hoe interpreteer je dit werk? Doet het je iets, en wat dan?

Buiten mijn studie proef ik nog minder vertrouwen in de eigen mening, wanneer het op kunst aankomt.

‘Ik heb het idee dat ik wat mis,’ hoor ik geregeld.

‘Met jou wil ik wel mee naar een museum. Misschien snap ik het dan nog een beetje.’

‘Het doet me niks,’ zei een collega heel voorzichtig,

Begin dit jaar was ik op een diner waar een date voor mij was uitgenodigd. We kenden elkaar nog niet, dus bij het eerste biertje vroeg hij wat ik deed. Toen ik ‘kunstgeschiedenis’ zei, zag ik hem enigszins in paniek raken. Moest hij het dáár over gaan hebben? Had hij maar niets gevraagd.

Kunst is er om begrepen te worden, lijkt het gevestigde idee. Er wordt al eeuwen over gepraat, geschreven, gediscussieerd, gezeverd, en vrijwel altijd passeert die vraag: wat betekent dit? Als student kunstgeschiedenis vind ik dat prima, maar het heeft ook z’n weerslag op de argeloze museumbezoeker. Naarstig gaat hij op zoek naar dé interpretatie, om zo geregeld meer tijd te besteden aan het lezen van informatieborden, dan aan het bekijken van de werken waar hij tegenover staat.

Het is een paradox met een afschrikkende werking: iets moeten begrijpen dat op eindeloos veel manieren begrepen kan worden. Zo nu en dan vergaat het plezier mij ook,  wanneer ik om half tien ’s avonds nog een betoog zit te lezen van een theoreticus wiens woorden ik zowel vrij cryptisch als vrij stellig vind. Omdat kunst ook bestudeerd wordt als een wetenschap, lijkt het soms alsof er wél een alles verenigende waarheid bestaat, een zienswijze die het allemaal begrijpelijk zal maken. Het duurde even voor ik doorhad dat die theorieën vaak ook maar meningen waren – anders had het wel exacte wetenschap geheten. Natuurlijk zijn die meningen beargumenteerd, en zijn ze niet voor niets doorgedrongen tot vrijwel ieder kunstcollege. Maar ze spreken elkaar ook tegen. Zo start de moderniteit bij Manet, nee, Cézanne, misschien Picasso of toch Duchamp.

Laatst las ik een theorie van Jacques Rancière, die als volgt eindigde:

I am aware that of all this it might be said: words, yet more words, and nothing but words. I shall not take it as an insult.’

De beste man steeg direct in mijn achting.