BUITEN DE HOKJES

Processed with VSCOcam with b5 preset

Donderdagochtend, kwart over acht. De collegezaal stroomt vol met leerlingen die liever nog in bed lagen. Sterker nog: leerlingen die liever niet meer op de middelbare school zaten. Want dat is volgens mij algemeen bekend: in het eindexamenjaar zijn de meesten er wel klaar mee.

Omdat het me zinloos lijkt een heel jaar in die modus te hangen, wil ik het graag anders benoemen: ik ben er klaar voor. Klaar voor iets nieuws, iets creatiefs, en iets waar ik hoop al mijn passie in kwijt te kunnen: de kunstacademie, richting film/documentaire.

Natuurlijk ging er wat gepeins aan die keuze vooraf. Want zou ik goed genoeg zijn? Is het wel een goed plan? Het antwoord op vraag één blijf ik jullie schuldig, maar op die tweede vraag zeg ik volmondig ‘ja’. Want ik wil ‘wat als-situaties’ voorkomen. Dit is het moment waarop ik mijn leven kan gaan inrichten zoals ik dat wil. Wanneer ik die kans nu niet benut, blijf ik me misschien wel mijn hele leven afvragen: wat als ik het wel geprobeerd had?

Processed with VSCOcam with b1 preset

Ik heb dus besloten om alle twijfel opzij te zetten en ervoor te gaan. Toen het vanaf 1 oktober mogelijk was om je in te schrijven, heb ik dat direct gedaan. Dat lijkt misschien wat voorbarig, aangezien ik hoe dan ook pas in september 2016 zou beginnen. Maar er komt meer bij kijken dan een aanmelding via Studielink en het inscannen van een pasfoto. Ik moet namelijk toelating doen, waarbij er sprake is van verschillende rondes. Ik zie meteen Idols-achtige taferelen voor me, inclusief ellenlange rijen op de toelatingsdag, waar je een nummer krijgt dat je op je buik moet spelden. En dan maar hopen dat ik geen Gordon tegenkom.

Tot zover mijn fantasie. In werkelijkheid moet je een motivatiebrief schrijven, een opdracht maken, een portfolio laten zien, of op de academie zelf iets komen doen. De momenten waarop dat moet gebeuren, zijn nog niet bekend. Ook verschilt het per academie welke van die dingen je moet doen. Ik ben namelijk van plan me er bij twee aan te melden: de HKU (Utrecht) en de AHK (Amsterdam). Maar, zo bedacht ik me, het zou sowieso geen kwaad kunnen om veel creatieve dingen te gaan doen dit jaar. Ik vind het toch leuk om te doen, en daarnaast kan ik op die manier oefenen en een portfolio opbouwen.

Processed with VSCOcam with b1 preset

Wat er in zo’n portfolio hoort te zitten? Ik heb geen flauw idee. Ik weet niet wat ‘goed’ is, of ‘de bedoeling’. Ik denk ook niet dat die termen (kunnen) bestaan op zo’n opleiding. Tenslotte, wat de één kunst vindt, vindt de ander afschuwelijk. Ik weet niet wat ervoor zal zorgen dat ik toegelaten wordt, dat ik een vinkje krijg in alle hokjes. Of juist erbuiten – we hebben het immers over de kunstacademie.

Buiten de hokjes, daar bevind ik me graag. Later (als ik groot ben) wil ik geen films maken met als voornaamste intentie ‘dat iedereen het maar mooi vindt’. Ik wil datgene vastleggen wat voor mij belangrijk is en waar ik iets bij voel. Dat is misschien een geromantiseerd beeld, want je verkeert niet altijd in de positie waarin je precies kunt maken wat je zelf wilt. Maar ik denk dat het wel mijn uitgangspunt moet zijn. Alleen op die manier zullen het films worden die mensen iets doen: als het mij – degene achter de camera – ook iets doet. Bovendien laten zulke projecten het beste zien wie ik ben en waar ik voor sta. En aangezien ik op grond daarvan aangenomen hoop te worden, wil ik met die insteek mijn portfolio opbouwen.

En dus ben ik bezig met projecten die ik leuk vind. Waar ik veel energie insteek, maar minstens zoveel energie uithaal. Die als gevolg hebben dat er altijd een notitieboekje naast mijn bed ligt. En dat ik daar dan om twee uur ’s nachts iets in krabbel, en zo zeker weet dat het de volgende dag niet vergeten zal zijn. Waarna ik met een duffe glimlach in slaap kan vallen.

Donderdagochtend, kwart voor negen. In de collegezaal trilt mijn telefoon op de klaptafel voor me. Ik heb een mail van de HKU, waarin staat dat het eerste vinkje gezet is: mijn pasfoto is goedgekeurd.

IMG_3785

DE WEG

Processed with VSCOcam with p5 preset

Als middelbare scholier leid je een regelmatig leven. Na de zomervakantie krijg je een rooster dat, zeker in de bovenbouw, voor de rest van het jaar hetzelfde blijft. Vanaf dat moment zit je vast aan bepaalde clusters, klassen en uren. En zo verandert maandag als vanzelf in bètadag, woensdag in ‘die lange rotdag’ en donderdag in pretdag, met een kans op uitslapen en maar drie uurtjes les.

Door dat vaste rooster verloopt elke ochtend volgens eenzelfde routine. Hierdoor weet je na een week of twee weer dat je uiterlijk om 08.42 van huis moet vertrekken als je het tweede uur moet beginnen. Behalve als je 1.)  les hebt van die ene docent die zelf altijd te laat komt 2.) het gevoel hebt dat de brug dicht zal gaan of 3.) Colette heet, want dan heb je altijd vijf extra minuten.

In de eerste klas (toen we nog het idee hadden dat we uiterlijk om 08.20 van huis moesten vertrekken) fietsten we dagelijks met een grote groep enthousiaste bruggers naar school. Dat was niet bepaald praktisch (wanneer er één te laat was, stonden er negentien te wachten), maar zo ging het nu eenmaal. Het was een gemengde club: kinderen van allerlei basisscholen, die nu in allerlei klassen terecht waren gekomen. Met z’n allen fietsten we de lange weg richting Eindhoven, de boekentassen gevaarlijk wiebelend op onze bagagedragers.

Alle middelbare scholieren gingen dezelfde kant op, het dorp uit, wat het ons-kent-ons-gevoel onderweg alleen maar versterkte. Je fietste langs de zussen van vrienden, de vrienden van broers, de zoons van de buurvrouw en de kinderen die je kende van allerhande sportclubs.

Iedereen had te maken met dat vaste schema. En zo kwam het dat je op maandag steevast werd ingehaald door een jongen die zelfs in de winter geen jas droeg. Op donderdag zwaaide je naar een vriendin van de basisschool, die op een hoekje stond te wachten. En wanneer je zag dat het meisje met die enorme rugzak voor je fietste, wist je dat je wat harder moest gaan trappen – zij kwam namelijk altijd te laat. Alleen fietsen was er niet bij – mocht het eens voorkomen dat je klasgenoten al op school waren, dan kwam je onderweg altijd wel iemand tegen die je kende.

Processed with VSCOcam with hb2 preset

Nu, vijf jaar later, zijn de schoudertassen vervangen voor leren shoppers. Er is geen sprake meer van een fietsclub van twintig mensen. Nog steeds stroomt de Eindhovense weg vanaf half acht vol met scholieren. Echter, het deel ervan dat ik ken is met de jaren kleiner geworden. De mavo’ers en havo’ers zijn weg en ook de oudere broers en zussen hebben hun eindexamens achter de rug. Zij kozen allemaal al een nieuwe route.

Er zijn nog wel wat bekende gezichten. De jongens die een keer zijn blijven zitten. Het stelletje dat steevast hand in hand rijdt. Het meisje dat zo ongelooflijk hard fietst dat ik me afvraag of ze niet iets met dat talent moet gaan doen. En dan zijn wij er.

Maar ‘wij’, zo vroeg ik me af, wie zijn dat eigenlijk nog? Vorig jaar fietste ik even vaak alleen als in gezelschap naar school. Kleine groepjes splitsten zich af, afhankelijk van roosters of de wens om op een ander tijdstip te vertrekken. (Om niet te zeggen: een steeds later tijdstip.) Maar op de terugweg waren we nog altijd samen: de meisjes uit Son. We bespraken weekendplannen, wiskundeproefwerken en de orde van alledag. Af en toe was het stil, doken we weg in onze capuchons vanwege regen of sneeuw.

Begin dit jaar verruilde ik mijn fiets voor een scooter. Elke dag rijd ik langs de jongens van de havo, het verliefde stelletje en het racemeisje. Soms haal ik mijn vriendinnen in, soms gaat één van hen bij me achterop. Ook wij gaan binnenkort onze eigen weg kiezen. Maar voor nu nemen we nog even die naar Eindhoven.

DIE DAGEN

9R7A1797

Dit zijn misschien wel de fijnste dagen. De dagen van ’s avonds mijn sandalen klaarzetten, in de hoop dat ik het de volgende dag aandurf ermee door de koude morgen te fietsen. Het is geen winterkou – eerder een veelbelovende frisheid, die de indruk wekt dat het weer zo’n dag zal worden. Zo’n dag waarop alles te relativeren valt door simpelweg naar buiten te kijken.

Op die dagen lijkt er meer tijd te zijn. Het is pas lente, maar nu al ervaar ik zomeravonden die eindeloos voortduren – zoals ze dat nou eenmaal doen. Er is tijd om eens op een willekeurige dinsdag af te spreken, om met vriendinnen te koken of een film te kijken terwijl niemand echt kijkt.

Er ontstaan plannen voor de echte zomer, die even ver weg als dichtbij lijkt. Met bepaalde dingen wil ik niet meer wachten. Vier jaar lang liet ik mijn haren groeien, binnen een half uur lag de helft ervan bij de kapper op de vloer. Een paar dagen voelde ik me Milou, maar dan met kort haar. Inmiddels weer Milou.

Mijn roze teennagels steken fel af tegen het gifgroene linoleum van de door mij zo geliefde bètalokalen. Korte mouwen en kippenvel, want de ramen zijn er altijd open en mijn jas moet aan de kapstok. Maar later op de dag ben ik blij met die zomerkleren, al verbranden mijn bovenarmen een beetje door mijn kanten shirtje heen.

Op school valt er elke dag wel iets te vieren; dan liggen er ballonnen metershoog in de docentenkamer, inmiddels hebben we na drie lesdagen alweer weekend. Pauzes worden voornamelijk buiten gespendeerd. Met wat geluk eindigen de lessen twee minuten eerder, om de kans op een bankje in de zon te vergroten.

Anders gezegd: er is altijd een reden om waterijsjes te halen in een tussenuur. En zo niet, dan zijn de waterijsjes een reden op zich.

Processed with VSCOcam with f2 preset

Processed with VSCOcam with f2 preset

Processed with VSCOcam with hb2 preset

EEN EXCUUS OM VEEL TE ZUIPEN – DEEL II

9R7A0581 Nog voordat carnaval begonnen was, besloot ik hier te delen hoe ik tegen dat feest aankijk. Ik zou er, na het zelf ervaren te hebben, nog op terugkomen. Bij deze.

’s Middags begon het avontuur al, toen ik in Eindhoven naar de film ging met vriendinnen. Vanaf het station is het maar een klein stukje lopen naar de bioscoop, maar toch heb ik er wel even over gedaan. Precies op die plek kwam namelijk de carnavalsoptocht langs. De bas van de muziek voelde ik tot in mijn buik en naast de kant stonden overal mensen. Ik droeg een zwarte jas en een spijkerbroek, maar werd door mensen in bananenpakken en tiroleroutfits aangekeken alsof ik helemaal géén kleren aanhad – ik viel op door onopvallend te zijn.

9R7A0577

’s Avonds mengde ik me beter in het gezelschap. Met tien vriendinnen ging ik de tent in. Aan de hand van deze foto’s kan je waarschijnlijk wel raden als wie ik verkleed was: Hermione Granger – hoe kan het ook anders. Echter geven deze foto’s niet bepaald een accuraat beeld van de sfeer in de tent zelf. Eigenlijk stralen ze precies het tegenovergestelde uit. Ik zou ze omschrijven als netjes, licht, ‘fris’, misschien. In de tent was het… nou ja, niet dat, dus. Het rook er naar een mengeling van bier, zweet en na een tijdje ook sigaretten.

(Want wat nou rookverbod.)

Het was al druk. Tussen de menigte door wurmden we ons naar voren, richting het podium, waar een blaasband de bekende nummers speelde. Het ons-kent-ons-gevoel was sterk aanwezig. Hoewel ik daar meestal niet zo blij van word, vond ik het nu wel leuk. Iedereen groet elkaar, iedereen is blij. Althans… Bijna iedereen. Bij enkelen veroorzaakte de alcohol een agressieve dronk, vermoed ik. Al vrij vroeg op de avond week de menigte even uiteen om aantal mannen door te laten. Ze hielden een hevig protesterende man vast. Met ‘Bloed, zweet en tranen’ op de achtergrond werd hij via de nooduitgang naar buiten geboudeerd. De muziek ging ongestoord verder: ‘…zei ik vrienden, dag vrienden, de koek is op…’ De ironie was me niet ontgaan.

9R7A0576 Dus, wat heb ik de hele avond gedaan? Vooral dansen, springen, zingen. En mensen kijken, natuurlijk. Dat vond ik misschien nog wel het leukste onderdeel, aangezien sommigen echt heel creatief geweest waren. Bijvoorbeeld een meisje dat verkleed was als wegpiraat. Haar kleding was een kruising tussen een piraat en een toerist, met Hawaï-bloemenketting en zwaard. Regelmatig zwaaide ze met een wegenkaart, met daarop geschreven: ‘Op weg naar de klote.’ Vond ik erg leuk gevonden.

Eerder schreef ik dat ik dacht dat carnaval voor veel mensen enkel een excuus was om veel te zuipen. Gezien de hoeveelheid drank en zatte mensen die ik gisteren gezien heb, ga ik daar niet op terugkomen. Maar er was meer. Voor veel meisjes was het een excuus om een nét iets te kort rokje te dragen. Voor anderen een excuus om al weken van tevoren creatief bezig te zijn. En eigenlijk voor iedereen, inclusief mijzelf: een excuus om gewoon een avondje (of vier) te feesten. En wat valt daar nou tegenin te brengen?

Processed with VSCOcam with t1 preset

EEN EXCUUS OM VEEL TE ZUIPEN

IMG_8777

Al ruim een maand geleden werden de eerste voorbereidingen zichtbaar. Op het plein voor de kerk liepen mensen heen en weer met balken en wit zeil. Een paar dagen later stond er een enorme witte tent. Boven de winkels hangen borden met uitspraken in dialect. Op school werd er gepraat over kostuums en pakjes, wie er nog dit of dat te leen had en wie voor welke dag kaartjes had gehaald. ‘En fijne dagen, hè!’ werd mij gisteren nageroepen, bij wijze van afscheidsgroet. Fijne dagen – alsof het Kerstmis is! In Brabant zijn de dagen die eraan komen, voor veel mensen belangrijker dan Kerst. Al maanden wordt er naar uitgekeken: carnaval.

Hoewel het van oorsprong een katholiek feest is, heeft carnaval daar voor mij weinig meer mee te maken. Ik associeer het met harde, lompe muziek, dringende mensenmassa’s en vooral: bier. Bier dat je schoenen aan de vloer laat plakken en waar je de volgende ochtend nog naar ruikt. Carnaval heeft het imago alleen maar leuk te zijn wanneer je (heel) veel gedronken hebt. Dat roept bij mij meteen de vraag op: is en feest waarvoor je bezopen moet zijn om lol te hebben, eigenlijk wel leuk? Of werkt het andersom en is carnaval enkel een excuus om veel te zuipen?

(Correct me if I’m wrong, maar ik neig naar optie twee.)

Als Brabander kan je het eigenlijk niet maken dit te zeggen, maar ik doe het toch: mijn feest is het niet. Ik kan niet zo goed tegen de extreme drukte en vind dronken mensen niet altijd gezellig – voornamelijk irritant. Zaterdag is het toch zover: met een hele groep vriendinnen ga ik een avond doorbrengen in ‘De Tent’, zoals het ding genoemd wordt. Met hen heb ik het sowieso wel leuk. Daarnaast vind ik dat ik het op z’n minst één keer meegemaakt moet hebben om er een eerlijk oordeel over te kunnen vellen. Want misschien mis ik iets. Misschien snap ik als ‘buitenstaander’ niet wat de magie van dit feest is. Weet ik nog niet wat het zo geweldig maakt, maar ga ik dat zaterdag meemaken.

De meeste van mijn vriendinnen zijn behoorlijke diehards wanneer het op carnaval aankomt: de nacht doorhalen, overdag slapen, een nieuwe outfit aantrekken, bodempje leggen en weer door. En dat vijf dagen achter elkaar. Voor mij is dit mijn ‘ontgroening’, vandaar dat ik het bij één avond houd. ‘Maar ik heb nog kaartjes voor de andere dagen, als je wilt.’ zei één van mijn vriendinnen. Mochten mijn opvattingen omtrent dit feest radicaal veranderen, dan heb ik de kans er nog wat extra avonden van te genieten.

Dus voor nu: alaaf. En wordt vervolgd.

CENTRUM VAN DE WERELD

Ik ben opgegroeid in het centrum van de wereld. Tien jaar lang woonde ik op de plek waar iedereen zich bevond en waar alles gebeurde. Mijn vriendinnetjes woonden er ook. Ik kende hen van school of van de sportclub. Onze huizen waren op spuugafstand van elkaar. We vonden dezelfde dingen leuk en leidden eenzelfde soort leven.

Het was een veilige en vooral vertrouwde omgeving. De mensen leefden volgens een vast stramien. Er was de man op de hoek, die van zijn huis een tweedehandswinkel had gemaakt. Iedere dag stalde hij zijn spullen uit op zijn oprit. Soms hield hij koopzondag. De jeugd ging elke zaterdag naar hetzelfde café. Op het informatiebord werd eens in de zoveel tijd een bingoavond aangekondigd.

Nog steeds woon ik op die plek, een dorpje vlakbij Eindhoven. Het was voor mij lange tijd ondenkbaar dat ik er ooit weg zou gaan. Alles was daar goed en fijn, dus waarom zou ik? Toen ik naar de middelbare school ging, kwam ik erachter. Sindsdien is mijn wereld gegroeid. Ik realiseerde me dat mijn dorp niet meer het centrum was. Nooit geweest, zelfs. ‘Iedereen’ had voor mij uit zestienduizend mensen bestaan, terwijl het er in werkelijkheid zeven miljard waren.

Langzaam maakte ik me los van het dorp. Ik begon te zien dat de mensen al jaren dezelfde dingen deden. En vooral dat ze die nog jaren zouden blijven doen. Veilig en vertrouwd werd suf en saai. Soms ergerde ik me eraan, soms lachte ik erom. Ik wist in ieder geval zeker: dit was precies wat ik níét wilde. Ik was klaar met de ons-kent-ons-cultuur en had genoeg van de vraag: ‘Bende gij d’r één van…’ Ik wilde mijn eigen ding gaan doen.

Op dat punt bevind ik me nu. Ik kijk ernaar uit om over anderhalf jaar het dorp achter me te laten. Waar precies ik terecht zal komen, weet ik nog niet. Wat ik wel weet, is dat wat er ook gebeurt – in de wereld, in mijn leven – er een plek is waar alles nog hetzelfde zal zijn. Waar de man op de hoek zijn spullen uitstalt en op het informatiebord een bingoavond is aangekondigd. Ergens vind ik dat een geruststellende gedachte. Maar het zal een gedachte blijven. Want in de praktijk ga ik vertrekken. Over anderhalf jaar ben ik weg. De wereld roept.

Deze column verscheen ook in De Nuenense Krant.

 

WAAR HET SCHUURT

Het was vrijdagmiddag, het op-één-na-laatste lesuur. Henk van Straten, een columnist van onder andere de Volkskrant, gaf een presentatie over het schrijven van columns. Dat betekende bijna tachtig VWO-4 studenten samen in een collegezaal, inclusief de niet-alledaagse verleiding van klapstoeltjes en –tafeltjes die – het woord zegt het al – lekker luidruchtig kunnen klapperen. Dat gebeurde dan ook. Daarnaast was het dus bijna weekend, met de gebruikelijke extra drukte tot gevolg. Ik had op voorhand al medelijden met de man.

Dat bleek niet nodig te zijn. Henk van Straten was cool en bovendien had hij ons door. ‘Vroeger haalde ik mijn boekverslagen ook van internet, hoor.’ Ik luisterde geboeid naar hem, tot er op een bepaald moment een andere stem klonk. ‘We hebben trouwens een columnist in ons midden,’ sprak de lerares Nederlands.

Ze had het niet over Henk van Straten.

Dus daar zat ik dan, in het middelpunt van de aandacht. Precies waar ik niet wilde zijn. Hoewel ik het meestal niet erg vind: spreken voor groepen is geen probleem, mijn ongezouten mening geven ook niet. Vorige week stond ik voor honderd man op het toneel, op hoge hakken en gekleed in een minuscuul glitterjurkje. (Als je wilt weten waarom, had je maar moeten komen kijken.) Zelfs bij die gedachte voelde ik me nog behoorlijk comfortabel. Maar toen, daar in de collegezaal, was ik het liefst onder mijn klaptafel verdwenen.

Wat ik niet deed, overigens.

Het moment ging eigenlijk heel snel voorbij. Ik sputterde wat, iedereen lachte, meneer Van Straten ging verder met zijn verhaal. Al met al duurde het zo’n dertig seconden. Maar zo beleefde ik het niet. Ik voelde al die ogen kijken. Mijn hoofd werd rood. Pas echt gênant werd het toen de lerares de situatie als zodanig bestempelde: ‘Oh, ik zie dat Milou zich er niet helemaal gemakkelijk bij voelt.’

Dat had ze goed gezien.

In luttele seconden was ik van een zelfverzekerd persoon veranderd in een verlegen meisje. En dat vond ik achteraf gezien raar. Want ik schaamde me niet voor wat ik schreef. Bovendien wisten een boel mensen er al langer vanaf, en vond ik het ook leuk als ik er reacties op kreeg. Alleen niet op deze manier, blijkbaar. Waarom niet? Omdat het nu leek alsof ik die aandacht zelf graag wilde. Alsof ik het geweldig vond wat ik deed, en daarmee mezelf ook. Terwijl ik in feite maar gewoon schrijf over hele gewone dingen uit mijn hele gewone leventje. Het is leuk als mensen daarop reageren. Als ze erom lachen, huilen of het op een andere manier iets met ze doet. Maar ik wil niet dat mensen gaan denken dat ik het heel knap vind van mezelf.

En als ik heel eerlijk ben: zeker niet als één van die mensen Henk van Straten heet. Een man van wie ik de hele zomer mooie columns heb gelezen, die me laten denken: ‘Ja, dat wil ik ook kunnen. Ooit. Want op dit moment ben ik daar echt nog niet.’

Dus daarom kreeg ik een rood hoofd. Daarom kon ik niet gewoon zeggen: ‘Ja, ik schrijf dingen voor mijn blog.’ Maar dit was niet voor niets gebeurd. ‘Zoek waar het schuurt,’ had Henk van Straten namelijk gezegd. Dat heb ik door deze ervaring wel ontdekt.

Deze column verscheen eerder in mijn schrijfdossier voor Nederlands.

WHAT ARE YOU SEARCHING FOR?

f00002821

Pas geleden had ik het nog over wie mijn bezoekers nou eigenlijk zijn. (Dank voor de lieve reacties!) Vandaag houd ik me bezig met de vraag: hoe zijn jullie hier terecht gekomen? Sommige mensen kennen mij persoonlijk, anderen komen hier terecht via een andere blog. En dan is er nog een deel dat via Google op mijn blogje belandt. En laat het nou zo zijn dat de woorden waarop gezocht wordt, netjes op een rijtje staan in het behind the scenes gedeelte van mijn site. Helemaal bovenaan die lijst staat ‘picture this by milou’. Logisch dat je dan hier uitkomt. Maar sommige zoektermen verbazen me behoorlijk. Ik er hier al eerder een aantal met jullie gedeeld, maar er zitten nu weer nieuwe bij waar ik hard om heb moeten lachen.
scan0014

Iemand die  alvast even in de vakantiestemming wilde komen, denk ik. Binnenkort zou hij naar een Caribische strand gaan. (Of misschien toch een Caribisch strand?) Ik kan je een hoop vertellen over de bountystranden van Curaçao. Maar die geuren ga je vanachter je schermpje toch echt niet ervaren, lijkt me.

scan0014 kopie

Het is een ding nu, een legging als broek dragen, maar ik weet niet zo goed wat ik er van moet vinden. Ik zou er nog een rokje bij aantrekken.

scan0014 kopie 2

Bij het zien van sommige zoektermen, twijfel ik een beetje aan de Google-skills van de zoeker. ‘Eieren schilderen’, op zich niets raars. (Ook al is het nog lang geen Pasen. Maar hé, de eitjes liggen al wel in de winkel, dus moet kunnen.) En ik hoor diegene denken: ‘Ja, wat voor eitjes eigenlijk? En in welke kleur? En met welke patroontjes? Nou ja, van alles.’ Door die toevoeging ga je alles behalve je zoekresultaten verbeteren.scan0014 kopie 3

Met…? Had deze persoon geen tijd om zijn term af te typen? Achterop de fiets met…? Met wie? Ik denk dat we het nooit zullen weten.

scan0014 kopie 4

Ja, die kreeg ik eens bijna op mijn hoofd, tijdens mijn allereerste zeilweek.

scan0014 kopie 5

Deze persoon was al een tijd aan het zoeken. Naar foto’s, horend bij een project. Hij kwam een hoop tegen: projecten over heftige, zware onderwerpen. Hij was er klaar mee. Nog een laatste zoekpoging. Foto’s project – en nu iets positief. Ik voel me bijna vereerd dat hij bij mij terecht kwam.

scan0016

Ja.

scan0016 kopie

Anders dan de naam doet vermoeden, is het een suspensie.

scan0016 kopie 2

Lekker zappen op de bank. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen hoe dit gelinkt is aan mijn blog. Flutweer, daar houd ik niet van. Dat klopt. De bank: prima plek om te vertoeven. Maar ‘lekker zappen’. Niet mijn ding. Er zijn maar weinig tv-programma’s die ik nog echt leuk vind, dus ik ga niet de hele avond heen en weer schakelen tussen zo veel pulp. Doe mij dan maar een film of serie.

scan0016 kopie 3

Misschien een circusartiest die Google raadpleegde voor ideeën voor een volgende act? Ikzelf ben nou niet echt lenig, en ook niet zo’n held als het om hoogtes gaat. Dus helaas kan ik hier niet bij helpen.

scan0016 kopie 4

Leer eerst mijn naam maar eens spellen.

scan0016 kopie 5

En dan klopt die naam, maar de rest van de zin niet.

scan0016 kopie 6

Dacht deze persoon dat Google zou weten wie de bezitter van dat adres dan is? ‘Mijn’ is natuurlijk een nogal subjectief begrip.

scan0016 kopie 8

Heb(ben) voetjegevrijd.

scan0016 kopie 10

Hier zet ik een groot vraagteken bij. Bedbaddoor, anyone?scan0016 kopie 11

Is Milou een plaats? Nu wordt het voor mij zelf tijd om te gaan Googlen. … Ja hoor, het ligt in Congo. Dus dan lijkt het me wel sterk dat daar sneeuw is gevallen. Momenteel is het er namelijk zo’n dertig graden.

Dat waren de opvallendste van de laatste tijd. Ik zou zeggen, wees creatief, misschien staat je zoekterm er de volgende keer bij!

#40 WHO ARE YOU?

IMG_4896

 

Laats kreeg ik van WordPress een berichtje: ‘Congratulations on the 2 year anniversary of your blog!’ Wauw, twee jaar alweer. Dat is best een tijd. Het is echt een hobby van me geworden, waar ik veel in kwijt kan. In die twee jaar is er veel veranderd. Over de tijd is mijn schrijfstijl veranderd, en mijn foto’s ook. (Thank God. Ik schaam me soms een beetje voor enkele foto’s die ik helemaal in het begin maakte.) Ook heb ik wat meer lezers gekregen, al is het nog steeds niet booming. Maar hé, daar doe ik het niet voor. In het begin had ik maar één lezer (en dat was mijn moeder) en toch deed ik het met plezier. Ik doe dit omdat het me uitdaagt en ik op deze manier creatief bezig kan zijn. Ik steek best wat energie in mijn blogje. Maar ik krijg er ook zoveel energie door terug.

‘Zou je het wel willen, meer bezoekers?’ werd mij vandaag gevraagd. Nou ja. Dat is niet echt een keuze, denk ik. Als ik absoluut niet zou willen, had ik maar een dagboek moeten kopen of zo. Dit is nou eenmaal hoe het internet werkt: iedereen kan alles zien. 

Maar soms vind ik het toch raar. Dat er überhaupt mensen zijn die dit alles wíllen lezen. (Al weet ik dat er ook mensen zijn die alleen maar naar de plaatjes kijken hoor. Geen probleem.) Mijn schrijfsels en foto’s zijn af en toe namelijk best vaag, en vaak behoorlijk willekeurig. Ik kan gerust 500 woorden tikken over een raadsel met negen stipjes, een biologieproefwerk of iets anders dat nou niet bepaald spannend te noemen is. Daarnaast ben ik vaak nogal sarcastisch, soms chagrijnig, soms inspiratieloos.  Wat ik hier plaats zijn de dingen die ik interessant vind – mooi of de moeite waard. Ik ben niet bang om soms behoorlijk persoonlijk te worden. Daar denk ik dan wel nog een keertje extra over na, hoor. Mijn criterium is: zolang ik een verhaal ook in het echt tegen iemand zou durven of willen vertellen, kan ik dat hier ook doen.

Maar eigenlijk is het wel een beetje oneerlijk. Jullie weten behoorlijk veel over mij, maar ik weet maar heel weinig van jullie. Kunnen jullie een keer een reactie achterlaten misschien? Een paar dagen geleden bijvoorbeeld, had ik opeens een bezoeker uit Rusland. Zit er iemand in Sotsji, misschien? Zo ja: hoe is het daar? Al gewapperd met regenboogvlaggen? (Ik had trouwens ook een bezoeker uit de Verenigde Staten. Maar dat is papa op zakenreis – dat weet ik dan weer wel.) Wie je ook bent, vanaf waar je mijn site ook bezoekt: ik ben benieuwd naar je. Jij weet waarschijnlijk: ik ben Milou. Maar wie ben jij?

En als je nou nog even terugkijkt naar de foto boven deze post, snap je misschien wat ik bedoel met ‘willekeurig’. Zie jij het verband tussen die foto en mijn verhaal? Ik niet, namelijk. 

THE PINGUIN PILLOW

IMG_8675

 

Zoals ik al vertelde, kwam mijn moeder gisteren thuis met een kussentje. Een klein, vierkant kussentje met daarop een lieve, donzige babypinguïn. Een plaatje ervan, bedoel ik. (Oh, een babypinguïn als huisdier, dat zou leuk zijn! Maar ja, kleine pinguïns worden ook groot en eenmaal daar zijn ze niet zo schattig meer, denk ik.) Laat me even uitleggen waarom ze aan mij moest denken toen ze het zag, en het voor me meenam. Een paar avonden geleden zat ik in de woonkamer op de bank. Er was een natuurprogramma op. Je weet wel, met van die superheldere close-up beelden, waarvan je denkt: hoe hebben ze die kunnen maken zonder dat die vlinder wegvloog/die aap het merkte/die leeuw de cameraman achterna ging?

Het thema van deze avond was pinguïns, en op het moment dat ik inschakelde, hobbelde er net een babypinguïn over een koude, winderige ijsvlakte. Je weet waarschijnlijk wel hoe dat eruit ziet: heel erg instabiel, met knikkende knietjes en de vleugeltjes stijf langs het donzige lichaampje. Op dit punt was ik al gesmolten. Om hem heen stonden honderden volwassen mamapinguïns, met hun jongen tussen de benen. ‘Het jong heeft zijn moeder nog steeds niet teruggevonden.’, klonk een typische commentatorstem. ‘Als hij haar niet snel vindt, zal het jong sterven.’ Het pinguïnnetje was inmiddels bedekt met ijs en sneeuw en keek wanhopig om zich heen. Met grote ogen zat ik op de bank te kijken. Dit kon toch niet zomaar gebeuren! Wat wreed! (Ik hoor je denken: ‘Ja Milou, dat is de natuur, er gaan elke dag dieren en mensen dood.’ Ik weet het, ik weet het. Maar ik heb blijkbaar gewoon een zwak voor  mini-pinguïns en daar kan ik niets aan doen, oké?) Die cameraman zal vast genoten hebben terwijl hij aan het filmen was. Want ja, hij had mooie beelden. Ik zelf had al lang ingegrepen, dat begrijp je. (‘Pinguïnnetje nummer 137 is zijn moeder kwijt. Wil zij zich a.u.b. melden bij de infobalie?’)

Tegen de tijd dat de babypinguïn de hoop had opgegeven, zwelde de achtergrondmuziek aan. En dan weet je: we komen tot een ontknoping. Er gaat iets gebeuren, of het nou goed of slecht is. Er kwam een dikke mamapinguïn in beeld, die er naar mijn idee precies hetzelfde uitzag als de honderden andere mamapinguïns op de ijsvlakte. Maar ons kleine pinguïnnetje dacht daar anders over. Met zijn laatste krachten waggelde hij naar haar toe en kroop tussen haar beentjes. Veilig. Ik slaakte een zucht van opluchting.

‘Zo, en nou zetten we iets anders op, want anders slaap je vanavond niet meer.’