ANDERS

Curacao 1415

Het einde van het jaar is voor velen het moment om terug te kijken. Naar wat je dat jaar bereikt hebt (of niet), naar hoogtepunten, misschien dieptepunten en in het algemeen de dingen waar je aan wilt denken bij het horen van ‘2014’. Ik ben daar niet zo goed in. De laatste paar dagen heb ik me afgevraagd hoe dat komt en ik denk dat ik het weet.

De laatste twee weken van het jaar zijn anders dan de andere vijftig. Niet ik-hoef-niet-naar-school-anders. Of we-vieren-kerst-en-oud-en-nieuw-anders. Alles-anders-anders.

Het begint al bij het uitstappen uit het vliegtuig. In Nederland zijn er dagen waarop ik het bestaan van de zon in twijfel trek. Dat ik in het donker vertrek en in het donker thuiskom. In de tussentijd is alles grijs. In Curacao lijkt het leven getint met aquarelverf. Helderblauwe lucht, felgroene begroeiing en huizen in pastelkleurig roze en geel.

Alleen hier word ik wakker met het geluid van de zee en de vogels. Salamanders schieten voor mijn voeten weg bij het geluid van klikkende slippers. Drijvend op mijn rug hoor ik beneden me de schelpen tinkelen op het ritme van de golven. Het wit van mijn nagels wordt zo wit als het alleen hier was en alleen hier zal zijn, door het zout van de zee en het bruin op mijn handen.

Mijn gedachtes gaan voornamelijk over basale zaken. ‘Waar gaan we eten vanavond?’, ‘Welk boek zal ik nu gaan lezen?’ ‘Hé, een pelikaan!’ Ik kijk niet verder dan een dag vooruit. En dus ook niet zo veel verder terug.

#277 INDIAN SUMMER

IMG_3719

Ook hier was het al herfst. Het gras was bedekt met een laagje pasgevallen bladeren. De wind deed een welgemeende poging ze op te tillen, maar liet er alleen maar meer dalen. De zon bevlekte de paden en veroorzaakte schitteringen op het water, waar tientallen bootjes dobberden op de golfslag. Zwarte eekhoorns zetten hun klauwen in boomschors en zwiepen met hun staarten, op zoek naar balans. Lopers volgen de blauwe lijnen. Ik volg mijn ogen, die mijn voeten door het park laten bewegen. Ook hier was het al herfst – of eigenlijk nog Indian Summer.

#275 FOURTEEN STOREYS

IMG_3563

Een kaart openslaan op een veel te klein tafeltje in een café op de hoek. Mijn wijsvinger zoekend langs de onbekende straten laten gaan, in een poging de plekken te vinden waar ik in mijn hoofd al geweest ben.

Vanaf de veertiende verdieping uitkijken op nog veel hogere gebouwen. Omringd worden door ramen, die een stiekem kijkje geven in de levens die zich daarachter afspelen.

Blij zijn dat ook dat van mij zich tijdelijk hier bevindt. Op deze plek waar de kou fijn aanvoelt. Waar mensen leven op hamburgers of boerenkoolsap, waar er eens per tien minuten wordt gevraagd hoe het met je gaat. Waar de stoep is volgespoten met fluoriserend oranje lijnen, maar niemand lijkt te weten waarom. Waar niemand het ook iets uit lijkt te maken – te druk met het vluchtige stadse bestaan.

#274 TORONTO

IMG_3531

‘Waar zit je morgen het vierde uur?’

‘In Canada.’

‘Wat?’

Ik had besloten om het maar niet aan iedereen te vertellen, wat maakte dat ik het zelf nog niet helemaal besefte. Tot het vliegtuig na twee films en drie series daadwerkelijk in Toronto landde.

’s Avonds gingen we eten met familie. Het was een paar jaar geleden dat ik hen voor het laatst zag. Met z’n negenen zaten we aan een lange tafel. De avond werd gevuld met verhalen, van vroeger en van nu. Het eten was heerlijk. Ik genoot.

Pas tien uur was ik in Toronto, maar de reis was al geslaagd.

#210 COMING HOME

DSC00422

Ik heb genoten, laat ik dat eerst zeggen. Ik heb veel gezien, veel gedaan en een fijne tijd gehad met mijn lieve familie, waarmee ik zo kan lachen. Met woorden en beelden heb ik jullie geprobeerd mee te nemen op mijn reis. Sommige dingen die deze ervaring zo speciaal maakten, zijn hierin echter niet te omvatten. De vriendelijke mensen, die ervoor zorgen dat ik me heel erg welkom voelde. De religie en de visie op het leven die daarbij komt. Dat dingen beter zullen worden, wanneer je als goed mens leeft. Anderzijds dat je niet alles in de hand hebt, en voor nu zult moeten accepteren hoe het is. Voor de mensen daar was het geen opgave, maar een vanzelfsprekendheid. Hoe anders is dat in onze westerse samenleving, waar het leven maakbaar lijkt en men streeft naar (schijnbare) perfectie. Met minder wordt geen genoegen genomen, tenslotte: alles kan, zolang je het maar graag genoeg wilt.

Dat het niet altijd zo werkt, is gebleken de afgelopen weken. Het perfecte leven bestaat niet en mocht je denken van wel, dan kan je er toch elk moment uitgetrokken worden. Hoe vreselijk en bizar dat ook is. Op het moment dat het gebeurde, bevond ik me in een totaal andere wereld. Ik hoorde, las en zag veel over de ramp en de gevolgen ervan, maar het leek onwerkelijk. Onwerkelijk, verschrikkelijk en heel ver weg.

Deze reis liet me weer realiseren hoe groot de wereld is, hoeveel meer er nog is buiten het kleine stukje dat ik ken. Van die plek was ik zo’n vijftienduizend kilometer verwijderd. En ook met mijn gedachten ben ik nog nooit zo ver van huis geweest. Dat weet ik zeker, omdat ik het pas besefte toen ik er weer was. Ik arriveerde in eigen land, eigen dorp, eigen kamer. Bijna verbaasd dat het er nog was, omdat het in mijn hoofd drie weken niet bestaan had.

#209 HEAT

DSC00415

Tijdens zomers in Dubai leef je van airco naar airco. Warmte is fijn, temperaturen boven de veertig graden niet – dat is hitte. Verzengende hitte die, in combinatie met de felle zonnestralen, ervoor zorgt dat je een ei kan bakken op een motorkap en dat je het liefst zo snel mogelijk weer naar binnen wilt. Hoe stralend blauw de lucht ook is.

Die hitte hing niet alleen in de lucht, zo bleek vandaag. We gingen zwemmen in de zee. Het was nog vroeg, de zon had nog niet de kans gehad om alles te beschijnen met haar warme stralen. Ik liep het water in, voorzichtig, verwachtend dat mijn tenen zouden terugschrikken van de kou. Dat was niet het geval. Het water was niet koud. Het water was niet lauw. Het was warm – alsof je in een pas volgelopen bad stapte. Je kon nog niet zinken al wilde je het graag, zo zout was het water. Ik kon op mijn rug in de zee drijven, alsof ik op een luchtbedje lag, zonder daadwerkelijk een luchtbedje nodig te hebben. Met mijn hoofd achterover hoorde ik de onderstroom en het tikkelen van de schelpen. Dat geluid, daar wil ik wel een cd’tje vol van.

(Dit hierboven is niet de zee, overigens. Het is een fontein. Daar vaart inderdaad een bootje in. Want dit is Dubai en daar kan dat. Het verbaast me niet eens meer, dat zegt genoeg, toch?)

#208 ALL THAT GLITTERS AIN’T GOLD

DSC00411

Java was uitgestorven toen we vertrokken. De wegen waren besneeuwd met wit papier. ‘Firecrackers’, sprak de bestuurder van het busje, ‘vanwege het einde van de ramadan.’ Die mensen moeten wel de hele nacht fire hebben staan cracken, bedacht ik me, of gewoon dozen vol papiersnippers hebben opgeblazen: op sommige plaatsen was de straat nauwelijks nog te zien. De uitdrukking ‘geen kip op de weg’ was wel en niet toepasselijk: vrijwel niemand te bekennen, afgezien van een paar kippen. In Dubai wachtte ons een groot contrast. Wolkenkrabbers in plaats van huisjes. Geen rijstvelden, maar watervallen, fonteinen en aquaria. Geen scooters maar ferrari’s, niet vasten maar eten. Geen regenwoud maar felgroene grasvelden, midden in de woestijn.

Djokjazilver maakte plaats voor klatergoud.