GENIETEN

9R7A5427

Vrijdagmiddag. De school was stil, de gangen verlaten. Ik bouwde een natuurkundelokaal om tot mijn eigen studio. Daar creëerde ik een enorme puinhoop, plus een video voor mijn toelating.

Het werd dus een chaos, want dat werkt het prettigst. Ik sleepte met stoelen, wisselde van standpunten, lenzen, aanwijzingen, ideeën. Ik maakte het donker en weer licht, zette projecties aan en weer uit. Ik stond op meerdere tafels, zat op de grond, leunde met één been in de wasbak. Ik keek op mijn scherm tijdens het filmen en zag ontstaan waar ik op gehoopt had. Vriendin Tessa stond model en deed dat super. Ze dacht met me mee en was gewoon haar prachtige zelf, zoals je hier kan zien.

Twee uur later, thuis. Ik zit stuiterend achter mijn computer het resultaat te bekijken. Mijn spullen op bed gegooid, mijn jas nog aan. Ik weet weer precies waar ik het voor doe: dit gevoel. Dit moment, waarop de ideeën die in mijn hoofd al lang bestaan, werkelijkheid worden. En dat ik daar zo niet normaal blij van word.

9R7A5430

Het was niet mijn week – dat heb je soms. Maar dit soort projecten doen stress en verdriet vervagen. Waar ik soms het idee heb dat alles me tegenwerkt, werkt dan alles mee. Of eigenlijk: iedereen.

Tessa die model voor me staat. Mijn oom die me een hele ochtend over een eiland rijdt, continu in zijn geheugen gravend naar geschikte locaties. Mijn ouders en broer die nooit te beroerd zijn op me te wachten, me ergens heen te brengen, mijn ideeën te bekijken. Mijn vriendinnen die me geruststellen wanneer bestanden onvindbaar zijn, hun vertrouwen uitspreken dat het gaat lukken.

Mensen die mijn doel includeren in hun nieuwjaarsbericht. ‘Een geweldig 2016, met hopelijk jouw toelating tot de kunstacademie.’ Mijn mentor die me zegt dat ik school maar even op een lager pitje moet zetten, ook al is het bijna testweek. Dat ik me beter kan richten op mijn toelating, omdat dat voor mij nu belangrijk is.

Onafhankelijk of het lukt, of het zal zijn zoals ik me had voorgesteld – dit gevoel, deze mensen, maken dat ik van de weg ernaartoe al enorm kan genieten.

9R7A5424

EEN THEEDRINKEND FIGUUR OP DE ACHTERGROND

9R7A4751

Nu ik sinds een halfjaar mijn rijbewijs heb, rijd ik regelmatig naar Amsterdam. Dat gaat me prima af, op één deel van de route na. Wanneer de weilanden verdwijnen en er steeds hogere kantoorgebouwen langs de weg oprijzen, moet ik ervoor waken mijn concentratie niet te verliezen. Wanneer ik er rijd op een moment waarop het al donker is, maar de mensen nog niet naar huis zijn, branden er duizenden lichten achter duizenden ramen. Waar werken op zo’n kantoor voor mij een schrikbeeld is, vind ik de aanblik van die gebouwen des te mooier.

Ik dwing mezelf mijn blik op de weg te richten, maar denk wel: hier wil ik naar terug. En zo begin ik mijn vakantie bovenaan een trap naast het spoor, tussen de kantoorgebouwen. Of zoals Mart zegt: ‘De meeste mensen fotograferen de grachtenpanden, maar jij gaat naar de Zuidas.’

9R7A4746

Ik voel me een indringer, terwijl ik door een telelens de kantoren binnenkijk en vastleg. Maar er is ook veel wat ik niet zie. Misschien is dat wat me zo aantrekt aan dit tafereel: de silhouetten die zich aftekenen achter de ramen staan symbool voor meer. Achter ieder raam bevindt zich een individu met een eigen verhaal. Een verhaal vol geluk, verdriet, liefde, haat, vriendschap en jaloezie. Een verhaal dat ik nooit zal kennen.

9R7A4779

Dagelijks kruisen we tientallen, honderden tot duizenden mensen. We delen ons leven met hen, al is het maar door de ruimte waarin we ons tegelijkertijd bevinden. Wanneer zij verdwijnen uit ons zicht, weten we niet meer waar ze heen gaan, of waarom. Ze verdwijnen uit ons leven, en daarmee verdwijnt dat van hen – zo lijkt het. Want soms overvalt me het besef dat ze verdergaan. Dat er op dit moment zeven miljard levens worden geleefd, met eenzelfde complexiteit als het mijne. Van de meeste heb ik geen weet. Van de rest wordt het verhaal beperkt tot enkele woorden: ‘vrouw naast wie ik in de file stond’. ‘Man die me inhaalde op zijn elektrische fiets.’

9R7A4730

Maar andersom geldt precies hetzelfde. Voor duizenden mensen zijn we slechts een medereiziger in de trein, een theedrinkend figuur op de achtergrond. Een meisje bovenaan een trap naast het spoor, in het donker tussen de verlichte kantoorgebouwen.

RECALCITRANT

Al vrij vroeg kwam ik in de puberteit terecht. Op mijn tiende voelde ik een knobbeltje bij mijn oksel, waarmee we voor de zekerheid langs de dokter gingen. Ik kwam thuis met het geruststellende feit dat het slechts een borstje in ontwikkeling was. Mijn familie zong het tietenlied. Ik was boos.

Toen ik twaalf was volgde ook de emotionele kant van het verhaal en begonnen er onzekerheden op te spelen. In dat opzicht was ik echt een puber. Maar voor de buitenwereld was ik nooit zo lastig, volgens mij. Op school en bij vriendinnetjes was ik altijd bezig met, ‘aangepast gedrag vertonen’: me gedragen zoals ik dacht dat mensen van me verwachtten. Thuis was het een ander verhaal – dan was ik zo klaar met me aanpassen, dat alle chagrijn eruit kwam. (Sorry familie.)

Tweede puberteit

Maar nu is er een ontwikkeling gaande waar de buitenwereld zeker iets van merkt. De laatste tijd gebeuren er – vooral op school – nogal wat dingen waar ik recalcitrant van word. Om een paar voorbeelden te noemen: testen die nergens op slaan. Docenten die je betuttelen alsof je twaalf bent, docenten waarmee überhaupt niet te communiceren valt. Zinloze opdrachten die enorm veel tijd kosten. Et cetera, et cetera.

Het lijkt wel alsof ik in een tweede puberteit beland ben. Voorheen huppelde ik als een blij ei door de gangen, en hing ik in de les de megagemotiveerde leerling uit. Maar dat is dus veranderd. Ik ben steeds vaker geërgerd of verontwaardigd, en kan het niet laten hier mijn mond over open te trekken in de klas.

Het grootste deel van mijn klasgenoten kijkt echter als makke schaapjes toe. Onderling wordt er geklaagd, maar in de les houden ze zich stil. Dat kan ik al moeilijk begrijpen. Maar wat ik vooral lastig vind, is de tegenstrijdigheid waarmee leerlingen soms behandeld worden. Enerzijds moeten we meer verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig worden. Anderzijds moeten we doen wat ons opgedragen wordt. En vooral niet te lastig zijn. Wanneer je als leerling meermaals vragen stelt over de gang van zaken, ben je dat natuurlijk wel.

‘Jezus, kind.’

Ik vind mezelf soms ook lastig, hoor. Dan vond ik het op één dag bij drie lessen nodig om mijn kont tegen de krib te gooien. Wanneer ik thuiskom vraag ik me af of het wel echt nodig was. En waar komt die behoefte eigenlijk vandaan? Heb ik een buitengewoon groot rechtvaardigheidsgevoel? Een probleem met autoriteit? Of ben ik gewoon een watje met veel zelfmedelijden?

In dat laatste herken ik mezelf niet; ik ben geen zeikerd. Ik hou niet van zeurende mensen. ‘Doe er iets aan!’ denk ik dan. Maar docenten hebben nu eenmaal het laatste woord, dus lukt dat niet altijd. En daar ligt het probleem, denk ik. Het frustreert me, dat gevoel van machteloosheid. En ja, dat klinkt natuurlijk super dramatisch. Ik hoor het je denken – sterker nog, ik denk het zelf ook: ‘Jezus, kind. Wees blij dat je überhaupt naar school kan.’ Maar zo kan je alles natuurlijk wegrelativeren. Dan is alleen het grootste probleem erg genoeg om aandacht aan te besteden.

(Niet) mijn probleem

En het zat al niet helemaal lekker met mijn motivatie. Voor bepaalde vakken kan ik steeds minder energie opbrengen, omdat ik vrijwel zeker weet dat ik er later niets mee ga doen. Maar daar zou ik nooit mijn docenten op aankijken. Ik moet daar zelf een keuze in maken: geef ik mezelf een schop onder mijn kont, of neem ik genoegen met lagere cijfers op mijn eindlijst? Dat is mijn probleem, en dat los ik ook zelf wel op.

Wat niet zuiver mijn probleem is, is de sfeer in de klas. Ik denk dat ik niet de enige ben die het gevoel heeft dat het ons soms onnodig moeilijk gemaakt wordt. Terwijl dit ons laatste jaar is, en docenten en leerlingen juist dan hetzelfde doel zouden moeten hebben: slagen. Dus lieve docenten, als ik jullie één ding mag vragen: maak niet overal een punt van. Dan zal ik dat ook niet meer doen.

LAAT MAAR

9R7A4382

De term ‘testweek’ is vervangen door ‘schoolexamenweek’, dit jaar. Dat betekent dat het inmiddels echt ergens om gaat. Enerzijds is dat angstaanjagend: als je nu op je bek gaat, is het minder gemakkelijk recht te trekken. Maar wanneer je er niet te veel bij nadenkt, is het verschil nauwelijks merkbaar. Zo’n week ziet er namelijk precies hetzelfde uit als dat de vijf jaar hiervoor het geval was. Of het nu een test heet of een schoolexamen, de situatie is hetzelfde: één te warm klaslokaal, dertig leerlingen en vijftien proefwerkblokken.

Wat met de jaren wel veranderd lijkt te zijn, is mijn organisatievermogen. Of eigenlijk het gebrek daaraan – het is immers steeds verder afgenomen. Meestal zie ik dit niet als een probleem; ik functioneer juist wel goed wanneer het (zoals ik het zelf graag noem) een prettige rotzooi is tijdens het studeren. Ik bouw mezelf in met boeken, examenbundels en vooral veel gelinieerd papier, om alles wat ik absoluut niet moet vergeten op te noteren.

9R7A4377

Wanneer ik thuis ga samenvatten lukt me het wel om dit systematisch te doen. Op school is dat een heel ander verhaal. Om te beginnen vergeet ik bij bepaalde vakken steevast mijn schrift. Frans is daar een goed voorbeeld van. Deze periode schreven we elke week thuis een brief (tenminste, dat was de bedoeling), waarna we in de les een foutenanalyse maakten. Bij gebrek aan een schrift schreef ik deze afwisselend op de achterkant van mijn brief, in het schrift van een ander vak of op een proefwerpapiertje dat zich toevallig in mijn tas bevond. Vervolgens stopte ik al die losse blaadjes in een mapje, tussen een boek of in mijn agenda, onder het mom van ‘dan raak ik het niet kwijt’. Om het vervolgens kwijt te raken, dat snap je.

En dus was ik vanavond omgeven door allerlei halfslachtige Franse aantekeningen, waarin ik structuur probeerde aan te brengen. Daar ben ik uiteindelijk langer mee bezig dan met het leren zelf. Op zo’n moment benijd ik de mensen die hun zaken altijd perfect op orde hebben: alles gelabeld, gealfabetiseerd en in regenboogkleurige mapjes. Mensen die elke les hun huiswerk hebben gemaakt, nagekeken en verbeterd met rode pen. Mensen die nooit hand-outs kwijtraken en altijd al drie weken van tevoren weten wat de teststof is, omdat zij wél de studieplanner hebben bekeken.

Tijdens de lesweken kan het me niet schelen. Ik heb toch zeker wel wat beters te doen. Maar naarmate de proefwerken naderen, krijg ik toch een beetje spijt van de momenten waarop ik dacht: ‘Laat maar.’

9R7A4387

Elke middelbare scholier heeft door de jaren heen, bewust of onbewust, een eigen leersysteem ontwikkeld. Dat bleek ook weer in de herfstvakantie, toen zowel Mart als ik aan het studeren waren voor de schoolexamens. Hij verbaasde zich erover dat ik nog voor geen enkel vak “alles” geleerd had. Ik verbaasde me erover dat hij zich een hele dag kon focussen op één onderwerp. Bij mij wordt elk vak verdeeld in blokjes. Anders wordt het te groot, te veel en kan ik het niet meer overzien. Dat resulteert erin dat ik helemaal niets meer doe. Voor het doen van één blokje kan ik veel makkelijker energie opbrengen. Soms zelfs zoveel energie dat ik er met gemak een tweede of derde aan vastplak.

Energie, dat is een belangrijk woord tijdens testweken. En dan bedoel ik niet alleen bij mijn favoriete bètavakken. Het hanteren van mijn eigen energieniveau in deze periode, dat heb ik echt moeten leren de afgelopen jaren. Want het vreet energie van me, al dat gestudeer. Ik heb het constant koud, en aan het eind van de dag bevindt er zich vaak een dichte mist in mijn hoofd, bestaand uit allerlei gedachten die door elkaar lopen. Stoppen of doorgaan, dat is de vraag op zulke momenten. Inmiddels heb ik een regel voor mezelf gesteld: wanneer ik stop met leren, mag ik er niet meer over piekeren. Anders had ik net zo goed door kunnen leren – dat kost evenveel energie.

Dus wanneer ik stop, ga ik iets totaal anders doen. Iets waar ik weer energie van krijg. Opwarmen onder de douche. Een tijdschrift lezen op de bank, een romantische komedie kijken waar niet al te veel hersenactiviteit bij nodig is. Of buiten foto’s maken van de bomen die zijn verkleurd terwijl ik aan het studeren was. Met de jaren is gebleken: voor mij werkt het soms juist goed om te laten.

WAT GOED IS

9R7A4078

We bespraken Descartes, vorige week. Het bord werd volgeschreven met zijn gedachtegoed, met als conclusie zijn bekendste uitspraak: cogito ergo sum – ik denk, dus ik ben. Voor het eindexamen filosofie dienen we de theorie te kennen die leidde tot deze uitspraak: de methodische twijfel. Descartes besloot aan alles te gaan twijfelen, om zo zekerheden te vinden – zaken waar niet aan te twijfelen viel en die als fundament gebruikt konden worden voor de verdere filosofie. Ik voelde me Descartes, de afgelopen weken. Maar waar hij met zijn getwijfel een antwoord zocht op de vraag ‘Wat is waar?’, hield ik me bezig met een andere kwestie. Wat is goed?

Aangezien ik er graag vanuit ga dat de mens van nature goed is, neem ik aan dat iedereen het liefst de best mogelijke keuzes maakt. Sommigen doen dit heel weloverwogen, anderen zijn impulsiever van aard. Toch is er een gelijkenis, die schuilt in het feit dat mensen zullen kiezen voor datgene wat hen het juiste lijkt. Maar soms blijkt een keuze achteraf toch niet zo goed geweest. De reden daarvoor: wat goed lijkt, staat niet altijd gelijk aan wat goed is.

9R7A4089

Goed op alle fronten

Volgens mij zijn er verschillende soorten goed. Zo is er ‘goed voor anderen’, en ‘goed voor jezelf’. Dat laatste valt weer opnieuw op te splitsen: goed voor je gevoel, voor je gedachten, voor je gezondheid. Er is goed op lange of korte termijn. In de ideale wereld zouden deze belangen altijd met elkaar verenigbaar zijn: een goede keuze is dan automatisch ‘goed op alle fronten’. Maar zo werkt het niet altijd. En dan zal je moeten kiezen: welk belang gaat voor?

Een universeel antwoord op die vraag bestaat niet. Ieders belangen zijn tenslotte anders. Het afwisselen van belangen is voor mij een goede optie bij het maken van keuzes. De ene keer kies ik voor mezelf, de andere keer kies ik voor een ander. Soms kies ik voor nu, soms voor later. Die keuzes zijn allemaal op hun eigen manier goed. Maar vorige week botsten mijn belangen met die van anderen. Er waren mensen gekwetst, mede door een keuze die ik maakte. En toen sloeg de twijfel toe. Waarom had ik zo gehandeld? En hoe had ik het beter kunnen doen?

9R7A4095

Vraagtekens plaatsen

Zoals dat gaat bij filosofische problemen, leidde één vraag automatisch tot een volgende. En zo wierp mijn twijfel over één ding, een schaduw over zaken waar ik altijd zeker van was. Ik ging vraagtekens plaatsen bij keuzes waarvan ik wist dat ze goed waren. Alles werd in twijfel getrokken. Dat resulteert erin dat ik niet meer kan duiden wat ik belangrijk vind, wat ik kan of wat ik voel. (‘Hoe gaat het met je?’ ‘Ik weet niet. Goed. Denk ik.’) Alles wordt zo zwaarder en donkerder dan het hoort te zijn.

Mijn twijfel was, in tegenstelling tot die van Descartes, niet methodisch te noemen. Hij wist zijn overpeinzingen netjes te categoriseren. Ik zie het helemaal voor me: Descartes zit aan een bureau in een hutje op de hei. Voor hem ligt een blanco vel papier, in zijn hand houdt hij een ganzenveer, klaar om de eerste zekerheid te noteren. Descartes beheerst de twijfel, en dat zou ik graag kunnen. Want soms beheerst de twijfel mij.

Twijfelen is prima. Het houdt je scherp en laat je nadenken over de juistheid van je handelen. Het laat je inzien dat je soms foute keuzes maakt. Maar hoe tegenstrijdig het ook klinkt: ook die foute keuzes zijn gebaseerd op het goede. Of in ieder geval: wat ooit het goede leek te zijn. Wanneer men dat inziet, kunnen er excuses gemaakt worden, kan er worden vergeven. Op die manier heeft ook mijn twijfel een doel. Echter, aan alles twijfelen werkt verlammend. Het is vermoeiend en bovendien onnodig. Want mijn visie op het goede mag dan geen zekerheid zijn zoals Descartes ze zoekt – ik mag er wel op vertrouwen.

En nu twijfel ik – ironisch genoeg – of ik dit moet plaatsen. Maar ik doe het toch, omdat ik zeker weet: ik ben niet de enige die hier wel eens last van heeft.

BUITEN DE HOKJES

Processed with VSCOcam with b5 preset

Donderdagochtend, kwart over acht. De collegezaal stroomt vol met leerlingen die liever nog in bed lagen. Sterker nog: leerlingen die liever niet meer op de middelbare school zaten. Want dat is volgens mij algemeen bekend: in het eindexamenjaar zijn de meesten er wel klaar mee.

Omdat het me zinloos lijkt een heel jaar in die modus te hangen, wil ik het graag anders benoemen: ik ben er klaar voor. Klaar voor iets nieuws, iets creatiefs, en iets waar ik hoop al mijn passie in kwijt te kunnen: de kunstacademie, richting film/documentaire.

Natuurlijk ging er wat gepeins aan die keuze vooraf. Want zou ik goed genoeg zijn? Is het wel een goed plan? Het antwoord op vraag één blijf ik jullie schuldig, maar op die tweede vraag zeg ik volmondig ‘ja’. Want ik wil ‘wat als-situaties’ voorkomen. Dit is het moment waarop ik mijn leven kan gaan inrichten zoals ik dat wil. Wanneer ik die kans nu niet benut, blijf ik me misschien wel mijn hele leven afvragen: wat als ik het wel geprobeerd had?

Processed with VSCOcam with b1 preset

Ik heb dus besloten om alle twijfel opzij te zetten en ervoor te gaan. Toen het vanaf 1 oktober mogelijk was om je in te schrijven, heb ik dat direct gedaan. Dat lijkt misschien wat voorbarig, aangezien ik hoe dan ook pas in september 2016 zou beginnen. Maar er komt meer bij kijken dan een aanmelding via Studielink en het inscannen van een pasfoto. Ik moet namelijk toelating doen, waarbij er sprake is van verschillende rondes. Ik zie meteen Idols-achtige taferelen voor me, inclusief ellenlange rijen op de toelatingsdag, waar je een nummer krijgt dat je op je buik moet spelden. En dan maar hopen dat ik geen Gordon tegenkom.

Tot zover mijn fantasie. In werkelijkheid moet je een motivatiebrief schrijven, een opdracht maken, een portfolio laten zien, of op de academie zelf iets komen doen. De momenten waarop dat moet gebeuren, zijn nog niet bekend. Ook verschilt het per academie welke van die dingen je moet doen. Ik ben namelijk van plan me er bij twee aan te melden: de HKU (Utrecht) en de AHK (Amsterdam). Maar, zo bedacht ik me, het zou sowieso geen kwaad kunnen om veel creatieve dingen te gaan doen dit jaar. Ik vind het toch leuk om te doen, en daarnaast kan ik op die manier oefenen en een portfolio opbouwen.

Processed with VSCOcam with b1 preset

Wat er in zo’n portfolio hoort te zitten? Ik heb geen flauw idee. Ik weet niet wat ‘goed’ is, of ‘de bedoeling’. Ik denk ook niet dat die termen (kunnen) bestaan op zo’n opleiding. Tenslotte, wat de één kunst vindt, vindt de ander afschuwelijk. Ik weet niet wat ervoor zal zorgen dat ik toegelaten wordt, dat ik een vinkje krijg in alle hokjes. Of juist erbuiten – we hebben het immers over de kunstacademie.

Buiten de hokjes, daar bevind ik me graag. Later (als ik groot ben) wil ik geen films maken met als voornaamste intentie ‘dat iedereen het maar mooi vindt’. Ik wil datgene vastleggen wat voor mij belangrijk is en waar ik iets bij voel. Dat is misschien een geromantiseerd beeld, want je verkeert niet altijd in de positie waarin je precies kunt maken wat je zelf wilt. Maar ik denk dat het wel mijn uitgangspunt moet zijn. Alleen op die manier zullen het films worden die mensen iets doen: als het mij – degene achter de camera – ook iets doet. Bovendien laten zulke projecten het beste zien wie ik ben en waar ik voor sta. En aangezien ik op grond daarvan aangenomen hoop te worden, wil ik met die insteek mijn portfolio opbouwen.

En dus ben ik bezig met projecten die ik leuk vind. Waar ik veel energie insteek, maar minstens zoveel energie uithaal. Die als gevolg hebben dat er altijd een notitieboekje naast mijn bed ligt. En dat ik daar dan om twee uur ’s nachts iets in krabbel, en zo zeker weet dat het de volgende dag niet vergeten zal zijn. Waarna ik met een duffe glimlach in slaap kan vallen.

Donderdagochtend, kwart voor negen. In de collegezaal trilt mijn telefoon op de klaptafel voor me. Ik heb een mail van de HKU, waarin staat dat het eerste vinkje gezet is: mijn pasfoto is goedgekeurd.

IMG_3785

DE WEG

Processed with VSCOcam with p5 preset

Als middelbare scholier leid je een regelmatig leven. Na de zomervakantie krijg je een rooster dat, zeker in de bovenbouw, voor de rest van het jaar hetzelfde blijft. Vanaf dat moment zit je vast aan bepaalde clusters, klassen en uren. En zo verandert maandag als vanzelf in bètadag, woensdag in ‘die lange rotdag’ en donderdag in pretdag, met een kans op uitslapen en maar drie uurtjes les.

Door dat vaste rooster verloopt elke ochtend volgens eenzelfde routine. Hierdoor weet je na een week of twee weer dat je uiterlijk om 08.42 van huis moet vertrekken als je het tweede uur moet beginnen. Behalve als je 1.)  les hebt van die ene docent die zelf altijd te laat komt 2.) het gevoel hebt dat de brug dicht zal gaan of 3.) Colette heet, want dan heb je altijd vijf extra minuten.

In de eerste klas (toen we nog het idee hadden dat we uiterlijk om 08.20 van huis moesten vertrekken) fietsten we dagelijks met een grote groep enthousiaste bruggers naar school. Dat was niet bepaald praktisch (wanneer er één te laat was, stonden er negentien te wachten), maar zo ging het nu eenmaal. Het was een gemengde club: kinderen van allerlei basisscholen, die nu in allerlei klassen terecht waren gekomen. Met z’n allen fietsten we de lange weg richting Eindhoven, de boekentassen gevaarlijk wiebelend op onze bagagedragers.

Alle middelbare scholieren gingen dezelfde kant op, het dorp uit, wat het ons-kent-ons-gevoel onderweg alleen maar versterkte. Je fietste langs de zussen van vrienden, de vrienden van broers, de zoons van de buurvrouw en de kinderen die je kende van allerhande sportclubs.

Iedereen had te maken met dat vaste schema. En zo kwam het dat je op maandag steevast werd ingehaald door een jongen die zelfs in de winter geen jas droeg. Op donderdag zwaaide je naar een vriendin van de basisschool, die op een hoekje stond te wachten. En wanneer je zag dat het meisje met die enorme rugzak voor je fietste, wist je dat je wat harder moest gaan trappen – zij kwam namelijk altijd te laat. Alleen fietsen was er niet bij – mocht het eens voorkomen dat je klasgenoten al op school waren, dan kwam je onderweg altijd wel iemand tegen die je kende.

Processed with VSCOcam with hb2 preset

Nu, vijf jaar later, zijn de schoudertassen vervangen voor leren shoppers. Er is geen sprake meer van een fietsclub van twintig mensen. Nog steeds stroomt de Eindhovense weg vanaf half acht vol met scholieren. Echter, het deel ervan dat ik ken is met de jaren kleiner geworden. De mavo’ers en havo’ers zijn weg en ook de oudere broers en zussen hebben hun eindexamens achter de rug. Zij kozen allemaal al een nieuwe route.

Er zijn nog wel wat bekende gezichten. De jongens die een keer zijn blijven zitten. Het stelletje dat steevast hand in hand rijdt. Het meisje dat zo ongelooflijk hard fietst dat ik me afvraag of ze niet iets met dat talent moet gaan doen. En dan zijn wij er.

Maar ‘wij’, zo vroeg ik me af, wie zijn dat eigenlijk nog? Vorig jaar fietste ik even vaak alleen als in gezelschap naar school. Kleine groepjes splitsten zich af, afhankelijk van roosters of de wens om op een ander tijdstip te vertrekken. (Om niet te zeggen: een steeds later tijdstip.) Maar op de terugweg waren we nog altijd samen: de meisjes uit Son. We bespraken weekendplannen, wiskundeproefwerken en de orde van alledag. Af en toe was het stil, doken we weg in onze capuchons vanwege regen of sneeuw.

Begin dit jaar verruilde ik mijn fiets voor een scooter. Elke dag rijd ik langs de jongens van de havo, het verliefde stelletje en het racemeisje. Soms haal ik mijn vriendinnen in, soms gaat één van hen bij me achterop. Ook wij gaan binnenkort onze eigen weg kiezen. Maar voor nu nemen we nog even die naar Eindhoven.