Zoals ik gisteren al zei, is het dagelijks vinden van een foto iets moeilijker nu het geen vakantie meer is. Gedurende die tijd was ik namelijk 1.) op een plek waar je een willekeurige kant op kon wijzen, om vervolgens een mooi beeld aan te treffen of 2.) had ik eindeloos veel tijd om ernaar op zoek te gaan. Momenteel is er sprake van noch 1, noch 2. En dat resulteert dan in, jawel: een bloemenfoto.
Maand: september 2014
#244 NORMAL LIFE
Terug in het normale leven. Waar in de lessen inmiddels geen vakantieverhalen meer besproken worden. Waar alles alweer gaat zoals het ging, waar alles alweer is zoals het was. Iedereen op een vaste plek en ‘waarom heb je je boeken nog niet open?’ Waar het gaat over quotiëntregels, desoxyribose et la lutte contre la fatigue.
Het normale schoolleven. Waar ik bang ben dat mijn tas het nu echt zal gaan begeven door het overschot aan boeken dat hij bevat. (Waar ik weet dat hij het niet zal begeven, omdat hij het de afgelopen jaren ook niet begeven heeft – ondanks al dat gewicht.) Waar de zon mijn rug verwarmt in de pauze – waar ik doe alsof ik nog op het strand ben, met mijn zonnebril en tas bespikkeld met zonnebrandspetters.
Waar ik weer op zoek moet naar beelden en verhalen, in plaats van er tegenaan te lopen.
Alhoewel – voor vandaag vond ik deze voeten.
#243 CHEESE
‘Hoe zal ik lachen? Mond open of dicht?’
‘Haren over mijn schouders of op mijn rug?’
‘Zal ik mijn jasje aanhouden?’
‘Shit! Dit shirt valt helemaal weg tegen achtergrond!’
‘Milau? Miloe? Ja, ga maar zitten. Oh, ik zou inderdaad nog even iets aan je haar doen, hoor. Even een stukje draaien. Schouders recht. Say cheese! Nee, ik wil echt die tandjes zien! Jaaa, zo ja. Nou, dat was ‘m weer, hoor. Volgende!’
(Over de schouder van de fotograaf wierp ik een blik op de net gemaakte foto. Ik verwachtte gesloten ogen of iets tussen mijn tanden, maar het viel me alles mee. Hij was het niet met me eens. ‘Hmmm,’ mompelde hij, terwijl hij vertwijfeld naar het scherm keek. ‘Nou ja. Oké dan.’ Oké dan. Daar moest ik het mee doen. Naar mijn idee impliceerde het: eigenlijk sta je er niet al te best op, maar veel beter zal het toch niet worden.)
‘Inschuiven, jongens! Inschuiven! En jij daar rechts! Ja, jij, groen shirt! Jij mag hier vooraan komen liggen. Jawel. Dat kan me niet schelen. Hoppa. Hé, jullie zitten helemaal niet in deze klas! Willen jullie heel snel van die stoelen afkomen?! Oh, en dat meisje daarboven. Die rode! Even wisselen met je buurvrouw, want ik zie alleen je voorhoofd. Nou, daar komt ‘ie, hoor. Drie, twee, één… Lachen!’
Braaf rechtten wij onze schouders en forceerden we een glimlachje. Oh het leed, dat de schoolfoto heet.
PICTURE THIS: GOLD
#242 SPECTRUM
#241 EIGHTEEN
Het was de laatste keer dat we voor hem zouden zingen. Hij was achttien en volwassen, dus hierna mocht het wel afgelopen zijn met dat ge-hiep-hiep-hoera. Voor mij de reden om ditmaal des te harder te klinken, natuurlijk. Ook officieus is het geen jongetje meer, besef ik steeds vaker. Wanneer hij met zijn ochtendafro en weekendbaard aan het ontbijt komt, als ik in de bijrijdersstoel naast hem zit, als ik hem zie met zijn vrienden, stuk voor stuk koppen groter dan ik ben. Dat besef laat me automatisch terugdenken aan hoe het eerst was. Martje die in elk straatnaambordje klom. Martje met wie ik ruzie maakte om de Nintendo DS, de badkamer en de dekens van een tweepersoonsbed. Martje die mijn hand pakte en me meenam op avontuur, met zijn pikachu-rugzak in de aanslag. Ik hoop dat het een beetje zo zal blijven. Ik denk dat ik gewoon blijf zingen. Hiep, hiep, hoera. 
Deze wilde ik jullie niet onthouden.
#240 DUNK
#239 ICE & PRIZE
‘Waarom doen jullie dat, eigenlijk?’ vroeg één van mijn brugklassers. We zaten aan het ontbijt, ongeveer anderhalf uur na de ochtendgymnastiek. ‘Het hoort er gewoon bij,’ hoorde ik mezelf zeggen. Maar ik moet in alle eerlijkheid bekennen dat ik het me ook afvroeg, toen de wekker om kwart over zes ging die ochtend. Waarom deden we dit ook alweer? ‘Toen wij zelf brugklassers waren, werden we ook in alle vroegte uit ons bed getrommeld om rondjes te rennen op een grasveld.’ Wat nog steeds geen legitieme reden is om de brugklassers van nu op dezelfde verrassing te trakteren. ‘Maar als je er heel erg mee zit, weet je wat je te doen staat: zelf ook minimentor worden.’
Die ochtend werden de laatste lessen gegeven. Of ja – de laatste van de werkweek. Niet iedereen was daar even enthousiast over. ‘Hierna hebben ze zes jaar lang alleen maar lessen,’ mompelde ik tegen Colette, met wie ik vooraan naast het bord zat. Dat tijdens deze periode de dagen niet meer gevuld zouden zijn met Levend Stratego en waterspelletjes, hield ik ook maar even voor me. Aan het begin van de week drukte ik mijn bruggers op het hart vooral veel te gaan genieten – vandaag kon ik alleen maar hopen dat ze dat gedaan hadden. Volgens mij was het gelukt.
’s Middags speelden we nog wel een spelletje, en wel ‘Knock-out’. Anders dan de naam doet vermoeden, komt daar geen fysiek geweld bij kijken. De leerlingen kregen stellingen voorgelegd, die ze moesten beoordelen als waar of niet waar. De minimentoren waren hier op geen enkele manier bij nodig, wat behoorlijk relaxed was. Met de zon op mijn rug en mijn voeten op het zompige grasveld keek ik toe. De gemoederen liepen hoog op, aangezien dit een van de de laatste momenten was om punten te pakken voor de klas, en zo eeuwige roem te verkrijgen door winnaar van het kamp te worden.
Het touwtrekken vormde de finale-strijd, Alle laatste kracht werd gebruikt, de voeten werden schrap gezet en handen schuurden kapot tegen het ruwe touw. Alles voor de winst. En niet voor niets, bleek uiteindelijk: B1Z had gedurende de hele week de meeste punten verzameld. Het was tijd voor ijs, een prijs en de reis terug. Honderdéén koffers werden over het grind naar de bussen gesleept. Daarin gingen honderdéén leerlingen op weg naar huis. Met een tekort aan slaap en een overschot aan verhalen.
#238 EXPRESSION & EXIT
Als minimentor heb je een paar taken. Helpen wanneer er problemen zijn is de voornaamste taak. Of het nou gaat om het vinden van je lokaal of gedoe met de jongens, het kan allemaal besproken worden. Op zo’n werkweek geef je wel eens een lesje huiswerknotatie of schoolreglementen. Ook vandaag gaf ik een les, zij het niet aan brugklassers. Het was voor de minimentoren zelf tijd om iets te leren – althans, voor de helft van onze groep. Vier van de acht waren voor het eerst mee op werkweek, en werden vandaag geïntroduceerd een voor hen nog onbekende taak. Misschien niet de belangrijkste, maar wel eentje die erg serieus genomen wordt: het brugsmurfenlied, inclusief het bijbehorende dansje.
We zochten een plek op uit het zicht van nieuwsgierige bruggers en het oefenen kon beginnen. Het is bepaald geen complex geheel, dus dat scheelde, maar het moest natuurlijk wel vol enthousiasme uitgevoerd worden. Daar schortte het bij ons allemaal nog een beetje aan, om half tien ’s ochtends, maar dat dan kwam dan die avond wel.
Eerst was het tijd voor waterspellen, waar de bruggers iets moesten doen met bekers. Die allemaal kapot gingen, natuurlijk, waardoor ze zo mogelijk nog natter werden dan ze al waren. Na afloop durfde ik even te denken dat ik er droog vanaf zou komen, maar uiteindelijk werd ik toch over de drempel naar buiten gesleurd. Ik liet het maar gebeuren – ook dat is een beetje een traditie. Al denk ik niet dat ik voorgaande jaren zó nat ben geworden. Voorheen waren die kinders bewapend met tuinslangen en emmertjes, ditmaal werd er een gehele regenton in mijn nek gekieperd.
Eenmaal uitgewrongen en afgedroogd, gingen we door met expressie. We hadden krap twee uur de tijd om alles af te maken. ‘Alles’ was nog vrij veel, dus er was geen ruimte voor geklier. Niet dat mijn klasje ooit echt klierde – het zijn een stel schatjes bij elkaar. Maar wat ik nu van ze vroeg was twee uur concentratie, en dat is nogal heftig. Ikzelf word er ook een beetje heftig van, wat ik van tevoren maar vast aangaf. Dat vind ik echt moeilijk, hoor. Je kan natuurlijk niet vragen ‘of iedereen misschien eens even zijn kop zou willen houden,’ maar daar kwam het uiteindelijk wel gewoon op neer. Dus dan moet je dat maar vriendelijk zien te verwoorden.
Maar omdat het zulke schatjes zijn, snapten ze het volgens mij wel. En volgden ze heel braaf alle aanwijzingen op. En werd ik af en toe verrast door wat improvisatie. Heel leuk om te zien.
We aten schepijs en spaghetti (niet in die volgorde). Een goede bodem voor de Bonte Avond, die zoals altijd weer gevuld was met liedjes, decors en verhalen van eigen makelij. Dit alles onder het toeziend oog van de strenge jury (ook wel de gymdocent, de enige onpartijdige persoon aanwezig). Het blijft mijn favoriete onderdeel van de werkweek. Het maakt niet zoveel uit waar het precies over gaat – het is toch wel leuk om naar te kijken, omdat de lol ervan afspat.
Volgens mij was dat bij onze act ook het geval. Na de toneelstukken van vier klassen waren wij mini’s aan de beurt. We hadden een docent zover gekregen om een ook kleine rol te spelen, die meestal vervuld werd door de mannelijke minimentoren. Die er dus niet waren, dit jaar. Meneer X kende het hele liedje niet, maar kwam toch op het perfecte moment opdagen. Het veroorzaakte een hoop commotie in het publiek – tot zover de toelichting.
En tot zover ook de Bonte Avond – het was tijd voor het feest. Er was een DJ, een lichtinstallatie en… Een rookmachine. Ik vraag me nog steeds af wie het brandalarm af heeft horen gaan. Het was een irritant, doordringend geluid, maar het won het simpelweg niet van de muziek. De bron van het kwaad werd al snel ontdekt, maar toen stonden die 101 brugklassers al buiten in de regen. De uitgangen waren immers erg goed aangegeven. ‘Nou kunnen we ze net zo goed naar boven laten gaan,’ sprak een docent. Er zat wat in, aangezien het toch al bijna bedtijd was, maar wij vonden het niet helemaal eerlijk. Er werd hen nog een laatste dansje gegund, en toen was het toch echt klaar.
Minimentoren en docenten verzonnen nog wat (onjuiste) stellingen voor het waar-niet waar spel van de volgende dag. Het was al vrij laat en de meesten waren een beetje jolig, dus niet alle voorstellen kwamen door de keuring heen. Toch eindigden we met een lange lijst. Vervolgens lange gesprekken. En een korte nachtrust.
#237 (NOT ONLY) FUN AND GAMES
De dag begon met het ontzettend aangename geloei van een sirene. De bron van het lawaai was zo’n één meter verwijderd van de slaapkamerdeur. Wakker waren we, dat in ieder geval. Gewoonlijk ontbijt ik redelijk eenzaam en in stilte – dat is zeg maar voor iedereen het beste. Maar kwart voor zeven of kwart over acht maakt een hoop verschil wat betreft mijn gemoedstoestand. En zo zat ik vrolijk aan tafel met zo’n twintig brugklassers. We speelden kwartet met broodbeleg. (‘Mag ik van jou… een boterham, de boter én de hagelslag?’)
Op de vroege ochtend is er bij de meeste bruggers nog geen sprake van een overschot aan suiker of een gebrek aan concentratie. Vandaar dat er op dat moment lessen gepland zijn. De eerste ging over pesten. Het blijft een zwaar onderwerp om te bespreken wanneer je omringd bent door mensen die je nog niet zo goed kent. Toch komt er tijdens zo’n les een hoop naar boven en werden er ervaringen van beide kanten gedeeld. Bij mij was er de hoop dat er nooit een les twee nodig zou zijn.
’s Middags was het tijd voor luchtigere zaken. We liepen naar het bos voor Levend Stratego. Samen met Colette vormde ik de uitvalbasis voor B1Z. Door sommige mensen (ik noem geen namen) werd ons verweten dat we vals speelden. Ik wijt het succes van onze klas aan hun fanatisme en ijzersterke tactiek. Vanaf ons picknickkleed (ook wel vuilniszak) keken we hoe ze als een stel Duracellkonijntjes af en aan renden. Soms met lege handen, maar des te vaker met kaartjes van de tegenstander. Dat ‘de vlag’ ook maar gewoon een kaartje was, was niet voor iedereen duidelijk geworden. ‘Welke kleur heeft die vlag? We hebben echt overal gekeken!’ Het had hen niet belemmerd in het tikken van medeleerlingen, bleek na een grondige puntentelling. Tweehonderdachttien waren het er, om precies te zijn. Het leverde B1Z de winst op.
Aangemoedigd door dit succes gingen we door naar het volgende onderdeel: het toneelstuk. Met een groepje van zeven tekstschrijvers ging ik om tafel zitten. De vorige dag hadden zij al een hele verhaallijn bedacht, dus het was slechts een kwestie van uitwerken. Dat maakte het nog niet direct een eenvoudige kwestie, overigens. Er was een béétje moeite met het focussen op datgene wat we moesten doen. (Ter herinnering: het schrijven van de tekst.) Uiteindelijk ben je er als minimentor om te helpen, dus dat was ook allemaal niet zo erg. Het probleem ligt dan eerder bij mij – streng zijn is niet echt mijn ding.
Gelukkig was dat ’s avonds niet meer nodig – ze mochten weer los. En dat gold ook voor de minimentoren, overigens. We speelden het welbekende Geluidenspel. Wij als posten verstopten ons buiten rondom het kasteel, enkel herkenbaar door de geluiden die we maakten. Dat kon een kat zijn, een hond, maar ook een deurbel. Colette en ik kregen ‘galopperend paard’ toebedeeld. Daar waren we natuurlijk super blij mee, dat snap je. Ongeveer een uur lang deden we verschillende variaties, maar het wilde niet echt baten – we zaten te goed verstopt. Over op rigoureuzere middelen dan maar. We zongen ‘er staat een paard in de gang’ tot vrijwel iedereen ons gevonden had.
Een half uur later had vrijwel iedereen zijn bed gevonden. We maakten nog een welterusten-slaaplekker-totmorgen-rondje, een nu-moeten-jullie-echt-gaan-slapen-rondje en uiteindelijk een rondje om de tafel in de eetzaal. Met de minimentoren kletste ik de avond vol. Tussendoor probeerden we ook nog een bordspel uit te kiezen, maar tegen de tijd dat we eruit waren was het zo laat dat we besloten er maar vanaf te zien. Tegen de tijd dat ik nog krap vijf uur zou kunnen slapen, raakte mijn hoofd mijn kussen.















