ZEVENENZEVENTIG DAGEN

Over zevenenzeventig dagen ben ik geen middelbare scholier meer. Dat weet ik omdat 1.) het geregeld paniekerig door de klas geroepen wordt en 2.) ik het net heb nageteld in mijn agenda. Ik wil jullie natuurlijk geen foutieve informatie verstrekken. Toen ik in de brugklas zat, had ik behoorlijk wat ontzag voor de eindexamenleerlingen. In de hoogste klassen, daar zaten de mensen die hun shit voor elkaar hadden. (En de knappe jongens, die zaten er ook.) Met de jaren nam dat ontzag wel wat af, maar ik had nog steeds het idee: in de zesde gaat het gebeuren. Inmiddels ben ik erachter dat dit wel meevalt. Er gebeurt niet per se méér in de zesde. Het is enkel dat alles voor het laatst gebeurt.

Bij scheikunde brouw ik nog één keer toverdrankjes. Zo voelt het na vijf jaar nog steeds – alleen de koperen ketel ontbreekt. Het ziet er allemaal deskundig uit, dankzij die labjassen en –brillen. Ik weet wat ik moet doen en ook ongeveer waarom. Maar stiekem ben ik nog steeds verbaasd wanneer twee kleurloze vloeistoffen samen ineens roze worden. (Of dat voortkomt uit een gebrek aan begrip of een overvloed aan verwondering, laat ik graag in het midden.)

Tijdens filosofie maakten we plannen voor De Laatste Schooldag. Met hoofdletters ja – we hebben allemaal ambitieuze ideeën. Wat er daadwerkelijk van terechtkomt moet ik nog zien, maar de voorpret is al meer dan leuk. Bij Frans plannen we nog even zes toetsen in drie weken. Ik maak nog één keer stampij over iets waar ik het niet mee eens ben. Voor Nederlands zoek ik twaalf samenvattingen op Scholieren.com.

(Nee hoor, ik heb mijn lijst braaf gelezen. Maar mag ik wel even van dit moment gebruikmaken om – ik denk namens de gehele bovenbouw – Kees van der Pol te bedanken? Geen idee wie het is, maar zijn samenvattingen zijn top.)

Mijn agenda wijkt niet van mijn zijde, momenteel. Dagelijks breng ik minstens tien minuten bladerend door, pogend overzicht in mijn hoofd te creëren. Dat lukt soms wel, soms niet. Waar dat geblader sowieso in resulteert, is dat ik vooruit leef. Alles gaat over wat er hierna komt. Over zoveel weken, zoveel dagen. De laatste toetsen, deadlines, examens. Vakantie. En dan daarna: studies*, kamers, lotingen – op naar de tijd van mijn leven.

Ik vind het niet gek dat ik met mijn hoofd al in de toekomst ben. Ik ben wel klaar hier, namelijk. Tijdens leswisselingen erger ik me kapot aan stoeiende brugklassers en vraag ik me af waar die kinderen in hemelsnaam de energie vandaan halen. Vrijwel alles is irritant, saai en vermoeiend. Het is verleidelijk om te denken: in september gaat het gebeuren.

Leven van moment tot moment. ‘Als ik daar ben, dan…’ Dan niks, blijkt vaak genoeg. Eenmaal ‘daar’, blijkt het vaak heel gewoon, en bovendien is er direct wel weer iets anders om naartoe te leven. In die zin is het leven één grote anti-climax, waarin vrijwel niets exact is zoals je verwacht had. Ik zal nooit ál m’n shit voor elkaar hebben. Er is altijd wel een los eindje, twee schroefjes en een moertje waarvan niemand weet wat ermee moet. Ook al heb je heel precies de handleiding gevolgd.

(Gebruikte ik zojuist een IKEA-meubel als metafoor voor het leven? Jazeker.)

Je zou dit kunnen opvatten als pessimistisch, maar zo is het niet bedoeld. Wat ik wil zeggen: ik ben klaar voor de toekomst. Ik heb zin om nieuwe vrienden en herinneringen te maken. Maar ik wil de periode ervoor niet vanzelfsprekend achten. Want achteruit leven doe ik ook. Ik weet zeker dat ik over een aantal jaar zal terugdenken aan leuke momenten op de middelbare school. Werkweken die voelden als extra vakantiedagen, veels te flauwe grapjes over natuurkundige verschijnselen, eindeloze lachbuien tijdens het achtste uur. Maar die herinneringen, daar zit ik nu nog middenin. Dus hoe gewoon het momenteel ook lijkt, ik wil ervan genieten – voor de zevenenzeventig dagen dat het nog duurt.

* Ik had het nog niet echt vermeld hier, maar long story short: het is gelukt. Volgend jaar doe ik Audiovisual Media op de HKU!

(BEPAALD GEEN) HOCKEYMEISJES | DOCUMENTAIRE

Iedere week iets beter dan de week ervoor. Dat is de doelstelling van MC1. ‘(Bepaald Geen) Hockeymeisjes’ is een documentaire over dit selectiehockeyteam. De speelsters zijn twaalf tot veertien jaar oud – een leeftijd waarop er van alles staat te veranderen. Van basisschool naar middelbare, van meisjes naar jonge vrouwen. Tussen al die verandering is het team een constante. Voor en met elkaar werken ze naar één gezamenlijk doel.

CONTEMPORAIN/MERITES/PRECAIR

scan0013

Het was zo’n week waarin al mijn pennen opraakten. Dat lijkt bij mijn gehele etui-inhoud steevast simultaan te gebeuren. Als menstruerende nonnen in een klooster passen mijn pennen hun leegloop op elkaar aan.

Bij biologie bepaalden we onze bloedgroep. Dat wil zeggen, de klas minus mijzelf. Ik voelde niet de behoefte me te prikken met een naald, die dag, dus ik besloot ervan af te zien. Geconcentreerd druppelden klasgenoten antistoffen op glazen plaatjes. Met cocktailprikkers roerden ze hun bloed er doorheen.

Bij het opruimen was behoedzaamheid geboden. Het besmeurde glas werd door de docent ingezameld. Bloed van alle soorten kringelde door een gele teil. Daarin bevond zich een mengsel van dood en verderf, dat al wat nog leefde accuut onschadelijk zou maken. Mijn schone objectglazen vielen met een plons in het bloedbad.

scan0011

Ik maakte rondjes op mijn telefoon. Ik bekeek Instagram, Facebook, Twitter, als ik goede zin had nog Magister – en dan begon ik weer van voor af aan. Maar na een x aantal rondjes valt er niets meer te refreshen. Dat betekent doorgaans dat ik iets nuttigs moet gaan doen – of een nieuwe app moet downloaden.

Op Facebook bleek innovatie te hebben plaatsgevonden. Naast het aloude liken kunnen we tegenwoordig ook loven, wowen en wat dies meer zij. Ik miste een ‘ok’ of ‘zal wel’ onder de nieuwe iconen. Maar misschien geef je dat signaal al af door simpelweg nergens op te klikken.

scan0012

Het was een inconsistente week. ‘Inconsistent’ betekent ‘gebrek aan samenhang’ of ‘innerlijke tegenstrijdigheid’. Dat weet ik, want ik moest woorden leren voor een SO Nederlands. Ik heb geprobeerd er een aantal in dit stuk te verwerken – misschien onthoud ik ze dan een dag langer. Schrik dus niet als je plots ergens ‘jurisprudentie’ ziet staan (‘eerdere uitspraken over een juridische kwestie’).

Die woorden leerde ik via WRTS, een online overhoringsprogramma. Vraag me niet waarom, maar mijn gebruikersnaam is daar ‘Bob’. WRTS probeert leerlingen te motiveren doormiddel van geautomatiseerde kreten. ‘Heel goed, Bob,’ stond er dan op mijn scherm, ‘je bent er bijna!’ Of ‘Wat jammer Bob, geen voldoende. Leer deze woordjes nog maar een keertje.’ Er stond nooit: duurt lang, Bob. Geef jezelf een schop onder je kont, Bob. Terwijl ik dat juist wel had kunnen gebruiken. Het was namelijk een niksige week, waarin ik over vrijwel alles mijn schouders ophaalde. Niets had urgentie.

(Eén nacht heb ik zelfs mijn kastdeur open laten staan. Geen zin om er nog voor uit bed te komen. Het monster dat ’s nachts achter mijn truien woont zou me mogelijk in mijn slaap vermoorden, maar dat risico nam ik voor lief.)

Lukewarm is no good, zei Roald Dahl ooit, en ik kan het alleen maar met hem eens zijn. Als ik iets irritant vind, is het onverschilligheid. Bij anderen, maar des te meer bij mezelf. Dus kocht ik vanmiddag een paar nieuwe pennen bij de Hema. Je moet ergens beginnen.

WAT WOORDEN OVER CIJFERS

Zeven uur, vrijdagochtend. De cijfers voor wiskunde staan op Magister. Met mijn slaaphoofd scrol ik de lange lijst getallen door. Onderaan prijkt – onder een 6,3 en een 5,5 – een dikke 7,8.

Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker heeft ervoor gezorgd dat leerlingen die met een 8,0 of hoger slagen, de vermelding ‘cum laude’ op hun diploma krijgen. Voor mij was het tot en met de derde klas mogelijk, maar inmiddels heb ik het opgegeven. Mijn bèta-capaciteiten acht ik niet toereikend.

Waarom ik het zou willen is de vraag. Natuurlijk staat het mooi op mijn diploma, maar voor mijn vervolgstudie heb ik het niet nodig. Bovendien weiger ik te accepteren dat één rijtje getallen zou weerspiegelen hoe het met mijn intelligentie gesteld is. Maar toen ik vanochtend die 7,8 op Magister zag staan, schoot het toch door mijn hoofd: misschien kan het nog. Cijfers – ik hecht er meer waarde aan dan ik zou willen.

Onze gehele maatschappij is gebaseerd op getallen en statistiek. Ze vormen de basis voor beleid. Een stijging van dit? Dat resulteert in strengere maatregelen. Een daling van dat? Dan wordt de subsidie ingetrokken. We hebben cijfers nodig om een mate van objectiviteit te bereiken, waardoor we zaken met elkaar kunnen vergelijken en toetsen. Maar of dit op alles toegepast moet worden, vraag ik me af.

De middelbare school is hier een treffend voorbeeld van. Aangezien cijfers bepalen of je wel of geen diploma haalt, is dat hetgeen waar leerlingen op focussen. Bovendien zijn we het gewend; al vanaf de kleuterklas worden we getoetst en beoordeeld. Deze cijfergerichtheid resulteert in strategisch leren: niet om te willen weten, maar om een bepaald cijfer te halen. Dan heb ik het niet over de zogeheten ‘zesjescultuur’. Of je nu gaat voor een dikke acht of een nipte zes, je leert voor het resultaat – niet voor de kennis die daarachter schuilt. Pragmatisch is het zeker, wanneer je een diploma wilt na een aantal jaar middelbare school. In termen van kennis is het een minder geslaagde methode.

Per vak is er een eindexamenprogramma, overzichtelijk opgedeeld in domeinen. Dit zijn lange lijsten met begrippen en processen die er geleerd moeten worden. We moeten zo veel kennen dat de rode draad soms kwijt is, maar we investeren er geen tijd in deze terug te vinden. Iets echt begrijpen duurt nu eenmaal langer dan ‘simpelweg weten’. En een tienerleven bestaat uit meer dan school: er zijn bijbaantjes, hobby’s en eisen van toekomstige studies. Een sociaal leven, als het even kan.

In de lessen zelf komt het grotere geheel ook niet vaak aan bod – we hebben het al druk genoeg met die lange lijst. Bovendien is het zelden van belang. Want we leren voor één vak, één toets met één onderwerp. We leren voor het cijfer. En dus doen we alsof scheikunde en biologie niets met elkaar te maken hebben. We negeren dat Sartre en Camus filosofen én Franse schrijvers zijn. We stampen gewoon die lange lijst in ons hoofd – een kwestie van weten en vergeten, terwijl juist begrip van zaken veel meer waard is. Want wanneer je iets goed begrijpt, kan je het toepassen op meerdere situaties, zal je het waarschijnlijk langer onthouden en kan je verbanden leggen tussen verschillende vakgebieden.

School gaat momenteel om slagen, terwijl juist leren centraal zou moeten staan. Dan heb ik het over dat grote geheel, maar ook over het eigen maken van vaardigheden. Daar is momenteel te weinig ruimte voor. Laat me één ding duidelijk maken: ik wil niet zeggen dat ik op school niets geleerd heb. Het tegenovergestelde juist. Ik heb er mijn wiskundige kennis vanaf nul opgebouwd. Het menselijk lichaam heeft me geboeid, mijn interesse voor filosofie is met een factor honderd toegenomen. Van elk vak heb ik wel iets opgestoken.

Maar net zo heb ik genoten van goede gesprekken die niets met de lesstof te maken hadden. Over veranderlijke zaken als actualiteit – niet te omschrijven in een curriculum, maar wel van groot belang. Hetzelfde geldt voor initiatief nemen, organiseren en discussiëren. Leren over jezelf, wie je bent en wat je belangrijk vindt in het leven. Stuk voor stuk belangrijke vaardigheden, maar niet toetsbaar. Die kennis heb ik ook op school opgedaan. Wat ik de afgelopen zes jaar echt geleerd heb – en de rest van mijn leven nog zal weten – valt niet in cijfers uit te drukken.

WAT JE (NIET) ZIET

‘Wat je (niet) ziet’ gaat over wat er zich allemaal kan afspelen in je hoofd, terwijl dit voor de buitenwereld niet zichtbaar is. Het kan gaan om gedachten, gevoelens, twijfels, herinneringen of ideeën waar je door in beslag genomen wordt. Met deze video heb ik die onzichtbare binnenwereld geprobeerd in beeld te vatten.

RECHT VAN SPREKEN

scan0001

Er is een hoop aan de hand in de wereld. Naar mijn idee gebeurt er ieder jaar meer. Waarschijnlijk is dat slechts een gevoel, veroorzaakt door twee ontwikkelingen. Ten eerste ben ik de afgelopen jaren ouder geworden, waardoor ik me meer ben gaan interesseren voor het nieuws. Mijn bronnen zijn niet meer beperkt tot de Kidsweek en het Jeugdjournaal. Dan iets wat niet alleen voor mij geldt: we hebben toegang tot steeds meer informatie. Vroeger hield het nieuws op na de avondkrant, nu kan een bericht van de andere kant van de wereld in luttele seconden bij ons zijn, zelfs om drie uur ’s nachts.

Het internet veroorzaakt een onophoudelijke nieuwsstroom. Dat zal ik niet goed of slecht noemen. Maar wat het internet ook biedt, is een kans om op al die gebeurtenissen te reageren. Over veel zaken heb ik een mening. Soms schroom ik niet deze (hier) te ventileren, maar vaak genoeg houd ik mijn mond. Natuurlijk vind ik iets van het vluchtelingenprobleem. Ik denk na over Keulen, Madaya, Parijs, maar laat me er niet altijd over uit. Ik vraag me soms af wat mijn mening toevoegt. En belangrijker: wie ben ik om er iets over te zeggen?

In de tijd waarin we leven, heeft vrijwel iedereen de kans om te vinden wat hij of zij wil. Op internet is hier eindeloos veel ruimte voor: op Facebook en Twitter verkondigen we aan de lopende band onze mening. Zonder helder standpunt lijk je niets voor te stellen. Nuance is nutteloos – statements maken, dat is van belang. We beroepen ons hierbij op de vrijheid van meningsuiting die in dit land geldt. In mijn hoofd klinkt geregeld de vraag: nemen wij niet veel te gemakkelijk de vrijheid om onze mening te uiten?

scan0002

Wat ik op internet steeds vaker tegenkom, zou ik willen omschrijven als ‘geschreeuw’: meningen in blokletters, die vooral heel erg tégen alles zijn. Wat we niet willen, wat we niet moeten doen, waarom iets niet goed is. Dit zijn allemaal meningen die volgens de wet uitgesproken mogen worden. Naar mijn idee zijn deze opinies hol en van weinig waarde. Soms vanwege een slechte argumentatie (‘Dat stond op Facebook!’), maar vaker vanwege een gebrek aan verdieping en verbreding. We kunnen in deze tijd putten uit enorm veel bronnen, ons baseren op allerlei visies en opinies. Maar we lijken selectiever dan ooit.

Er is behoefte aan duidelijkheid. ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons.’ Een midden lijkt uitgesloten. En dus worden mensen met heldere ideeën nagepraat, zonder dat men zich verdiept in een tegengeluid. Hoe kan je nu iets vinden, wanneer je niet weet hoe het alternatief klinkt? Ja, misschien luisteren we sporadisch naar de mening van een opponent. Maar dan luisteren we niet om te begrijpen, maar om te weerleggen. Of – nog treuriger – om te tweeten dat diegene “een teringlijer is die naar de hel moet”.

Dit lokt natuurlijk weer reacties uit van andersgezinden en uiteindelijk zijn we enkel bezig elkaar te overstemmen. We roepen steeds harder wat we vinden, zonder na te denken over het ‘waarom’ achter onze mening. Dat resulteert in leeg geschreeuw. Zo is onze vrijheid van meningsuiting op den duur niet veel meer waard.scan

Dit is een oproep om je open te stellen voor het alternatief. Om eens een andere krant te lezen. Om in gesprek te gaan met iemand waar je het niet mee eens bent – zonder vooroordelen, zonder vijandige houding. Of om een keer niets zeggen, wanneer je twijfelt over wat je vindt. Dat zou geen schande moeten zijn. Ik vraag niemand zijn mening voor zich te houden – slechts om deze op een andere manier te vormen. Zodat je steeds voor jezelf blijft denken. Volgens mij voeg je dan pas iets toe aan de discussie. Dan pas bezit je datgene wat een mening geldig maakt: recht van spreken.

“VOLWASSEN”

9R7A5485

Het lijkt een soort ongeschreven regel onder leeftijdsgenoten: op je verjaardag plaats je een schattige babyfoto van jezelf op Facebook of Instagram. Maar wanneer ik over weet-ik-hoeveel-jaar terugdenk aan mijn achttiende verjaardag, wil ik juist weten hoe ik er op die dag uitzag. Babyfoto’s heb ik al genoeg.

Vandaag ben ik jarig. Dinsdag was ik eens fotograaf en model tegelijk – ik maakte een serie zelfportretten, van toen ik nog net niet volwassen was.

9R7A5667
Sinds vandaag heb ik stemrecht, word ik verantwoordelijk gehouden voor mijn eigen acties. (Een vriendin gisteren: “Als ik jou was, zou ik vandaag nog even een bank overvallen.”) Ik hoef me niet meer naar binnen te bluffen bij cafés, mag mijn eigen drankjes halen aan de bar. Voortaan kan ik zelf absentiebriefjes schrijven. (“Hoi meneer! Ik was er niet want ik was ziek. Groetjes!”) Ik mag alleen autorijden, zonder goedbedoelde waarschuwingen vanaf de bijrijdersstoel –  helemaal zelfstandig tegen paaltjes opbotsen. Sinds vandaag ben ik geen kind meer.

Officieel gezien volwassen, maar voor mijn gevoel is het nog lang niet zo ver. Vroeger dacht ik dat ‘volwassen zijn’ samen ging met het begrijpen van alles. Wanneer ik volwassen was, zou ik weten waarom dingen liepen zoals ze liepen, waarom mensen deden zoals ze deden. Wat goed was, en wat slecht. Wat mijn plekje in de wereld was, of wat ik wilde dat het zou zijn. Hoe dichter ik die leeftijd naderde, hoe zekerder ik wist dat mijn ideeën niet klopten. Er was juist steeds meer wat ik niet wist.

9R7A58199R7A5597

Als kind is je wereld klein, je kennis beperkt. Wat er buiten jou bestaat is onbekend, en bovendien niet van belang. Je weet niet wat je niet weet. Dan word je ouder, je omgeving groeit. Je begint te snappen dat er meer is dan de mensen en plaatsen die jou bekend zijn. Je leert rollen kennen die je zou kunnen vervullen, plaatsen waar je heen zou kunnen gaan. Met die kennis over mogelijkheden, groeit onzekerheid over hoe ze in te vullen. ‘Volwassen zijn’ kan niet gelijk staan aan ‘alles weten’. Want dan zou ik met de jaren steeds minder volwassen worden.

Misschien is het een loos begrip, waar ik te veel waarde aan hecht. Feitelijk gezien betekent het weinig, afgezien van bovenstaande voordeeltjes*. In de nacht van 13 op 14 januari werd ik volwassen, maar veranderde er niets. Mijn ouders maken me nog steeds wakker ’s ochtends. Ik moet nog steeds naar school, waar ik luister naar wat anderen me zeggen. Ik kan nog steeds niet soepel inparkeren – behoorlijk onhandig, maar vooral irritant omdat ik clichés over vrouwen liever ontkracht dan bevestig. Over een half jaar ga ik het huis uit, maar ik zal geregeld terugkomen. In dit huis, op deze bank, met een kater en een zak vol was. De eerste lading al draaiend in de trommel, blij dat iemand me weer eens ‘kleine’ noemt.

9R7A54429R7A5794

Geen kind meer, maar nog niet echt volwassen. Door wetenschappers die niet houden van grijze gebieden is daar een begrip voor bedacht: adolescentie. “De overgang in de ontwikkeling tussen de jeugd en volledige volwassenheid, hetgeen een periode representeert waarin een persoon biologisch, maar niet emotioneel volgroeid is.” Ik betwijfel of ik die omschrijving ooit ga gebruiken – het dekt misschien de lading, maar klinkt ronduit kut. Als een excuus voor twintigers die niet op willen groeien. Die hun gedrag zo kunnen wijten aan de adolescente fase waarin ze verkeren.

Misschien horen sommige eigenschappen die we beschouwen als ‘kinderlijk’ gewoon bij onze persoonlijkheid. Terwijl je ouder wordt ontdek je wat die eigenschappen zijn, en hoe je ze kan inpassen in je leven. Je zal niet meer constant zeggen wat je denkt. Je zal niet hardop vragen meer stellen, puur uit verwondering over de wereld. Mogelijkerwijs zal je nooit perfect leren inparkeren. Wie weet is dat wel volwassen worden: leren omgaan met hoe je bent. En soms accepteren hoe het nu eenmaal is.

9R7A57579R7A5591

*N.B. Een deel van mij ziet dit ‘slechts’ als voordeeltjes. Voor een ander deel van mij zijn het dé redenen om überhaupt achttien te willen worden. Feesten! Roadtrippen! Drank! Uit huis! De wereld veroveren! (Etcetera.) Ga ik doen, ga ik doen. Geen zorgen.