#216 BOEKPANTY’S

DSC00450
Deze hoesjes voor schoolboeken zijn een zegen voor elke middelbare scholier. Binnen tien minuten heb je alles gekaft, aan het eind van het schooljaar gooi je ze in de wasmachine en klaar ben je. Laatst hoorde ik iemand ze ‘boekpanty’s’ noemen. Dat vond ik een goede naam, gezien de flubberigheid van die dingen. Gelukkig komen er geen ladders in.

#214 TOXIC

DSC00430

Ik ging met de trein van Amsterdam naar Eindhoven. Al aan het begin van de reis gaf mijn telefoon een angstvallig laag batterijpercentage aan. Aangezien ik nogal afhankelijk ben van de OV-app om mijn bestemming te bereiken, kon ik het me niet permitteren mijn stroom te verspillen aan het spelen van nutteloze spelletjes. De anderhalf uur reistijd zou ik dus op een andere manier moeten vullen. Ik keek wat uit het raam en begluurde mijn medepassagiers, bedenkend waar ze vandaan kwamen en waar ze naartoe gingen.

Bij station Utrecht streken er een meisje en een oma tegenover me neer. Het kind zal een jaar of zeven geweest zijn. Oma’s leeftijd vond ik iets lastiger in te schatten, aangezien haar rimpels nogal contrasteerden met haar kledingkeuze. Denk strakke broek met panterprint, gitzwart geverfd haar, zonnebankoranje teint en hevige oogmake-up. Mensen die zich ‘jeugdig’ kleden, lijken vaak juist ouder – waarschijnlijk was ze dus jonger dan ik dacht.

Het meisje wist duidelijk nog niet dat je alléén mensen mag aanstaren wanneer ze het niet doorhebben. Of tenminste, dat is mijn ongeschreven regel. Een paar minuten lang keek ze me aan alsof er iets op mijn voorhoofd zat. (Wat misschien ook wel zo was – ik durfde het niet te checken.) Ik kon niet anders dan het opmerken, aangezien ik geen schermpje had dat me afleidde. Ik had het niet erg gevonden, ware het niet dat haar blik heel dreigend was, alsof ze me elk moment kon vergiftigen. Ik schonk haar een paar keer een halfslachtig glimlachje, zoals ik meestal doe wanneer ik de blik kruis van een onbekende. Het wilde niet baten.

‘Oh, nu rijden we wel achteruit,’ sprak oma toen de trein in beweging kwam. ‘Ja, ze is nog nooit met de trein geweest, dus het is allemaal een beetje spannend.’ ‘Wil je vooruit rijden?’ vroeg ik het meisje, in een poging tot verzoening. ‘Dan haal ik mijn tassen weg, hoor.’ Ze schudde nee. Gelukkig bleek, nu de trein reed, het zicht uit het raam interessanter dan het zicht op haar overbuurvrouw. Nu ik niet meer aan werd gekeken, durfde ik wel een slokje water te nemen. Met het kraken van mijn flesje vestigde ik de aandacht echter weer op me.

‘Wil jij ook iets drinken?’ vroeg oma aan haar kleindochter, al in haar tasje tastend. ‘Nee,’ antwoordde die. Ze was even stil, keek nog eens uit het raam en zei vervolgens: ‘Oma, mag ik een bifi-worstje?’

Nu zal ik jullie niet gaan vervelen met mijn verleden wat betreft bifi-worstjes. Althans, ik zal het beperken tot een paar woorden. Zomervakantie. Autorit. Bifi-worstje op de achterbank. Stop. Bifi-worstje in de berm. In een andere substantie, laat dat duidelijk zijn. Sindsdien heb ik een bifi-trauma. De gedachte eraan is eigenlijk al genoeg om over mijn nek te gaan, laat staan de geur.

Ik hoopte dus met heel mijn hart dat oma de bifi-worstjes thuis had gelaten of desnoods allemaal zelf op had gegeten. Maar nee, oma diepte een hele zak op uit haar tasje. Zeker een minuut werd er geprutst met de hardnekkige verpakking. Als zelfs de producent wil dat je iets niet open krijgt, zegt dat genoeg, toch? Kleindochter zette door en toen was het kwaad geschied. Binnen een paar seconden had de indringende geur mijn neusgaten gevonden en niet veel later meurde de gehele coupé naar salami.

Het meisje kauwde tevreden op haar worstje. Voor het eerst zag ik haar lachen, alsof ze blij was dat ze inderdaad een manier had gevonden om me te vergiftigen – ware het slechts met een bifiworstjes-walm.

#213 LOTTE

DSC00429

Mijn nichtje Lotte ken ik al zestien jaar. De eerste jaren was ik me hier niet erg bewust van, inmiddels des te meer. We zijn al op veel plaatsen geweest samen. Het Dolfinarium, Madurodam, de Apenheul. (Wat door een klein spraakgebrekje veranderde in ‘Apenlul’. En dat uit de mond van een zesjarig ventje. Vonden mijn neef en nicht natuurlijk heel grappig. ‘Waar zijn we geweest vandaag, Mart?’ vroegen ze constant.) Broers en ouders verdwenen langzaam uit beeld, en sinds een paar jaar houden we af en toe een nichtjesweekend. Ditmaal viel dit gelijk met de Amsterdam Gay Pride – de ironie was me niet ontgaan.

Naast veel kletsen en lachen, is er nog iets wat we elke keer wel doen: shoppen. Waar ik vroeger thuiskwam met oorbellen in de vorm van kersen/regenbogen/klavertjes, kocht ik nu een zwart-wit gestreepte top. Want die had ik nog geen. (Absoluut niet waar. Maar ik houd gewoon van streepjes. Ik denk dat ik ooit een matroos ben geweest, in een vorig leven of zo.) Naast de top vond ik ook nog een rokje. Eerst twijfelde ik, maar toen ik bij het passen een rondje draaide, was ik om. Hij zwierde zo leuk.

Ook films zijn eigenlijk wel onderdeel van het standaard programma, of het nu in de bioscoop is of thuis. (Of allebei.) Het werd Lucy, een film waarvan we eigenlijk blij waren dat hij maar negentig minuten duurde. Nee, geen aanrader. De gedachte ‘wat als de mens 100% van zijn hersencapaciteit zou gebruiken’ klonk er als één die kon leiden tot een interessante film, wetend dat de gewone mens slechts 10% benut. Helaas vond iemand het nodig om hierbij ook de Chinese maffia en drugswereld te betrekken, waarschijnlijk in de hoop dat veel bloed, geweld en kogels ook de mannen naar de bioscoop zouden krijgen. ‘Vergezocht’ dekt de lading.

(Bovendien ontdekte ik dat het hele 10%-verhaal ook maar een mythe is.)

We aten bij Wok Away, een soort McDonalds, maar dan met Aziatische eten. En vers. En best gezond. Nee, oké, niet zoals McDonalds. Het personeel leek de taak ‘sta nooit stil’ meegekregen te hebben: ze vlogen van links naar rechts de keuken door, intensief wokkend, bestellingen opnemend of gewoon… In beweging. Het kleine zaakje stond vol met etende en wachtende mensen, terwijl er telkens namen geroepen werden, zoals bij Starbucks. ‘Steve? Steeeeve! Steve, where are you?’ Volgens mij kwamen ze je gewoon halen, mocht je niet reageren. In tegenstelling tot Lucy, kan ik dit wél aanraden – lekker gegeten.

Bij Lotte thuis keken we nog een film en fotografeerde ik de lucht vanuit het zolderraam, waar de zon nog net niet onderging.

#210 COMING HOME

DSC00422

Ik heb genoten, laat ik dat eerst zeggen. Ik heb veel gezien, veel gedaan en een fijne tijd gehad met mijn lieve familie, waarmee ik zo kan lachen. Met woorden en beelden heb ik jullie geprobeerd mee te nemen op mijn reis. Sommige dingen die deze ervaring zo speciaal maakten, zijn hierin echter niet te omvatten. De vriendelijke mensen, die ervoor zorgen dat ik me heel erg welkom voelde. De religie en de visie op het leven die daarbij komt. Dat dingen beter zullen worden, wanneer je als goed mens leeft. Anderzijds dat je niet alles in de hand hebt, en voor nu zult moeten accepteren hoe het is. Voor de mensen daar was het geen opgave, maar een vanzelfsprekendheid. Hoe anders is dat in onze westerse samenleving, waar het leven maakbaar lijkt en men streeft naar (schijnbare) perfectie. Met minder wordt geen genoegen genomen, tenslotte: alles kan, zolang je het maar graag genoeg wilt.

Dat het niet altijd zo werkt, is gebleken de afgelopen weken. Het perfecte leven bestaat niet en mocht je denken van wel, dan kan je er toch elk moment uitgetrokken worden. Hoe vreselijk en bizar dat ook is. Op het moment dat het gebeurde, bevond ik me in een totaal andere wereld. Ik hoorde, las en zag veel over de ramp en de gevolgen ervan, maar het leek onwerkelijk. Onwerkelijk, verschrikkelijk en heel ver weg.

Deze reis liet me weer realiseren hoe groot de wereld is, hoeveel meer er nog is buiten het kleine stukje dat ik ken. Van die plek was ik zo’n vijftienduizend kilometer verwijderd. En ook met mijn gedachten ben ik nog nooit zo ver van huis geweest. Dat weet ik zeker, omdat ik het pas besefte toen ik er weer was. Ik arriveerde in eigen land, eigen dorp, eigen kamer. Bijna verbaasd dat het er nog was, omdat het in mijn hoofd drie weken niet bestaan had.

#209 HEAT

DSC00415

Tijdens zomers in Dubai leef je van airco naar airco. Warmte is fijn, temperaturen boven de veertig graden niet – dat is hitte. Verzengende hitte die, in combinatie met de felle zonnestralen, ervoor zorgt dat je een ei kan bakken op een motorkap en dat je het liefst zo snel mogelijk weer naar binnen wilt. Hoe stralend blauw de lucht ook is.

Die hitte hing niet alleen in de lucht, zo bleek vandaag. We gingen zwemmen in de zee. Het was nog vroeg, de zon had nog niet de kans gehad om alles te beschijnen met haar warme stralen. Ik liep het water in, voorzichtig, verwachtend dat mijn tenen zouden terugschrikken van de kou. Dat was niet het geval. Het water was niet koud. Het water was niet lauw. Het was warm – alsof je in een pas volgelopen bad stapte. Je kon nog niet zinken al wilde je het graag, zo zout was het water. Ik kon op mijn rug in de zee drijven, alsof ik op een luchtbedje lag, zonder daadwerkelijk een luchtbedje nodig te hebben. Met mijn hoofd achterover hoorde ik de onderstroom en het tikkelen van de schelpen. Dat geluid, daar wil ik wel een cd’tje vol van.

(Dit hierboven is niet de zee, overigens. Het is een fontein. Daar vaart inderdaad een bootje in. Want dit is Dubai en daar kan dat. Het verbaast me niet eens meer, dat zegt genoeg, toch?)