stads

De fietsenmaker had geen pinapparaat en ik had geen fiets, dus liep ik afgelopen woensdag naar de ING-bank op de Nachtegaalstraat. Ietwat onwennig trok ik mijn briefjes uit de muur – wie doet er tegenwoordig nog aan pinnen? Op de terugweg sloeg ik een straat te vroeg rechtsaf. Wanneer je leeft zonder richtingsgevoel, ontdek je vanzelf dat dit je op verrassende plekken kan brengen. Ook nu ging ik er maar gewoon in mee.

Mijn misser bracht me in een knusse wijk, met smalle straten en lage rijtjeshuizen van rood baksteen. Er middenin stond een basisschool, die in Utrecht altijd aangekondigd worden met een reeks afwisselend rode en gele paaltjes. Er was geen sprake van een plein, dus de smalle stoepen stonden vol ouders die hannesten met fietszitjes en felgekleurde rugzakken. Er tussendoor schoten oudere kinderen, haastig op weg naar hun vrije woensdagmiddag.

Het was een herkenbaar tafereel, maar toch bestond er een groot contrast met mijn eigen ervaringen. Mijn basisschool stond op een groot terrein vlakbij een bos. Er waren struiken om je in te verstoppen, wortels om over te struikelen. Bomen om in te klimmen en weer uit te flikkeren. Er was zand en gras, er waren dorre bladeren en ontelbaar veel dennenappels. Onderweg kwam ik niet één stoplicht tegen.

(Het ene stoplicht dat het dorp telde, lag niet op mijn route.)

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om in een stenen stad op te groeien. Leren fietsen tussen de gele bussen, die zelfs voor jou geen genade kennen; jij en je net-iets-te-grote-mensen-gazelle worden zonder pardon van de baan af getoeterd. Elke winkel is om de hoek, het park is je achtertuin. De bewakers van de coffeeshops werpen je vriendelijke knikjes toe terwijl je langs hen huppelt, broodtrommel in de hand. Op weg naar school kom je soms een plas braaksel tegen, waar je dan gedecideerd omheen loopt. In de Albert Heijn sluit je geregeld aan achter een stel twintigers in joggingbroek, op slippers. Zonder blikken of blozen rekenen ze twintig kratten bier af, samen met een lopende band aan chips. Je kijkt niet op of om van mensen zonder shirt, met groen haar, op blote voeten. Als vanzelfsprekend begrijp je welke straten te mijden. Het lukt je zwervers af te wimpelen, zonder schuldgevoel. Je weet al hoe wiet ruikt. Wat die slagroompatronen op jouw stoep doen.

Zo ben je achttien en heb je alles al eens gezien. Ik vermoed dat het zo gaat, althans. Ik denk het gemerkt te hebben, de afgelopen twee jaar – wie er uit de stad kwam. Iets grotere mond, wat minder bang. Geen ruimte of tijd voor twijfel.

Rond de zomer vierde de processierups hoogtij in Brabant. Van de ene op de andere dag waren alle eiken op het schoolplein met een wit weefsel omsponnen. Bomen als buitenproportionele suikerspinnen, minus de roze kleurstof. ‘Absoluut niet aanraken’, zo spraken de A4-tjes, die tegen de stammen geniet waren. ‘Je krijgt dan bultjes en die jeuken gruwelijk.’

Zo is kent elke jeugd haar eigen waarschuwingen.

meningen over besluiten over ideeën

In de categorie ‘onvoorziene bijkomstigheden van het studentenleven’: vergaderingen. Je gaat in clubjes en subjes en commissies en die organiseren dingen, en daar moet over gepraat worden – blijkbaar. Nooit geweten, maar inmiddels heb ik er ongeveer twee per week. Ze gaan gepaard met een eigen lingo: er is een wezenlijk verschil tussen een mededeling, actiepunt en agendapunt, om van alle afkortingen nog maar niet te spreken. DOO, FOO, FB, WH, WVTTK, aapje, OER, OC. Je wil niet de hele tijd die Truus met vragen zijn, dus werp je soms slechts een vragende blik over tafel in de hoop dat iemand het signaal begrijpt. Soms laat je het en raak je de draad kwijt. Na een maand ontdek je dat je al het jargon hebt overgenomen, wanneer je een huisgenoot eens vertelt over zo’n bijeenkomst en die je verward aankijkt.

Globaal ben ik drie soorten vergaderingen tegengekomen.

De vergadering met wijn. Na het avondeten – rond een uur of halfnegen verzamelen we in iemands woonkamer of keuken, maximaal knus op een ingezakte bank of als je laat bent, een bierkrat of een kruk. De vergadering is binnen deze groep een noodzakelijk kwaad – we zien elkaar liever in de kroeg, maar we willen nu eenmaal met elkaar naar een festival, glow-in-the-dark-midgetgolfbaan, of op reis en dus moeten er besluiten worden gemaakt. Wel stellen we dit zo lang mogelijk uit door eerst een uur in het luchtledige te praten. Dan hakt er iemand de knoop door: die moet over drie kwartier naar huis, de scriptie wacht morgenvroeg, dus misschien toch maar beginnen.

Een rondje ‘hoe gaat het’, want daarvan waren we nog niet op de hoogte. Eén iemand probeert middels een wiebelige laptop-op-schoot-constructie te notuleren, terwijl die zich continu afvraagt: moet ik dit wel allemaal opschrijven? Dan zijn er twee scenario’s. Een: het besluit wordt in vijf minuten genomen en iedereen bevraagt het bestaansrecht van de vergadering, maar soit, gezellig was het in ieder geval. Twee: het duurt lang. Iedereen vindt hetzelfde, maar toch weer net iets anders. De wijn raakt op, de notulist valt in slaap. We benoemen meermaals hoeveel we van elkaar houden, maar een meer praktische conclusie blijft uit, zo blijkt een week later uit de notulen. Er is geen sprake van een gedefinieerd einde, aangezien de bijeenkomst ofwel organisch overloopt in een feest, ofwel ophoudt wanneer een bepaalde mate van beschonkenheid is bereikt.

Dan de officiële vergadering, in mijn geval vanuit de universiteit. Officiëler dan de rest is het niet per se, maar zo voelt het wel aan, vanwege de statige zaal die is afgehuurd en de thee en koekjes die er bij binnenkomst al staan. Het voelt voor mij steevast als kantoortje spelen. Er is teveel ruimte voor het aantal mensen, te weinig tijd voor de hoeveelheid gepraat. De stoelen zijn groot en ik voel me klein.

Deze vergadering gaat over ideeën en over meningen over ideeën en meningen over besluiten over ideeën. De input wordt meegenomen of doorgegeven of overwogen, maar het is niet altijd even duidelijk wat dat betekent. Dat het lang duurt voordat er echt iets verandert, zoveel is zeker. Ik vind het nog moeilijk aan deze vergadering iets bij te dragen. Wie heeft er nou een boodschap aan wat ik vind, tussen al deze Serieuze Mensen, als radartje in dit grote geheel? Deze gedachte is niet behulpzaam wanneer ik wél iets aan wil kaarten. Naar mijn standaarden klink ik onzeker. Ik eindig mijn pleidooi met: ‘Het is maar een idee.’

Ten slotte de hyper-efficiënte bijeenkomst. Elke week komen we op een vast tijdstip samen. We kennen elkaar van de studie, maar ook niet uitermate goed. De ervaring leert dat deze vergadering in de ochtend moet, want dan is er de minste kans op colleges. Meestal lig ik tot een half uur voor tijd nog onder de dekens, om met mijn ontbijt in de hand richting de faculteit te lopen.

(Fietsen duurt langer, want ik kan ‘m daar nergens kwijt.)

De agenda wordt strikt nageleefd. Bij elk punt doet er één haar zegje, de rest geeft antwoorden van het type ja/nee/oké. Soms een beknopte ‘mits’ of ‘maar’. Het betreft concrete zaken: wat gaan we die-en-die terugmailen, wat is er met die klacht gedaan, wat voor post zetten we op de Facebookpagina. Aan het einde van elke agenda prijkt een foto van een egel, steeds met ander thema. (Egel in een ijshoorntje, egel in een theemok, egel omringd door herfstblaadjes.) Voorzitter Jolijn is fan van egels. Zo simpel kan het zijn.

Als ik vroeger aan mijn vader vroeg wat hij op zijn werk gedaan had, was zijn antwoord dat hij de hele dag in de kring had gezeten. Ik vond dat een grappig idee: een stel mannen in pak op kleine stoelen, bedoeld voor kinderen tussen de vier en zes jaar, zoals mijn dag in de kleuterklas steevast begon. Toen kon ik me niet voorstellen waar je zo lang over zou praten. Inmiddels lukt dat me aardig, maar mijn voorkeur heeft het niet. Laat mij maar dingen doen.

stel je voor

Het is de eerste maandag van het collegejaar en ik heb een goede plek in de bieb bemachtigd. (Klinkt misschien fanatiek, maar thuis ben ik gewoon echt niet productief.) Een Remi-tafeltje: links van me rijen boeken, rechts een raam. Op het plein waarover ik uitkijk, wemelt het van de eerstejaars en hun begeleiders. Ik bekijk de onvermijdelijke spelletjes, de ongemakkelijke gesprekken die met zo’n start gepaard gaan. Voor mij wordt dit het derde jaar, maar het eerste waarin ik niet aan het begin van iets sta – ik zit er eindelijk middenin.

Het is te merken aan het aantal gezichten dat ik herken. Waarvan moet ik soms raden. In een andere context dan waar je hen van kent, zijn mensen sowieso lastiger te plaatsen. Studie, UIT-week, vorige opleiding, thuis-thuis, zusjes en broertjes van, het loopt allemaal door elkaar. Laatst kwam ik op mijn vereniging een jongen tegen die ik examentraining had gegeven. Dat besef duurde even, maar zijn naam wist ik meteen.

(En hij had het dus gehaald.)

Diezelfde trainingen zijn ook de reden dat ik het beter onthoud. Elk weekend zo’n twintig nieuwe namen, die je binnen een uur of twee dient te kennen – wel zo aardig. Daarbij is het een heel effectief instrument: je moest eens weten hoe speciaal mensen het vinden als je hun naam weet. Gek eigenlijk – het is niet bepaald een geheim, maar toch heeft het iets intiems wanneer jouw vijf, zes letters over de lippen van een ander rollen.

Mijn ‘ik’ bestaat ook in verschillende contexten. Op mijn studie ben ik een enthousiaste streber met een druk leven, en daarom bij de studiestichting de grote afwezige. Bij Histos vaak als eerste naar huis, thuis luisterend oor en schoonmaakdraak, bij mijn vriendinnen sentimenteel bommetje en maker van vileine grappen. Op mijn werk perfectionist, niet-bèta, bloemetjesjurkjesdrager. Je gaat je er vanzelf naar gedragen – de verwachtingen die er zijn, of waarvan jij verwacht dat ze bestaan.

In al die contexten is er een tweedeling te maken. Ten eerste, daar waar ik er vanuit ga dat men mij ook wel kent. Waar ik tegen iedereen hoi durf te roepen, omdat ze hoe dan ook zullen teruggroeten. Ten tweede, daar waar ik vrijwel zeker weet dat de ander mij vergeten is. Dit terwijl zijn of haar naam wel op mijn tong klaarligt om uit te spreken. Waar mijn ‘hoi’ een pijnlijke dood sterft terwijl de ander me wazig aanstaart. Je hoort ze denken: ken ik haar?

En je dan voor de vijfde keer voor moeten stellen.

‘Hoi, ik ben ‘Jongensnaam’.’

(Ja, vriend, dat weet ik. Dat heb je me de vorige keer ook al verteld. En de keer daarvoor. Ik heb verdomme laatst twee uur tegenover je in de bieb gezeten. En als je ook maar even de moeite had genomen me langer dan drie seconden aan te kijken, zou jij dat ook weten.)

‘Oh hoi, ik ben Milou.’

En dan in zijn ogen zien dat hij het meteen weer is vergeten. Vroeger had ik dat heel vervelend gevonden, tegenwoordig kan het me minder schelen. Het zit ‘m niet in mijn naam – ik ben niet de duizendste Anne of Daan, maar ingewikkeld is ‘ie ook niet. En dat is ook maar het label. Het gaat om die drie seconden die je neemt, om een ander even recht in de ogen te kijken. Om te laten doordringen dat diegene een bestaand persoon is met een eigen leven en een eigen verhaal. Of niet, dus. Jammer voor diegene, die nooit zal weten hoe drakerig, vilein of aardig ik kan zijn.

druk

Het is Hemelvaart en ik ben vrij. Misschien zou ik Jezus daarvoor moeten bedanken, maar ik heb er toch echt zelf voor gezorgd dat mijn agenda leeg is. Een dag zonder to-do-list, zonder afspraken of dat-ene-ding-dat-je-nog-éven-af-moet-maken. Er hoefde niets vandaag.

Ik heb in bed gelegen tot mijn maag me eruit rommelde, vervolgens ontbeten en een uur lang de krant gelezen. Ik heb gezwommen, door de stad geslenterd zonder specifiek doel, mijn hoofd leeg geschreven en ontdekt dat mijn gedachten er op papier evengoed warrig uitzien. Ik heb in de zon gezeten, mijn schouders licht verbrand. Gedoucht, de klitten uit mijn haar gekamd.

Vroeger had ik veel meer tijd om me te vervelen. In gedachten zijn mijn kinderjaren een aaneenschakeling van lege middagen waarop alles nog kon gebeuren. Soms gebeurde er niets, en dat was dan ook oké. Saai, maar oké.

Zo gaat het dus niet meer, en dat kan ik alleen mezelf aanrekenen. Ik neem geen rust om eens een kwartier naar het plafond te staren, ik sta nauwelijks nog op met de vraag ‘wat ik vandaag eens zal gaan doen’. Vooral de laatste weken zit mijn schema dichtgetimmerd, met een combinatie van studie, werk en het sociale leven. Loze tijd heeft daartussen geen plek gekregen. Ik ben bepaald niet de enige bij wie dit zo gaat. Vrijwel elke leeftijdsgenoot die ik spreek, lijkt zich in eenzelfde situatie te bevinden.

‘Heeee!’

‘Heeee!’

‘Hoe gaat ‘ie?’

‘Ja, goed. Druk. Met jou dan?’

‘Ja prima! Ook druk, wel.’

‘Ah, ja. Ik moet ook weer door, eigenlijk.’

‘Ja, ja, ik ook. Leuk je even te zien, wel!’

‘Snel even bijpraten!’

Mogen jullie raden hoe vaak het daar daadwerkelijk van komt. Wanneer je wel echt een plan wil maken, gaat daar niet zelden een week over heen. Is de één vrij, dan is de ander druk, brak of op reis, en tentamenweken lopen nooit gelijk. In het ergste geval moet je je verlagen tot een Datumprikker – wanneer je niet eens een moment kan vinden om de afspraak zelf te maken.

Er is weinig speling, terwijl die het leven juist aangenaam maakt. Ik wil ja kunnen zeggen wanneer iemand me mee uit vraagt. Ik wil mijn werk kunnen laten liggen wanneer de zon schijnt. Ik wil in de trein kunnen stappen wanneer een vriendin er doorheen zit, om een uur later bij haar te zijn. Maar vaker dan me lief is vul ik al mijn tijd.

Het is niet vreemd, in deze periode van ultieme vrijheid. Er is zoveel wat kan –  vrijwilligerswerk, universiteitsraad, Honours-colleges, bestuursjaar. Solliciteer maar, schrijf je in – je komt heel ver met een cv, een motivatiebrief en een beetje van je tijd. Nu kan het, nu liggen de kansen er om veel te leren en meer leuke mensen te ontmoeten. Het maakt me trots, al die vrienden met grootse plannen. Die ambitie begrijp ik – ook ik voel me fijn, nu ik naast m’n studie een redelijk serieus baantje heb. Daarvoor prop ik een werkweek in drie dagen, om me vervolgens af te vragen wat me zo moe maakt. En daarin schuilt het gevaar: het is zo makkelijk je eigen grenzen over te gaan. Een volle agenda is namelijk ook een statussymbool geworden, in de competitie het leven zo efficiënt en zinnig mogelijk vorm te geven.

Als lid van de Datumprikker-generatie ben ik spontane plannen des te meer gaan waarderen. Om half twee een appje krijgen, om kwart voor twee lunchen op het terras. Er om vier uur ’s middags achter komen dat er diezelfde avond wel vijf mensen beschikbaar zijn voor een bioscoopje – en dat niemand de film al gezien heeft.

Daarnaast maakt die dagelijkse race loze momenten meer waard. Neem een donderdagnacht, ik fiets licht aangeschoten naar huis. De stad valt als een deken om me heen en mijn gemoed is even wollig. Utrecht slaapt, de grachten zijn vrij. Alleen het ritmisch klikken van stoplichten doorbreekt de stilte. Dan ben ik even zonder gedachten – ben ik niet van de tijd, maar is de tijd van mij.

sukkel door de liefde

In de lente wordt de liefde weer openbaar. Ze trekt zich terug uit woon- en slaapkamers, uit donkere café’s, en gaat de straat op. Naar het park of gewoon een toevallige hoek waar de laaghangende zon zich laat zien. Een vlugge zoen op het terras, een kus voordat de geliefde de bus in stapt. Een jonge man die onbegrijpelijke, blije taal uitslaat op de fiets, ogenschijnlijk tegen niemand praat. Wanneer hij passeert zie ik het kind op zijn bagagedrager. Gezichten komen weer tevoorschijn vanonder mutsen en sjaals, er wordt ruimte gemaakt voor knikjes en glimlachjes. En iedereen is zwanger.

In zo’n lente verlang ik er wel eens naar verliefd te zijn. Om haast door de stad te vliegen omdat lopen zo gewoontjes lijkt, met een grijns die komt opzetten en vervolgens nog dagen aanhoudt. Dat alles je doet denken aan hem of haar, en iedereen je irritant vindt, omdat je nergens anders meer over kan praten.

(Erg praktisch is het niet. Een vriendin van me bevindt zich momenteel in deze staat, en klaagt geregeld dat ze niets meer voor elkaar krijgt. Verliefd zijn is een full-time bezigheid.)

Zelf ben ik niet zo snel verliefd. Sowieso ben ik op dat gebied niet erg benaderbaar – nogal eens heb ik ‘donder op’ op mijn voorhoofd staan. Door openingszinnen of opzichtige versierpogingen schiet ik in de lach, of ze doen me met mijn ogen rollen.

Anderzijds, wanneer het me dan grijpt, heb ik het ook echt te pakken. (Of eigenlijk, het mij.) Dan toont zich een kant die ik dacht achter me te hebben gelaten. Rood hoofd, haperend praten, diegene nauwelijks in zijn ogen durven kijken omdat ik bang ben dat hij het daar direct zal zien: dat kleine sprankje verliefdheid – hoewel het eigenlijk die titel nog niet verdient. Ik had het laatst nog bij een jongen. Hij had een vriendin en was daarmee verboden terrein.

(Alles kan kapot, ja, ja, ja. Zeg, gedraag je even.)

(Dat is sowieso een smerige truc van mijn brein: het laat me vallen voor onbereikbare types. Dan hoef ik er in de praktijk niets mee, zoiets moet het zijn. Bezet, te oud of in andere opzichten niet de bedoeling, het kwam allemaal eens voorbij.)

We waren ergens mee bezig. Ik probeerde me te focussen, maar tevergeefs – ik kon alleen maar registreren hoe warm ik het had, of ik wel goed overkwam. En maar een beetje stom lachen. Oh, wat haat ik mezelf dan achteraf. Mijn leukste ik is heus lief, maar ook intelligent en gevat, een tikje sarcastisch. Zo’n jongen reduceert me tot een ja-knikker met rode wangen – en hij weet er niet eens van. Een sukkel door de liefde.

(De praktijk leert gelukkig dat mannen vrij slecht zijn in het herkennen van dit soort situaties. Scheelt weer voor mij.)

Maar wanneer er sprake is van wederzijdse interesse, ben ik toch vaak de eerste die afhaakt. Dan merk ik dat mijn gedachten afdwalen van zijn verhalen, dat er van die kriebels weinig overblijft, omdat het me blijkbaar niet genoeg uitmaakt of hij me ziet zitten of niet. Nog een kus op zijn wang en dan terug naar de trein. Misschien ben ik te veeleisend. Is het naïef om te geloven in die soort liefde, waarbij je gewoon weet dat het klopt – instant, of mettertijd. Ben ik tegelijk te nuchter, te hard, om daar zomaar tegenaan te lopen en in mee te gaan. Maar zo’n lente helpt me hopen.

pragmatisch

Dit jaar ben ik geïntroduceerd met het fenomeen ‘studentengala’. Ik droeg dezelfde jurk als op het gala van mijn middelbare school, maar verder was het anders. Misschien te wijten aan de open bar en het feit dat je moeder je niet meer om twee uur op hoeft te komen halen.

Volgens mij zijn er ruwweg drie soorten. Het ene is chique, met diner, overnachting en voor wie het aankan een ontbijt, dit alles bij voorkeur over de grens. Het andere is gewoon een borrel in een kroeg, maar dan in een lange jurk. Ten slotte is er een middenweg, het gala waarvoor een mooie locatie wordt afgehuurd, waar je met een bus naartoe wordt gebracht. Zo ook zaterdag. Wat er binnen gebeurde mogen jullie zelf verzinnen, maar over de heen- en terugreis heb ik wel het een en ander te vertellen.

Ten eerste moest je bij de bus zien te komen. Op Facebookfoto’s lijkt het heel wat, maar we blijven studenten en zuunige Hollanders, dus ook in galakledij stap je gewoon op de fiets. Ik weet niet of je het had meegekregen, maar het was nogal koud die dag. Temperaturen tot min acht, dat soort ongein. Onder mijn jurk droeg ik dan ook een yogalegging en laarzen, eroverheen nog een vest, jas, sjaal, muts en handschoenen. Op mijn rug een tas waar ik alle laagjes later weer in kon stoppen. Vaak ben ik weinig pragmatisch in mijn kledingkeuze, maar nu was het te koud om modieuze eisen te gaan stellen.*

Ook de buschauffeur verkoos praktisch boven passend. ‘Ik zet jullie niet helemaal voor de locatie af, want dan kan ik straks makkelijker wegrijden. Dat scheelt me een hoop tijd.’ Moesten we alleen nog even de snelweg oversteken. Gingen we dan, met tachtig man over een viaduct, zeker de helft op wiebelige hakjes over het glad bevroren asfalt. Maar eenmaal daar was alles goed, stonden de kapsels, glitters en rokkostuums in groot contrast met de trui-spijkerbroek-mentaliteit die meestal heerst op onze boot annex bruine kroeg.

Dan hier zo’n vijf uur aan onvertelde verhalen.

En toen was er nog de terugreis. Daar had ik niet al te beste dingen over gehoord, maar gelukkig heb ik er dwars doorheen geslapen – met vriendelijke dank aan de schouder van mijn buurvrouw. Eenmaal uit de bus viel mijn oog op een vriendin die enige assistentie nodig zou hebben om thuis te komen. Van haar eigen vaardigheden om een fiets recht te houden verwachtte ik niet al te veel meer. Daarbij mompelde ze iets over sleutels en de onbestemde locatie daarvan. Ze ging bij mij achterop.

Na een enigszins wiebelende start hadden we wat snelheid. ‘Het is zó koud!’ klonk het ongeveer om de twintig seconden. Ik kon haar geen ongelijk geven, maar de enige manier waarop ik daar verandering in kon brengen was hard doorfietsen, zodat ze snel thuis zou zijn. Helaas kwamen we na zo’n vijfhonderd meter tot stilstand.

‘Wat doe je nou?’ vroeg ik enigszins geïrriteerd. ‘Ik doe niks!’ Het was inderdaad niet zij, maar haar jurk die de zaak aan het compliceren was – de donkerblauwe stof had zich ineengevlochten met mijn kettingkast. Na wat trekken en vloeken bleek er niets anders op te zitten – ik moest haar losknippen. We waren gestrand vlakbij een restaurant waar licht brandde. Het personeel was nog aan het naborrelen. (Let wel, om half vier ’s nachts – het was voor hen vast ook een heftige avond geweest.) Ik kreeg een medelijdende blik, een geamuseerde glimlach en een botte schaar te leen.

Daar stonden we dan, op de ijzige klinkers van de Westerkade. Ik op mijn knieën bij het achterwiel, mijn voeten besmeurd in mijn hooggehakte sandalen. Zij met ontblote benen, haar hoofd in ellende rustend op het stuur. Midden op de weg knipte ik haar jurk aan stukken.

*Bonusfoto speciaal voor jullie.

IMG_1423.JPG

happy days

In hectische periodes grijpt menig mens terug naar gekke gewoontes. De een kalmeert van puppyfilmpjes, de ander scrollt haast obsessief door nu.nl. Een derde kijkt naar plaatjes van op kleur gesorteerde voorwerpen – Skittles, fruit, boeken. Het is maar net waar je rustig van wordt.

Voor mij komt ontspanning in de vorm van 24Kitchen. Deze zender bestaat uit niets dan kookprogramma’s: mensen met prettige stemmen, die kalm maar doeltreffend rotti, stamppot of merengue maken. Daarbij gaat er nooit iets fout. Groot favoriet is Jamie Oliver, van wie je lekker alles mag doen zoals je blieft. Wat nou weegschalen en maatbekers – pinch of salt, drizzle of olive oil. Happy days. Vandaag ben ik toeschouwer van eenzelfde soort meditatief handelen, zij het in een andere context.

Voorin het lokaal spreidt de docente haar materialen uit. Plastic bekers, zakjes met pigmenten en lepels worden geduldig gerangschikt op de spierwitte tafel. Dit collegeblok volg ik Story of Art, een vak met een uiterst ongelukkige afkorting. Een soort kunstgeschiedenis voor dummies. Naast een hoop Italiaanse kunstenaars die ik allemaal door elkaar ga halen (Bellini, Martini, Botticelli, Giacometti), bespreken we ook verschillende materialen.

Verf dus, vandaag. Voorin verworden ei en olie tot kleurrijke mengsels, zoals dat eeuwen geleden al gebeurde. Wij hoeven alleen maar te kijken, terwijl de docente rustig roert in bekers, vertelt over de vroegere ateliers van grote meesters. Dertig studenten kijken zwijgend toe. Dat valt goed te verklaren: het is de laatste verplichting van vandaag, dus de mogelijkheid niet actief te participeren is zeer welkom. Daarbij is iedereen een beetje verliefd op haar. Begrijpelijk is het zeker. Ze kan nooit enorm veel ouder zijn dan wij, maar lijkt alles te weten, om dit vervolgens in te pakken met een grapje en een lach. Als gehypnotiseerd kijken we naar haar handen.

Het voelt haast ongepast, zo’n vlekgevoelige toestand tussen de witte wanden van de universiteit. Soms mis ik het wel, zo’n kleurrijke omgeving, tafels vol materialen en tekeningen. Een omgeving waarin ideeën zichtbaar groeien, in contrast met de terughoudende boeken waartussen ik me dagelijks begeef. Maar de huidige gang van zaken kent ook haar voordelen. Ik zet met een paar verfsoorten wat strepen neer, alleen om het verschil te ervaren – het hoeft verder nog even niets te betekenen.

bas

fullsizeoutput_eb6

Het was zo diep in de nacht dat het al bijna ochtend was, toen ik de weg overstak. ‘Mag ik je wat vragen?’ Twee jongens stonden aan het begin van mijn straat. Ze leken op elkaar: blond, blauwe ogen, niet bang om te doen alsof de wereld van hen was. ‘Heb je misschien een sigaret voor mij?’

Ik stapte af. ‘Nee,’ zei ik, maar mijn hese stem sprak dat tegen. Ik lachte. ‘Ik rook niet, al klinkt dat nu niet zo.’ Of ik misschien wist waar hij een pakje kon halen. Ik raadde hem de snackbar aan waar ik net vandaan kwam.

‘Wil je samen gaan?’ Zijn uitdrukking verraadde geen spoortje sarcasme. Ik dacht te weten wie hij was: haren naar achteren, brutaal genoeg om onophoudelijk mijn ogen in te staren, om zonder woorden de verwachting uit te spreken dat ik met hem mee zou gaan.

(Natuurlijk ga je niet met hem mee, Milou. Ben jij gek, je hebt toch wel wat beters te doen. Slapen, bijvoorbeeld. Laat die jongen lekker zelf zijn peuken halen, dat kan hij best alleen.)

Dus ik zei ja.

Voor ik het wist sprong hij bij me achterop. Zijn vriend bleef waar hij was. En zo fietste ik met een jongen op mijn bagagedrager het centrum weer in. Zijn naam was Bas.

(Noem het raar, een verkeerde beslissing – geëmancipeerd was het wel.)

‘Ik ga je vijf vragen stellen. Is dat goed?’

Ik knikte.

‘Heb je een vriend?’

Na vraag één bleek dat hij meer wilde vertellen dan hij wilde weten. Hij moest wat kwijt over de meisjes in zijn leven. ‘Ik slaap met ze, en daarna willen ze allemaal dat we blijven appen. Daar ben ik gewoon slecht in. Als ik je echt wil spreken, bel ik je wel op.’

Ik begreep het, maar moest het toch voor mijn stadsgenotes opnemen. ‘Jij wil seks en verder niks, toch? Dat kan, maar zeg dat dan. Daar kunnen ze heus wel tegen. Liever een nee dan stilte.’

‘Het is bot, dat weet ik.’

Hij leek wel blij met wat onafhankelijk vrouwelijk advies. Voor mij hoefde hij geen schijn hoog te houden – ik wilde niets van hem, hij niets van mij.

(Dacht ik. Lekker naïef, maar daarover zo meer.)

Hij zat bij het corps. Of ik dat erg vond.

‘Waarom vraag je dat?’

‘Al die verhalen en zo.’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Jij liever dan ik. Maar ik ken genoeg leuke mensen die erbij zitten.’

‘Had je het van mij gedacht?’

‘Ja.’

‘Oh.’ Het klonk bijna teleurgesteld.

‘Jij ziet eruit als een hippie,’ kaatste hij terug. Ik schoot in de lach. ‘Wat?’ Snel analyseerde ik wat ik aanhad. Spijkerbroek, zwart shirtje – en mijn kroegjas. Laatst nog gewassen, maar toch niet het toppunt van charmant.

We staken Janskerkhof over, liepen twee snackbars langs tot ze bij de derde nog voor ons open deden. Hij haalde zijn sigaretten uit de automaat, ik stond er wat verloren naast. ‘Mag ik ook nog een lolly van je?’ vroeg hij aan de man achter de toonbank. Die antwoordde met een instemmende zucht – hij had het gehad voor vannacht. Bas deed een graai in de pot.

Terug gingen we te voet, mijn fiets aan de hand. Met de aansteker van een tegenligger stak hij een peuk op. Hij inhaleerde tevreden en gaf een tweede aan mij. Wat dacht ik, dit kan er ook nog wel bij. Ik nam een hijs.

‘Wat rook je grappig.’

Ik hoestte en liet de sigaret vallen. Hij lachte en gaf me de lolly uit zijn broekzak.

We waren weer bij de stoep waar ik hem ontmoet had. Er fietste een vrouw langs, ik vermoed op weg naar de eerste trein. Hij haalde de sigaretten tevoorschijn. ‘Heeft u misschien een aansteker?’ vroeg hij terwijl ze op ons af kwam. Ze schonk hem geen aandacht en reed door.

‘Voelt een vrouw zich dan aangevallen?’

‘Op dit tijdstip kan je dat beter laten, ja.’

Hij knikte. We stonden tegenover elkaar, ik leunend op mijn fiets, hij weer met die blauwe ik-weet-van-niets-blik. ‘Kom je mee naar binnen?’ Hij wees naar drie huizen verderop.

‘Wie is er binnen?’

‘Mijn vrienden en ik.’ Ik keek omhoog. Op de bovenste verdiepingen brandde nog licht, maar niet voor mij, zo besloot ik. ‘Ik wil je graag zoenen.’ Het klonk aandoenlijk, alsof hij eigenlijk wel wist dat ik ook dat aanbod af zou slaan.

‘Ik ga.’

‘Wel bedankt dat je me hebt gebracht. Echt lief.’

‘Weet ik,’ zei ik met een glimlach.

Toen ik thuiskwam lag de krant al op de mat.

fullsizeoutput_eb5

opeens was alles roze

fullsizeoutput_e8a

De lucht lokte me naar buiten vanavond. Vanachter mijn laptop zag ik de dag starten, de lantaarns uitgaan, de zon draaien en weer verdwijnen achter de huizen aan de overkant. De lantaarns weer aan. En opeens was alles roze.

Een blauwe lucht verraadt zich middels een frisse morgen, een storm kondigt zich vaak onheilspellend aan. Maar wanneer de schemer roze zal zijn, daar valt geen pijl op te trekken. Juist dat maakt het zo fijn. Dat je niet weet hoe het komt, of hoe lang het zal blijven. Er zullen heus wel theorieën over zijn. Zelf heb ik liever dat de wereld af en toe een beetje magisch is. Alsof daarboven een potje pastelverf is omgegooid. Alsof iemand me wil zeggen: kom nou éven naar buiten.

Het maakt een doorsnee dag het herinneren waard. Het lukte nauwelijks de pracht ervan waarheidsgetrouw vast te leggen, dus moest ik zelf zien te onthouden hoe mooi het precies was.

Desondanks deed ik een poging – ik stond er toch, daar in de deuropening. Ik wilde het roze boven me voelen stralen, haar kou door mijn neus naar binnen laten kruipen terwijl ik ademde. Een paar foto’s, de boodschappen en toen was de wereld weer blauw.

Eenmaal thuis had ik bericht van m’n nichtje. ‘Heb je een roze lucht voor ons?’ Met een glimlach stuur ik het plaatje door. ‘Ja.’ Alsof ze me had zien staan, daar op de drempel. We zien elkaar niet vaak. Maar wanneer de lucht weer roze kleurt, denk ik vanaf nu ook aan haar.

storm

IMG_5107 2

Vorige week donderdag viel er een boom op mijn ouderlijk huis. Dat dacht ik, tenminste. In realiteit bleken het er vijf. Er was niemand thuis. Ikzelf bevond me in een bunker van een tentamenzaal en ook mijn familieleden waren elders in het land.

In het bos is de wind niet te ontwijken. Haar krakend en zwiepend karakter, de onvermijdelijke klappen. Ze raast, verbuigt en echoot. Hout op staal, hout op cement, hout op hout. Takken door het dak. Wanorde in het woud.

In Utrecht zoek ik naar een bus, onder een staartje van de storm door. Hagel striemt scherp langs mijn gezicht, ijzige regen verlamt mijn voorhoofd. Na een kwartier is daar bus 74. Als sardientjes in blik: dampende lijven, de ramen beslagen, geen zicht.

(Lichte paniek mijnerzijds.)

Dan eindelijk de halte, volgens de vriendelijke maar mechanische omroepstem. ‘Witte. Vróúwen.’ Ik wring me naar voren, maar de deuren blijven dicht. ‘Hallo, mag ik eruit?!’ Mijn stem slaat over. ‘We zijn er nog niet.’ aldus de jongen naast me. ‘We staan voor een stoplicht.’

Eenmaal thuis komt de wind ons huis nog steeds binnen, in de vorm van een eindeloze stroom filmpjes. Wegwaaiende fietsen, wegvliegende daken, wegrollende mensen. Soms eigenlijk schandalig dat ik het grappig vind. Maar misschien is het ook eerder verbazing.

(Die man met de bladblazer uitgesloten. Je kan toch niet anders dan daarom lachen.)

Zondag ben ik bij m’n ouders en bekijk ik met eigen ogen de schade. Wortels die meters de hemel in steken, de lucht vol gaten. Een intense dennengeur hangt in de straten, alsof alles zojuist is schoongemaakt. Het past wel bij de mentaliteit. Tuinen worden geveegd, stronken omgehakt en weggesleept. Het land ontregeld, maar men regelt net zo hard terug.

IMG_5075 2

Foto’s met dank aan mijn lieve vader!