een hoffelijk gebaar

Na twee maanden in Brabant ben ik terug in Utrecht. Er was geen dringende aanleiding voor, behalve dat ik wel behoefte had aan een toename op de schaal van ‘alles is normaal’. Zelf zijn waar ik normaal ben leek me een goede start.

Begin januari zag ik de stad al eens met nieuwe ogen, toen ik er na vijf maanden terugkwam. Nu heb ik een soortgelijke ervaring, mede door de dagelijkse wandelingen die ik maak. Voorheen was ik op weg naar iets, lopend of met de fiets, maar nu loop ik zomaar. Zo ontdekte ik dat ik al jaren om de hoek woon bij het College voor de Rechten van de Mens, en dat er midden in het Griftpark een microscopisch natuurgebied is. Een ‘natuurkern’ noemen de borden het diplomatiek – er mag dan weinig natuur zijn in de stad, maar de kern is er. Verder tref ik minibibliotheken, lantaarnpalen met stoffen lampenkappen en ramen waaruit blote benen bungelen. Nog steeds spot ik overal posters van Bruna – Utrecht, zorg goed voor elkaar – waarbij ik me afvraag hoe het kan dat sommige exemplaren er uitzien alsof ze er al jaren hangen. Ik passeer dozen met spullen met daarbij de aanduiding ‘gratis’. In de meeste gevallen lijkt me dat overbodig, gezien de staat ervan – het is eerder een gunst om ze mee te nemen.

Ik zie nieuwe verschillen tussen het dorp en de stad. Zo zijn er hier verkeerslichten met knopjes die je aan moet raken – ik wacht vooralsnog op een ander die het doet, of haast me door rood.  Het advies ‘blijf thuis’ maakt hier zichtbaar hoeveel mensen er geen huis hebben. Van de stoep afstappen is hier een extreem hoffelijk gebaar, omdat je niet alleen de ander de ruimte geeft, maar ook zelf het gevaar loopt door een bus of bezorgscooter te worden aangereden.  Hier lijkt het raar om in huispak een serie te kijken terwijl het buiten nog licht is. Als de stad je een lange avond biedt, voelt het vreemd om daar niets mee te doen.

siësta

In de auto van mijn moeder koerste ik naar Utrecht. Ik ging wat spullen halen, maar wilde vooral even daar zijn. De weg ernaartoe leidde langs een zee aan gele bermbloemen en vele platgereden vogels – niet de heropleving van de natuur waar ik op had gehoopt.

Geen bos of strand deze Pasen – ik koos voor de binnenstad. De sfeer deed denken aan een Spaanse kustplaats tijdens de siësta: straten zonovergoten, winkels gesloten. Als verdwaasde toeristen liepen we er rond. Niets om te doen, niets om te kopen. Aan de singels deden de bloesems een poging tot compensatie.

Vergeleken met het dorp was de situatie hier duidelijker zichtbaar. Utrecht had gedwongen afstand gedaan van haar bruisende aard en ervoor in de plaats kwamen gebaren die ook grootser leken – of dramatischer, het is maar waar je vandaan komt. Ik passeerde meerdere mensen die met eten in schalen over de stoep liepen: goede daden afgedekt met aluminiumfolie. Achter de ramen hingen briefjes met telefoonnummers van de bewoners, ‘voor welke hulp dan ook’. Ik telde wel tachtig posters met een illustratie van Dick Bruna. ‘Zorg goed voor elkaar,’ zoals alles en iedereen ons nu vertelt. Maar ook ik hoorde het liever via de trots van Utrecht.

Na een paar uur was het tijd om te gaan. Toch had het niet gevoeld als een bezoek – ik woonde weer heel even daar.

gefeliciteerd / gecondoleerd

Het kruispunt op mijn route was volledig overhoop gehaald. Schotsen kapotgedrild asfalt staken omhoog uit een zandbak omhuld met hekken. Wilde je van de Biltstraat naar de Voorstraat, dan moest je afstappen en omlopen. Met de auto was het helaas – de komende weken zouden in een waas van toeterende en vloekende mensen verstrijken.

Het was acht uur, maar de avondspits was nog niet voorbij. Fietsers wandelden in een parade langs het terras van de Spaghetteria. Daar voelde je normaal al een briesje wanneer er iemand langs kwam rijden, maar nu kon je met een beetje behendigheid wat penne van iemands bord meepikken. De picknicktafels waren desondanks allemaal bezet – dit was zien-en-gezien-worden, next level

Ik was gaan eten met vriendin Jet. Ze was jarig – die dag echt. We wilden er nog wel eens grappen over maken als we met haar uit eten gingen, in de hoop op een gratis toetje, met vuurwerk. Vandaag was het eindelijk waar, een jarige Jet, maar ik had het niet laten weten bij de bediening. Een gemiste kans. Gelukkig was de pizza lekker.

Ik fietste terug en stapte vlak voor het kruispunt af. De jongen die voor me liep trof een vriend, die uit tegenovergestelde richting kwam.

‘Gefeliciteerd pik,’ zei de een. Ik schatte hem een jaar of zeventien: een bos krullen op een lang lijf, zijn moeders fiets in de hand, inclusief mandje.

Ook jarig, dacht ik meteen.

‘Gecondoleerd, ouwe,’ zei de ander. Hij was gekleed in een voetbalbroek die eruitzag alsof hij nooit iets anders droeg.

‘Hoe weet je dat?’ vroeg Mandje.

‘Je was er niet.’

Hij was ’s avonds niet op school geweest. Hij was er niet bij terwijl alle laatstejaars door de lege gangen stormden, die opeens een andere betekenis kregen – van het dagelijks bestaan tot een plek waar je niet vaak meer zou komen. Cijferlijst in de hand, vlag om de schouders. Het was woensdag 12 juni, de dag van de examenuitslagen. 

Terwijl ik me om het kruispunt heen manoeuvreerde, dacht ik terug aan mijn eigen slagen, drie jaar geleden. We waren naar de bioscoop gegaan ’s ochtends; het lukte toch niet uit te slapen, een film in het donker bood misschien enige afleiding. We hadden een genadeloze jankfilm uitgekozen – er zou hoe dan ook gehuild worden later, dus dan hadden we die drempel maar vast gehad.

Toen ik thuis kwam, hing de vlag al uit – m’n broer was geslaagd. Facebook stroomde vol positieve berichten, leerlingen van andere scholen. Onze telefoontjes lieten op zich wachten. Vanaf een uur of vier druppelden de eerste berichten binnen in de klassenapp. De felicitaties buitelden over elkaar heen, maar werden ietwat overschaduwd door één vraag, die niemand durfde te stellen: waren er mensen die het niet hadden gehaald?

Het bleek vanzelf, ’s avonds – afwezigheid zei genoeg. Zij waren al eerder naar school gekomen om de schade te bekijken, om te zien wat eraan te doen viel. Het lukte niet iedereen de feestvreugde van de geslaagden te ontwijken – ze werden dan bedolven onder knuffels en beloftes, dat het goed zou komen. Wat is een jaar op een leven, kom gewoon langs, we nodigen je uit voor alle feestjes. Natuurlijk zou dat waar blijken, maar dat was wel het laatste wat je wilde horen. Je wilde dat je die ene vraag nauwkeuriger had gelezen, dat je erin geslaagd was drie uur geconcentreerd te blijven, in plaats van op de helft gedesillusioneerd de zaal te verlaten. Je wilde niet dat het goed zou komen, maar dat het beter was gegaan. Je wilde door, weg, net als de rest.

‘Echt balen, man.’

‘Ja,’ was alles wat Mandje zei, zijn plannen beslist overhoop gehaald. Afstappen en omlopen dan maar.

het houdt ons bezig

Het was warm op de universiteit. Hoewel de temperaturen buiten gedaald waren na een haast tropisch Hemelvaartsweekend, hadden we binnen nog met een muffe nasleep te maken. Vanaf mijn plek middenin de collegezaal had ik goed zicht op de deur. Studenten kwamen stuk voor stuk redelijk hoopvol binnen, om vervolgens een zucht te slaken bij het besef dat er geen ramen open konden.

Het college ging over de dood – dat leek de docent wel toepasselijk, zo in de laatste week van het blok. De mens is een hoog-intelligent wezen, wat betekent dat we niet alleen een bewustzijn hebben, maar ook dát weten. Dit meta-bewustzijn zorgt voor een besef van heden, verleden en toekomst, en vertelt ons zo dat de dood elke dag dichterbij komt. En wat heeft het bestaan dan nog voor zin, als het toch eindig is?

‘Wat is de zin van het leven?’ vroeg de docent aan een willekeurige jongen in de zaal. Die leek enigszins overrompeld. ‘Dat weet ik niet,’ stamelde hij. ‘Precies! riep de docent uit. ‘Denk daar maar eens over na. Ik zie jullie op het tentamen.’

(Nee hoor, zo is het niet gegaan.)

De rest van zijn verhaal ging over de mens die dan maar zin probeert te maken. Immers zijn wij ook de enige creatieve wezens op aarde. We kunnen nadenken over dingen die er nog niet zijn, om ze vervolgens toe te voegen aan onze realiteit. Gewoon, omdat het ons wel wat lijkt. Cultuur biedt zo een antwoord op een leeg bestaan. Ga maar na, zo luidde een artikel dat ik van tevoren moest lezen: wat weet je van dit moment? Hoe laat is het? Welke dag, welk jaar? Waar ben je? Wie ben je? Wat doe je? Ik zal je mijn antwoorden geven. Het is 11.51 uur, dinsdagochtend, 2019. Ik ben in Utrecht, de Nachtegaalstraat om precies te zijn. Ik zit in de Coffeecompany aan een tafel bij het raam. Ik ben Milou. Ik schrijf, iets wat ik meestal op woensdag doe, maar voor mijn planning kwam het vandaag beter uit. Ondertussen wacht ik op mijn ‘ginger orange lemonade’ – ja, echt waar – die wordt gemaakt door een meisje dat voor het eerst werkt vandaag. Ze overlegt steedzachtjes met haar collega.

‘Want wat is dan het verschil tussen dit en Spa Rood?’ vraagt ze terwijl ze spuitwater in een glas doet.

‘Niks,’ antwoordt de collega vanachter zijn baard. ‘Of ja, dit is goedkoper.’

Ik kijk uit op de straat, waar collectief besloten lijkt dat de zomer is begonnen en jassen dus overbodig zijn. Op de stoep tegenover me stapt een man op zijn fiets, met onder zijn arm een gigantische doos, waar óók een fiets in zit. Ik peins over hoe ver hij zal komen. Ik denk aan de wifi-code, of ik die nog kan vragen nu m’n glas al leeg is, of dat ik dan nog iets moet bestellen, terwijl ik eigenlijk geen dorst meer heb. Ik denk aan mijn beddengoed dat ik in de droger had willen doen. Vergeten.

Aan de hand van deze situatie kan je je afvragen hoe ik erbij zou zitten zonder cultuur – als alles wat ooit bedacht is, er niet meer zou zijn. In die wereld ben ik een naamloos wezen, zonder notitieboek en zonder limonade. Immers, de natuur kent geen spuitwater, laat staan hipstercafé’s. Geen ramen, geen fietspaden, geen bloembakken in de niet-bestaande lantaarnpalen. Het weer is er wel. Nog steeds 24 graden en onweer vanavond, al zou ik dat laatste nu nog niet weten.

Wat een saai leven. Wat zou ik de hele dag doen? Niet naar de bioscoop, niet naar college, geen boeken om te lezen – alleen bestaan, in leven blijven en hopen dat je nog niet doodgaat. Toegegeven, je hebt geen kleding, geen was en dus geen droger nodig, die je dan nooit vergeet aan te zetten. Geen twijfels of suiker uit fruit nou ook slecht is, of misschien een beetje, maar toch nog altijd beter dan een zak Maltesers? Geef je een knuffel, een kus, of drie, of twee? Hoe lang is een condoom houdbaar en wat betekent ‘elektronisch getest’, zoals op het doosje staat? Wat zullen we vanavond nou weer eten? Is dat een kras op mijn telefoon of een wegpoetsbare streep? Geen scheuren in je fietszadel, waar dan water in gaat zitten, zodat je altijd met een natte plek op je billen loopt, waarvan je hoopt dat mensen hem niet zien, of in ieder geval snappen waar die vandaan komt, omdat zij hetzelfde ervaren. Geen zorgen over ethische kwesties, sociale conventies, want die bestaan niet. Van het klimaatprobleem is geen sprake. Burn-outs zijn non-existent, evenals relaties en bijbehorend liefdesverdriet. Je hebt geen sleutels die je kwijt kan raken, omdat er nergens deuren zijn om open te maken.

We hebben het er maar druk mee: problemen oplossen die we zelf veroorzaken. Wat zal ik zeggen – het houdt ons bezig.

De inspiratie voor dit verhaal komt uit een hoofdstuk van het boek ‘In The Wake of 9/11’ van Tom Pyszczynski. Zoals de titel doet vermoeden, gaat zijn betoog heel ergens anders heen – ik heb alleen hoofdstuk twee gelezen. Erg scherp en ook grappig geschreven (‘members of Homo sapiens do not at first glance appear to be a very formidable form of life or, for that matter, even a viable one’). Dan heb ik de credits maar gegeven!

veelbelovend

De lucht hang vol beloftes wanneer ik naar buiten stap. De nacht voelt zacht, doet me twijfelen of ik mijn jas wel nodig ga hebben. Voor de zekerheid dan. Op een rammelende fiets verlaat ik mijn stille straat, richting het centrum.

Het is donderdagavond, ik passeer plukjes studenten. Ze hangen in deuropeningen of op tafels die er normaal niet staan, nu wiebelend op de smalle stoepen. Een tweedehands bank, een vlekkerige zitzak, een koelkast, allerlei inboedel is naar buiten gesleept voor vanavond. Lege flessen, volle asbakken, nog een bodempje rosé in de glazen. Hun gesprekken gonzen me tegemoet, sterven langzaam weg als ik weer verder raas. Vanuit onzichtbare tuinen klinkt gedempt muziek.

Op het Domplein zitten de terrassen vol – met je ogen dicht vermengen tientallen stemmen zich tot een haast melodisch zoemen. De toren zwijgt – deze stenen luisteren, al honderden jaren.

Dit is de fase van drie keer per dag omkleden, omdat ’s ochtends nog onzeker is wat komen gaat. Er lijkt meer tijd te zijn – rondje stad, bioscoop, ijs na het eten, een feest. De temperaturen stijgen, de spontaniteit neemt toe. Net ontdekt, kaartjes over, last minute uitgenodigd, ik moest aan je denken. Zullen we nog even? Eentje dan, of twee, drie. De zon rekt onze dagen, nodigt ons uit er optimaal gebruik van te maken. Zie tegen haar maar eens nee te zeggen. 

popcorn

Het komt niet vaak voor dat je om drie uur ’s nachts de woonkamer in stapt en er een wildvreemde jongen knock-out op je bank ligt.

(Althans, laat ik voor mezelf spreken. Als je dan een kerel mee naar binnen vraagt, lijkt het me wel zo aardig hem mee naar boven te nemen.)

Ik schrok dan ook even, maar was vooral verbaasd dat hij nog sliep. Mijn huisgenoten waren er niet. In de wetenschap dat er niemand thuis zou zijn, had ik de voordeur achteloos achter me dicht laten slaan. Ik had de lichten in de gang aangedaan, mijn sleutels rinkelend over het haakje gehangen. Vervolgens was ik over de houten vloer richting de keuken gestampt, op naar iets te eten.

Hij lag er vredig bij: languit op zijn zij, zijn lichtbruine krullen op een van de turkooizen kussens. Ons smoezelig grijze dekentje lag half over hem heen, maar liet één been onbedekt. Hij droeg een donkere spijkerbroek en had zijn schoenen nog aan: bordeauxrode Nikes. Naast zijn hoofd stond onze huisaap, met zijn pluchen grijns – alsof hij van niks wist.

Ik schoot in de lach, want wat moet je anders. Het was me compleet onduidelijk bij wie deze jongen hoorde, of wat hij hier deed. Ik pakte mijn telefoon en opende WhatsApp, om te kijken of één van mijn huisgenoten een bericht had achtergelaten over deze verstekeling. Nee, zo bleek. Toch maar even vragen.

Enig idee wie dit is (en zo nee: help)??

Ik opende de camera en maakte een foto.

GODVER NEE NEE NEE NEE.

Dat was wat ik in mijn hoofd zei, tenminste – de flits ging af. Snel drukte ik mijn hand voor de lens. Ik hield een paar seconden mijn adem in, maar bespeurde geen beweging.

En adem uit.

Het was juist zo’n goede avond geweest. Ik had eerst met vriendinnen gegeten en had lekker gedanst, mijn keel schor gezongen. Ik was op tijd weer gegaan, net voordat iedereen vervelend begon te worden. In nuchtere staat had ik deze jongen gelaten, was ik gaan slapen. Maar zo was het niet, dat was het hele punt: ik had gedronken en daarom had ik honger en daarom ging ik verdomme popcorn maken.

Ik trok mijn keukenla open en haalde het laatste zakje magnetronmaïs uit de verpakking. Voorzichtig opende ik het deurtje en stelde de tijd in. De anders zo subtiele piepjes blèrden door de ruimte. Ik leunde op een hoekje van de eettafel terwijl ik wachtte. Vanachter het glas scheen een warm licht de kamer in, toonde het stilleven van lege chipszakken en bierblikken op het aanrecht.

‘Was je nou een foto van me aan het maken?’

Zijn stem was laag en ietwat krakerig. Aan de kreukels in zijn gezicht te zien had hij vast geslapen: er liep een afdruk van de bank over zijn rechterwang. Onder zijn ogen hingen flinke kringen.

‘Ik wilde alleen even kijken of iemand wist wie je was,’ verdedigde ik mezelf.

‘En?’

Ik ontgrendelde mijn telefoon. Niks.

‘Vooralsnog geen reactie.’ Ik hoorde mezelf lichtjes slissen.

Hij ging rechtop zitten en tikte daarbij de aap van de bank.

‘Wat is dit?’

‘Dat is Rupert.’

Zijn wenkbrauwen vertrokken in een lichte frons, maar hij pakte de knuffel toch op.

‘Onze huisaap.’

(Lang verhaal kort: er was een junglefeestje bij ons thuis, iemand nam Rupert mee en kwam ‘m nooit meer halen.)

Hij lachte, zette de aap rechtop tegen een kussentje aan.

‘Woon je hier?’

Ik rolde met mijn ogen. ‘Nee, de voordeur stond toevallig open.’

Hij nam even de tijd me in zich op te nemen, zijn slaperige ogen tot spleetjes geknepen. Zijn blik ging van mijn ranzige kroegschoenen via de biervlek op mijn shirt naar mijn gezicht. Ik staarde vastberaden terug. Tenminste, dat dacht ik.

‘Jij bent behoorlijk dronken, of niet?’ vroeg hij, niet zonder plezier in zijn stem.

‘Moet jij nodig zeggen, vriend,’ zei ik verontwaardigd, ‘wie ligt hier nou voor pampus op een vreemde bank op donderdagnacht.’

Hij gaf zich gewonnen. ‘Touché.’

Even klonk slechts het geluid van de poffende korrels, boven het gezoem van de magnetron waarin de zak pirouettes draaide. In mijn hoofd zwol daarnaast een piep op, veroorzaakt door de muziek eerder die avond. Meestal kwam die pas opzetten wanneer ik in bed lag, maar nog niet meteen kon slapen – een straf voor hen die vroeg naar huis gaan.

Ik richtte me weer tot hem, enigszins ongeduldig.

‘Wat kom je nou doen?’

‘Ja, sorry.’ Hij onderdrukte een gaap. ‘We waren hier aan het indrinken. Ik ben in slaap gevallen en ze hebben me maar gelaten. Blijkbaar.’

‘Hoe kan dat nou, met zulk lawaai?’ Op dat soort avonden was het altijd hetzelfde verhaal. Zo’n tien man, waarvan de helft mij onbekend. Halve liters bier, Kingsen en hopen dat de buren niet aanbellen.

(Oude huizen, dunne muren.)

Ik verwachtte eigenlijk geen antwoord op mijn vraag – ik was er al vanuit gegaan dat hij het moment van vertrek vanwege beschonkenheid niet gehaald had. Hij kwam echter met een andere verklaring.

‘Ik heb een soort…’ Hij zuchtte. ‘Ziekte klinkt meteen zo naar. Maar ja, een ziekte. Soms val ik opeens in slaap.’

Daar sta je dan, met je aannames.

‘Oh.’

Hij keek afwachtend naar me.

‘Da’s mooi kut,’ zei ik dus maar.

Het gebrek aan nuance deed hem grinniken. ‘Dat kan je wel zeggen, ja.’

‘Gewoon zomaar?’ vroeg ik ongelovig.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Vooral in rustige situaties. Maar een tekort aan slaap helpt niet. Dan gebeurt het ook bij lawaai. Soms zelfs op de fiets.’ Uit zijn mond klonk het als iets heel normaals, wat het extra pijnlijk maakte. Zijn blik leidde me naar een hoek van de kamer, waar naast een zwarte rugzak een fietshelm lag.

De magnetron piepte, maar de korrels poften nog. Timing was hier cruciaal. Meestal aarzelde ik, gaf ik het nog een halve minuut, waardoor een deel van de popcorn verbrandde, ik de goudgele exemplaren tussen de zwarte uit moest halen en de geur in het hele huis verraadde dat er iets mis was gegaan.

‘Ik zou het nog even laten,’ zei hij, alsof ik die overweging hardop had staan maken.

Dus ik stond op en maakte het deurtje open. Het was een routine geworden: bijna mijn vingers verbranden aan de papieren zak, ermee naar het aanrecht lopen, blote voeten op de koude tegels, de twee tegenoverliggende punten pakken en uit elkaar trekken. De stoom bewoog zich langs mijn kin, richting mijn neus en over mijn voorhoofd omhoog. Met een prettig geritsel belandde de popcorn in een kom. Tussendoor hoorde ik wat korrels tegen het porselein tikken. Toch te vroeg. Ik reikte in de zak voor het laatste beetje en moest de neiging weerstaan het zout van mijn vingers af te likken.

‘Wil je ook?’

‘Nee, ik ga,’ zei hij terwijl hij opstond.

‘Oh.’ Terwijl dat mijn mond verliet, besefte ik dat ik er onbewust vanuit was gegaan dat ik mijn popcorn met hem zou delen. Had ik hem in ieder geval niet voor niets wakker gemaakt.

‘Weet je het zeker? Je mag best blijven. Ik kan zelfs een echte deken voor je halen.’ Door de kou naar huis fietsen was nou het laatste waar ik zin in zou hebben. Het was mei, maar ’s nachts nog geen acht graden.

Hij schudde zijn hoofd. ‘Nee, bedankt. Na zo’n aanval kan ik meestal toch niet meer slapen.’ Hij pakte het grijze dekentje van de bank en vouwde het op. Zijn rugzak deed hij om, de helm hield hij in zijn linkerhand.

‘Smakelijk,’ zei hij met een knikje, waarna hij de gang in liep. Ik hoorde de voordeur opengaan, maakte me klaar voor de klap, maar hij sloot hem zacht. De jongen zonder naam verdween als een dief in de nacht.

licht

Na een lange dag zocht ik mijn weg door de grootste fietsenstalling ter wereld. Een garage, mag ik wel zeggen, waar je achter digitale bewijzering aan kan rijden om een vrije plek te bereiken. Naar mijn idee bevinden ‘de grootsten der aarde’ zich in Dubai, in de VS of misschien in Amsterdam. Maar wat het parkeren van fietsen betreft gaat de eer naar Utrecht.

Na zo’n twee minuten rijden kwam ik bij de uitgang. Mijn voorlicht had ik vast aangezet, het was al donker buiten. ‘Zo, da’s fel!’ aldus de man bij wie ik uitcheckte. Hij zag vast honderden fietsen per dag, dus als hij het zei, moest het wel waar zijn. Ik dacht aan mijn vader.

De opvoeding die mijn ouders me hebben gegeven, zou ik niet als ‘streng’ bestempelen. Wel waren er duidelijke grenzen. Afval op de grond gooien was uit den boze, vond mijn moeder. ‘Geef maar aan mij,’ zei ze altijd als we onderweg waren. Ze zag je dan friemelen met een snoeppapiertje, smakeloos geworden kauwgom of ander troepje dat gemakkelijk op straat zou belanden. Ze wikkelde het in een papiertje en stak het in haar tas, tot een afvalbak zich zou aandienen. Haar grote handtassen werden toch al steevast tot ‘prullenmand’ gedoopt, gezien de hoeveelheid zooi die erin paste.

Mijn vader had een ander stokpaardje. Fietsverlichting stond bij hem hoog in het vaandel. Hij verving regelmatig ieders batterijen en drong erop aan dat mijn broer en ik ons zichtbaar maakten als we in het donker naar huis kwamen. Zelf zag ik het nut er niet zo van. ‘Ik zie die auto’s toch aankomen,’ zei ik dan. Dit veranderde toen ik zelf achter het stuur kwam te zitten. Combineer regen met schemer en een donkere jas – genoeg om je zo goed als onzichtbaar te maken.

Laatst had mijn voorlicht het volledig begeven (samen met mijn achterrem en versnelling – een stadsfiets heeft een zwaar leven). In mijn hoofd hoorde ik papa praten: ‘Dat moet je echt even laten maken.’ En dat deed ik. Een paar dagen later ging ik met m’n ouders eten in Utrecht. Ik kwam aanfietsen door een donkere straat, voor me liepen twee figuren. Hun silhouetten vertelde me dat zij het waren.

‘Hee!’ riep ik.

Mijn vader draaide zich om, LED-schijnsel viel op zijn gezicht.

‘Hee, onze kleine! Met licht!’

stads

De fietsenmaker had geen pinapparaat en ik had geen fiets, dus liep ik afgelopen woensdag naar de ING-bank op de Nachtegaalstraat. Ietwat onwennig trok ik mijn briefjes uit de muur – wie doet er tegenwoordig nog aan pinnen? Op de terugweg sloeg ik een straat te vroeg rechtsaf. Wanneer je leeft zonder richtingsgevoel, ontdek je vanzelf dat dit je op verrassende plekken kan brengen. Ook nu ging ik er maar gewoon in mee.

Mijn misser bracht me in een knusse wijk, met smalle straten en lage rijtjeshuizen van rood baksteen. Er middenin stond een basisschool, die in Utrecht altijd aangekondigd worden met een reeks afwisselend rode en gele paaltjes. Er was geen sprake van een plein, dus de smalle stoepen stonden vol ouders die hannesten met fietszitjes en felgekleurde rugzakken. Er tussendoor schoten oudere kinderen, haastig op weg naar hun vrije woensdagmiddag.

Het was een herkenbaar tafereel, maar toch bestond er een groot contrast met mijn eigen ervaringen. Mijn basisschool stond op een groot terrein vlakbij een bos. Er waren struiken om je in te verstoppen, wortels om over te struikelen. Bomen om in te klimmen en weer uit te flikkeren. Er was zand en gras, er waren dorre bladeren en ontelbaar veel dennenappels. Onderweg kwam ik niet één stoplicht tegen.

(Het ene stoplicht dat het dorp telde, lag niet op mijn route.)

Ik probeer me voor te stellen hoe het is om in een stenen stad op te groeien. Leren fietsen tussen de gele bussen, die zelfs voor jou geen genade kennen; jij en je net-iets-te-grote-mensen-gazelle worden zonder pardon van de baan af getoeterd. Elke winkel is om de hoek, het park is je achtertuin. De bewakers van de coffeeshops werpen je vriendelijke knikjes toe terwijl je langs hen huppelt, broodtrommel in de hand. Op weg naar school kom je soms een plas braaksel tegen, waar je dan gedecideerd omheen loopt. In de Albert Heijn sluit je geregeld aan achter een stel twintigers in joggingbroek, op slippers. Zonder blikken of blozen rekenen ze twintig kratten bier af, samen met een lopende band aan chips. Je kijkt niet op of om van mensen zonder shirt, met groen haar, op blote voeten. Als vanzelfsprekend begrijp je welke straten te mijden. Het lukt je zwervers af te wimpelen, zonder schuldgevoel. Je weet al hoe wiet ruikt. Wat die slagroompatronen op jouw stoep doen.

Zo ben je achttien en heb je alles al eens gezien. Ik vermoed dat het zo gaat, althans. Ik denk het gemerkt te hebben, de afgelopen twee jaar – wie er uit de stad kwam. Iets grotere mond, wat minder bang. Geen ruimte of tijd voor twijfel.

Rond de zomer vierde de processierups hoogtij in Brabant. Van de ene op de andere dag waren alle eiken op het schoolplein met een wit weefsel omsponnen. Bomen als buitenproportionele suikerspinnen, minus de roze kleurstof. ‘Absoluut niet aanraken’, zo spraken de A4-tjes, die tegen de stammen geniet waren. ‘Je krijgt dan bultjes en die jeuken gruwelijk.’

Zo is kent elke jeugd haar eigen waarschuwingen.

meningen over besluiten over ideeën

In de categorie ‘onvoorziene bijkomstigheden van het studentenleven’: vergaderingen. Je gaat in clubjes en subjes en commissies en die organiseren dingen, en daar moet over gepraat worden – blijkbaar. Nooit geweten, maar inmiddels heb ik er ongeveer twee per week. Ze gaan gepaard met een eigen lingo: er is een wezenlijk verschil tussen een mededeling, actiepunt en agendapunt, om van alle afkortingen nog maar niet te spreken. DOO, FOO, FB, WH, WVTTK, aapje, OER, OC. Je wil niet de hele tijd die Truus met vragen zijn, dus werp je soms slechts een vragende blik over tafel in de hoop dat iemand het signaal begrijpt. Soms laat je het en raak je de draad kwijt. Na een maand ontdek je dat je al het jargon hebt overgenomen, wanneer je een huisgenoot eens vertelt over zo’n bijeenkomst en die je verward aankijkt.

Globaal ben ik drie soorten vergaderingen tegengekomen.

De vergadering met wijn. Na het avondeten – rond een uur of halfnegen verzamelen we in iemands woonkamer of keuken, maximaal knus op een ingezakte bank of als je laat bent, een bierkrat of een kruk. De vergadering is binnen deze groep een noodzakelijk kwaad – we zien elkaar liever in de kroeg, maar we willen nu eenmaal met elkaar naar een festival, glow-in-the-dark-midgetgolfbaan, of op reis en dus moeten er besluiten worden gemaakt. Wel stellen we dit zo lang mogelijk uit door eerst een uur in het luchtledige te praten. Dan hakt er iemand de knoop door: die moet over drie kwartier naar huis, de scriptie wacht morgenvroeg, dus misschien toch maar beginnen.

Een rondje ‘hoe gaat het’, want daarvan waren we nog niet op de hoogte. Eén iemand probeert middels een wiebelige laptop-op-schoot-constructie te notuleren, terwijl die zich continu afvraagt: moet ik dit wel allemaal opschrijven? Dan zijn er twee scenario’s. Een: het besluit wordt in vijf minuten genomen en iedereen bevraagt het bestaansrecht van de vergadering, maar soit, gezellig was het in ieder geval. Twee: het duurt lang. Iedereen vindt hetzelfde, maar toch weer net iets anders. De wijn raakt op, de notulist valt in slaap. We benoemen meermaals hoeveel we van elkaar houden, maar een meer praktische conclusie blijft uit, zo blijkt een week later uit de notulen. Er is geen sprake van een gedefinieerd einde, aangezien de bijeenkomst ofwel organisch overloopt in een feest, ofwel ophoudt wanneer een bepaalde mate van beschonkenheid is bereikt.

Dan de officiële vergadering, in mijn geval vanuit de universiteit. Officiëler dan de rest is het niet per se, maar zo voelt het wel aan, vanwege de statige zaal die is afgehuurd en de thee en koekjes die er bij binnenkomst al staan. Het voelt voor mij steevast als kantoortje spelen. Er is teveel ruimte voor het aantal mensen, te weinig tijd voor de hoeveelheid gepraat. De stoelen zijn groot en ik voel me klein.

Deze vergadering gaat over ideeën en over meningen over ideeën en meningen over besluiten over ideeën. De input wordt meegenomen of doorgegeven of overwogen, maar het is niet altijd even duidelijk wat dat betekent. Dat het lang duurt voordat er echt iets verandert, zoveel is zeker. Ik vind het nog moeilijk aan deze vergadering iets bij te dragen. Wie heeft er nou een boodschap aan wat ik vind, tussen al deze Serieuze Mensen, als radartje in dit grote geheel? Deze gedachte is niet behulpzaam wanneer ik wél iets aan wil kaarten. Naar mijn standaarden klink ik onzeker. Ik eindig mijn pleidooi met: ‘Het is maar een idee.’

Ten slotte de hyper-efficiënte bijeenkomst. Elke week komen we op een vast tijdstip samen. We kennen elkaar van de studie, maar ook niet uitermate goed. De ervaring leert dat deze vergadering in de ochtend moet, want dan is er de minste kans op colleges. Meestal lig ik tot een half uur voor tijd nog onder de dekens, om met mijn ontbijt in de hand richting de faculteit te lopen.

(Fietsen duurt langer, want ik kan ‘m daar nergens kwijt.)

De agenda wordt strikt nageleefd. Bij elk punt doet er één haar zegje, de rest geeft antwoorden van het type ja/nee/oké. Soms een beknopte ‘mits’ of ‘maar’. Het betreft concrete zaken: wat gaan we die-en-die terugmailen, wat is er met die klacht gedaan, wat voor post zetten we op de Facebookpagina. Aan het einde van elke agenda prijkt een foto van een egel, steeds met ander thema. (Egel in een ijshoorntje, egel in een theemok, egel omringd door herfstblaadjes.) Voorzitter Jolijn is fan van egels. Zo simpel kan het zijn.

Als ik vroeger aan mijn vader vroeg wat hij op zijn werk gedaan had, was zijn antwoord dat hij de hele dag in de kring had gezeten. Ik vond dat een grappig idee: een stel mannen in pak op kleine stoelen, bedoeld voor kinderen tussen de vier en zes jaar, zoals mijn dag in de kleuterklas steevast begon. Toen kon ik me niet voorstellen waar je zo lang over zou praten. Inmiddels lukt dat me aardig, maar mijn voorkeur heeft het niet. Laat mij maar dingen doen.

stel je voor

Het is de eerste maandag van het collegejaar en ik heb een goede plek in de bieb bemachtigd. (Klinkt misschien fanatiek, maar thuis ben ik gewoon echt niet productief.) Een Remi-tafeltje: links van me rijen boeken, rechts een raam. Op het plein waarover ik uitkijk, wemelt het van de eerstejaars en hun begeleiders. Ik bekijk de onvermijdelijke spelletjes, de ongemakkelijke gesprekken die met zo’n start gepaard gaan. Voor mij wordt dit het derde jaar, maar het eerste waarin ik niet aan het begin van iets sta – ik zit er eindelijk middenin.

Het is te merken aan het aantal gezichten dat ik herken. Waarvan moet ik soms raden. In een andere context dan waar je hen van kent, zijn mensen sowieso lastiger te plaatsen. Studie, UIT-week, vorige opleiding, thuis-thuis, zusjes en broertjes van, het loopt allemaal door elkaar. Laatst kwam ik op mijn vereniging een jongen tegen die ik examentraining had gegeven. Dat besef duurde even, maar zijn naam wist ik meteen.

(En hij had het dus gehaald.)

Diezelfde trainingen zijn ook de reden dat ik het beter onthoud. Elk weekend zo’n twintig nieuwe namen, die je binnen een uur of twee dient te kennen – wel zo aardig. Daarbij is het een heel effectief instrument: je moest eens weten hoe speciaal mensen het vinden als je hun naam weet. Gek eigenlijk – het is niet bepaald een geheim, maar toch heeft het iets intiems wanneer jouw vijf, zes letters over de lippen van een ander rollen.

Mijn ‘ik’ bestaat ook in verschillende contexten. Op mijn studie ben ik een enthousiaste streber met een druk leven, en daarom bij de studiestichting de grote afwezige. Bij Histos vaak als eerste naar huis, thuis luisterend oor en schoonmaakdraak, bij mijn vriendinnen sentimenteel bommetje en maker van vileine grappen. Op mijn werk perfectionist, niet-bèta, bloemetjesjurkjesdrager. Je gaat je er vanzelf naar gedragen – de verwachtingen die er zijn, of waarvan jij verwacht dat ze bestaan.

In al die contexten is er een tweedeling te maken. Ten eerste, daar waar ik er vanuit ga dat men mij ook wel kent. Waar ik tegen iedereen hoi durf te roepen, omdat ze hoe dan ook zullen teruggroeten. Ten tweede, daar waar ik vrijwel zeker weet dat de ander mij vergeten is. Dit terwijl zijn of haar naam wel op mijn tong klaarligt om uit te spreken. Waar mijn ‘hoi’ een pijnlijke dood sterft terwijl de ander me wazig aanstaart. Je hoort ze denken: ken ik haar?

En je dan voor de vijfde keer voor moeten stellen.

‘Hoi, ik ben ‘Jongensnaam’.’

(Ja, vriend, dat weet ik. Dat heb je me de vorige keer ook al verteld. En de keer daarvoor. Ik heb verdomme laatst twee uur tegenover je in de bieb gezeten. En als je ook maar even de moeite had genomen me langer dan drie seconden aan te kijken, zou jij dat ook weten.)

‘Oh hoi, ik ben Milou.’

En dan in zijn ogen zien dat hij het meteen weer is vergeten. Vroeger had ik dat heel vervelend gevonden, tegenwoordig kan het me minder schelen. Het zit ‘m niet in mijn naam – ik ben niet de duizendste Anne of Daan, maar ingewikkeld is ‘ie ook niet. En dat is ook maar het label. Het gaat om die drie seconden die je neemt, om een ander even recht in de ogen te kijken. Om te laten doordringen dat diegene een bestaand persoon is met een eigen leven en een eigen verhaal. Of niet, dus. Jammer voor diegene, die nooit zal weten hoe drakerig, vilein of aardig ik kan zijn.