Verdwenen door technologie, weer populair uit nostalgie.
Geef me tijd, geef me ruimte. Een scherpe blik en een camera, om de dingen vast te leggen die me daardoor opvallen.
Ook heb ik graag iemand aan mijn zijde. Als gezelschap, en voor de veiligheid. Want stel, ik wil spinnenwebben vastleggen, in het licht van de ondergaande zon. Dan kniel ik, klik ik, kom ik steeds een stukje dichterbij… En heb ik niet echt meer oog voor het stroomdraad dat mij van de glinsterende webben scheidt.
Zoals ik gisteren al zei, is het dagelijks vinden van een foto iets moeilijker nu het geen vakantie meer is. Gedurende die tijd was ik namelijk 1.) op een plek waar je een willekeurige kant op kon wijzen, om vervolgens een mooi beeld aan te treffen of 2.) had ik eindeloos veel tijd om ernaar op zoek te gaan. Momenteel is er sprake van noch 1, noch 2. En dat resulteert dan in, jawel: een bloemenfoto.
‘Hoe zal ik lachen? Mond open of dicht?’
‘Haren over mijn schouders of op mijn rug?’
‘Zal ik mijn jasje aanhouden?’
‘Shit! Dit shirt valt helemaal weg tegen achtergrond!’
‘Milau? Miloe? Ja, ga maar zitten. Oh, ik zou inderdaad nog even iets aan je haar doen, hoor. Even een stukje draaien. Schouders recht. Say cheese! Nee, ik wil echt die tandjes zien! Jaaa, zo ja. Nou, dat was ‘m weer, hoor. Volgende!’
(Over de schouder van de fotograaf wierp ik een blik op de net gemaakte foto. Ik verwachtte gesloten ogen of iets tussen mijn tanden, maar het viel me alles mee. Hij was het niet met me eens. ‘Hmmm,’ mompelde hij, terwijl hij vertwijfeld naar het scherm keek. ‘Nou ja. Oké dan.’ Oké dan. Daar moest ik het mee doen. Naar mijn idee impliceerde het: eigenlijk sta je er niet al te best op, maar veel beter zal het toch niet worden.)
‘Inschuiven, jongens! Inschuiven! En jij daar rechts! Ja, jij, groen shirt! Jij mag hier vooraan komen liggen. Jawel. Dat kan me niet schelen. Hoppa. Hé, jullie zitten helemaal niet in deze klas! Willen jullie heel snel van die stoelen afkomen?! Oh, en dat meisje daarboven. Die rode! Even wisselen met je buurvrouw, want ik zie alleen je voorhoofd. Nou, daar komt ‘ie, hoor. Drie, twee, één… Lachen!’
Braaf rechtten wij onze schouders en forceerden we een glimlachje. Oh het leed, dat de schoolfoto heet.
Het was de laatste keer dat we voor hem zouden zingen. Hij was achttien en volwassen, dus hierna mocht het wel afgelopen zijn met dat ge-hiep-hiep-hoera. Voor mij de reden om ditmaal des te harder te klinken, natuurlijk. Ook officieus is het geen jongetje meer, besef ik steeds vaker. Wanneer hij met zijn ochtendafro en weekendbaard aan het ontbijt komt, als ik in de bijrijdersstoel naast hem zit, als ik hem zie met zijn vrienden, stuk voor stuk koppen groter dan ik ben. Dat besef laat me automatisch terugdenken aan hoe het eerst was. Martje die in elk straatnaambordje klom. Martje met wie ik ruzie maakte om de Nintendo DS, de badkamer en de dekens van een tweepersoonsbed. Martje die mijn hand pakte en me meenam op avontuur, met zijn pikachu-rugzak in de aanslag. Ik hoop dat het een beetje zo zal blijven. Ik denk dat ik gewoon blijf zingen. Hiep, hiep, hoera. 
Deze wilde ik jullie niet onthouden.