Mijn thee is op en mijn hoofd zit vol. Het is maandagmorgen. Ik bivakkeer al sinds halfnegen in een cafétje aangezien thuis (Utrecht-thuis) de verwarming uit de muur gesloopt wordt. Dit in de hoop dat ‘ie ophoudt met tikken. (Hoewel ‘tikken’ zacht uitgedrukt is. Het begint vaak met ‘wiehiehiehiehie’, vervolgens ‘toektoektoektoektoektoektoek’, dan ‘TOEK. TOEK. TOEK’. Dan even rust, dan weer opnieuw. Bij voorkeur om drie uur ’s nachts. Maar dit geheel terzijde.)
Ik ben aan het spijbelen, officieel gezien. Ik heb een les en een presentatie en ik heb niets voorbereid, dus ik ben er niet. Ik ben gestopt met m’n studie, officieus gezien.
(Hier een rustmoment om over de schok heen te komen, zij het voor mezelf.)
Naar de kunstacademie gaan betekende kiezen voor datgene waar ik enthousiast van werd. Totdat ik er niet meer enthousiast van werd. Ik raakte verstrikt in organisatie, techniek en vastgelegde thema’s. En zo kwamen de twijfels. En twijfels over de twijfels – het zál ook eens niet. Ik vroeg me af of ik niet wat meer geduld moest hebben, of iets minder eigenwijs kon zijn.
(Spoiler: kon ik niet.)
Niet met dit. Wat betreft creativiteit, waarbij het behoud van eigenheid de enige manier is waarop ik tot iets kom dat ik de moeite waard vind. En zo besloot ik, na uitvoerig overleg met iedereen en mezelf, om te stoppen.
En nu zit ik hier, op maandagochtend in een café, met een hoofd vol ideeën en de tijd om ze uit te voeren. Maar het is als die verwarming: veel lawaai, weinig effect.
Mijn vingers houden zich angstvallig stil boven mijn notitieboek, zich afvragend hoe nu verder. ‘In den beginne was het woord’, aldus het populairste geschrift ter wereld. Misschien is dat niet zo’n slecht begin.
Na twee maanden kunstacademie stopte ik ermee. Wie had dat gedacht? Ik in ieder geval niet. Om het toch-wel-enigszins-gevreesde zwarte gat te omzeilen, schreef ik erover. Ongeveer een stukje per week, tot het einde van het jaar. Over de momenten dat ik het hilarisch vond dat juist ik de eerste drop-out was van iedereen. De momenten waarop ik anderen wel kon slaan, wanneer zij er grapjes over maakten. Over de momenten dat ik dacht: wat heb ik gedáán? En de momenten waarop ik in volledige vrijheid door de stad fietste, als het einde van een voorspelbare feelgood film – muziekje van Natasha Beddingfield erbij en klaar ben je.
Misschien is het niet interessant of relevant, maar dat risico loop je natuurlijk altijd. Er komen vast ook weer foto’s en filmpjes en teksten over wat ik vind van het leven en zo. Maar voor nu even dit – stukje één. Stukje twee volgt! Want je gelooft nooit waar dit alles toe geleid heeft. (Ik maak er een soort soap van, denk ik, inclusief cliffhangers. Maar dan met meer tekst.)


























































