WHAT I’M WATCHING: PRETTY LITTLE LIARS

Pretty Little Liars

Ongeveer twee maanden geleden ging het in mijn klas opeens over Pretty Little Liars, een televisieserie. Ik ben niet goed in het geven van korte omschrijvingen. Wikipedia wel: ‘Pretty Little Liars is een Amerikaanse tienerdrama/mysterie televisieserie. De serie volgt het leven van vier meisjes, waarvan de vriendschap uit elkaar is gevallen na de verdwijning van hun vriendin Alison. Een jaar later krijgen ze berichten van iemand die de naam “A” gebruikt en dreigt hun geheimen bekend te maken.’ Een vriendin haalde me over om ook te gaan kijken. ‘En, waar ben je nu?’ vroeg ze ongeveer een week later. ‘Oh, nog steeds bij aflevering één. Ik snap echt niet waar jullie de tijd vandaan halen, hoor!’ En dat was geen leugen, ik kon gewoon geen aflevering van 40 minuten in mijn dagelijkse schema proppen. Bovendien werd ik er nog niet warm of koud van. Het verhaal vond ik spannend, maar ik had niet de extreme neiging om verder te kijken.

scan

Steeds meer mensen gingen kijken, en opeens kwam Pretty Little Liars tot leven. Een klasgenoot sloeg haar schetsblok open en er viel een briefje uit. ‘I know what you did -A.’ Je kan begrijpen dat er die les weinig getekend werd. Iedereen was verdacht. ‘Nee, ik heb het echt niet gedaan!’ klonk het uit ieders mond. ‘Misschien iemand uit een andere klas?’ Een dag of wat later was er nog een briefje. ‘I love party’s, can’t wait.’ Behoorlijk toepasselijk, met carnaval in het vooruitzicht. Er volgde een telefoontje van een zwijgende beller, een boodschap op het schoolbord. Het meisje in kwestie bleef er behoorlijk rustig onder, lacherig zelfs. ‘Ik zou het toch echt niet grappig meer vinden, hoor!’ zei ik tegen een vriendin. ‘Maar weet je nog niet wie het is dan? Iedereen weet het al behalve zij zelf.’ Het bleken haar drie beste vriendinnen te zijn. Ze nemen elkaar constant in de maling, dus het was ook wel te verwachten. Vlak nadat ik het te weten kwam, ontdekte het meisje het zelf ook. Ze vond een paar ‘A’ briefjes in de tas van een vriendin.

scan

Nog steeds was ik niet verder gekomen dan aflevering één. Dit alles veranderde in de vakantie. In het huisje in Zwitserland was geen internet. Althans, dat dachten we in eerste instantie. Pas na een paar dagen kwam iemand op het idee om het even na te vragen. We kregen een code op een briefje en het hek was van de dam. Vier dagen geen internet, dat had erin gehakt. Whatsapp kon het niet meer aan, mijn telefoon heeft vijf minuten lang aan één stuk door getrild. Die groepsgesprekken ook, je kon wel zien dat iedereen zich verveelde in de vakantie. Nadat alle sociale contacten waren bijgewerkt, besloten Carmen en ik een aflevering Pretty Little Liars te kijken. ‘Maar jij bent toch al veel verder dan ik?’ ‘Ja, maar dat maakt niet uit.’ We keken er één. De volgende dag nog één. En nog één. Uiteindelijk wel zes afleveringen, denk ik. En toen was ik om.

scan

Inmiddels heb ik Carmen keihard ingehaald. Ja, dat gebeurt er als je ziek bent. Vroeger keek ik naar Dora, TellSell en films die ik al tien keer gezien had, nu heb ik Pretty Little Liars. En het gaat hard, als je toch de hele dag in bed ligt. Ach joh, nog maar een aflevering. Ik heb verder toch niets te doen. Eerder vertelde ik al dat ik ’s avonds liever niet kijk. Niet als ik in m’n eentje ben, tenminste. Alleen de begintune vind ik al behoorlijk creepy. Met mijn vijftien jaar heb ik nog nooit een horrorfilm gezien en tot twee jaar geleden vond ik zelfs Harry Potter te eng. Wanneer ik zou kijken terwijl ik alleen thuis was, zou ik constant bang zijn dat A in mijn kamer staat.

scan

Soms lijkt het ook wel alsof het onheil wordt opgezocht door de Little Liars. Ja joh, ik zou voorál uit huis sluipen. En met z’n vieren afspreken op een begraafplaats. Midden in de nacht. Super goed plan. Maar natuurlijk moet je er nooit op die manier naar kijken, dat verpest elke serie. Je moet je gewoon mee laten slepen door het extree spannende verhaal, de fijne muziek, de personages met hun perfecte haar en make-up, de (soms erg knappe) acteurs. Maar niet te veel, dus. Want dan slaap ik niet meer.

CONVINCING WORDS

IMG_8057

Ik zit nu in de derde klas. Eigenlijk heeft dit jaar één centraal thema, namelijk de profielkeuze. Aan de ene kant vind ik het wel leuk. Ik kan de vakken kiezen die ik het liefste doe, zit niet meer in een vaste klas en die afwisseling spreekt me wel aan. Aan de andere kant is het ook wel erg lastig. Want wat nou als je bijna alles ‘wel leuk’ vind? Ik besloot om maar gewoon de vakken te kiezen die me het meest aanspraken. Maar ook dat bleek geen optie: bij bepaalde profielen horen bepaalde vakken, of je die nou leuk vindt of niet.

Ik ben niet de enige die het lastig vind. In mijn klas wordt er natuurlijk veel over gepraat en ook met vriendinnen heb ik het er vaak over. Wat is leuk, wat is verstandig? Welke oudere broer of zus heeft nog een nuttig advies? Laatst zat ik met een vriendin te kletsen en ook toen kwam het onderwerp weer ter sprake. Ze had eindelijk een idee wat ze wilde. Vol enthousiasme begon ze te vertellen. ‘En dan kies ik dus dit, en dit en dat erbij.’ Ik bekeek haar lijstje. ‘Oké, ja leuk! Maar je mag nog een vak kiezen, hè?’ Ze keek verbaasd. ‘Hoezo, nog een vak?’ Ik keek nog eens en telde. ‘Je hebt nu zes vakken gekozen, maar het worden er straks zeven.’ Ze maakte een wegwuivend gebaar met haar hand. ‘Oh, dat hoeft van mij niet hoor. Ik vind zes wel genoeg!’ Tsja, als het eens zo makkelijk was…

Deze week begonnen de voorlichtingen per vak. Elke leraar houdt een praatje over zijn of haar vak. De opbouw kan ik inmiddels dromen. Eerst het vak inhoudelijk: welke onderwerpen worden behandeld, verandert er veel ten opzichte van de onderbouw? Dit onderdeel verschilt per vak, aangezien de inhoud van elk vak anders is. Maar dan volgt er een soort promotiepraatje, en die komen eigenlijk allemaal op hetzelfde neer. Een greep uit de uitspraken:

‘Dit vak is anders dan de andere vakken.’ (Ja inderdaad. Alle vakken hebben een andere naam en gaan over een ander onderwerp. Dat is een bekend feit.)

‘Je hebt er heel veel aan om dit vak te kiezen.’ (‘Maar meneer, het is in principe voor geen enkele studie verplicht, toch?’ ‘Nee… nee, dat is waar.)

‘Het is écht van groot belang dat jullie hier heel goed en serieus over nadenken. Het is een hele belangrijke keuze, voor de rest van je leven.’ (Bedankt voor deze geruststellende woorden.)

‘Dit is wel echt een vak waar je je best voor zal moeten doen.’ (Wat denken ze dat ik daarop ga zeggen? ‘Oh, laat dan maar zitten.’?)

‘Dit vak zou eigenlijk voor iedereen verplicht moeten zijn.’ (Maar dat is het niet. We moeten kiezen. Daarom bent u hier, weet u nog?)

Ook vanuit mijn klas kwamen opmerkingen waar ik af en toe om heb moeten lachen.

‘Krijg je veel huiswerk?’

‘Ik weet het echt niet, hoor. Ik wordt wel gewoon zwerver.’

‘Welke docenten krijg je waarschijnlijk?’ (Die knappe aardige of die oude chagrijnige?)

‘Kan je het nog laten vallen?’

Oh, we hebben ook zo’n fantastische werkhouding, en zijn zo gemotiveerd met z’n allen!

Naast bovenstaande uitspraken kwamen al mijn docenten met een overtuigend verhaal. Even sloeg bij mij de twijfel toe. Had ik niet te vroeg gekozen? Maar wanneer ik dan dacht aan nóg drie jaar aardrijkskunde, of zeven uur wiskunde in de week… Dan wist ik het weer. Gisteren was het zover. Ik was bij iedereen langs geweest: mentor, decaan, leerlingencoördinator, roostermaker, docenten. Ik had goed over mijn keuze nagedacht en besloot het nu maar in te leveren. Dan was ik er vanaf. Ik gaf het formulier aanmijn mentor. Ik heb nooit wakker gelegen van deze keuze, maar toch luchtte het wel op. Ik ging zitten. ‘Zo, ben je eruit?’ vroeg een klasgenoot achter me. ‘Ja,’ zei ik, en ik vertelde wat ik had gekozen. ‘Oké, mooi profiel hoor. Maar wat wil je eigenlijk worden later?’

Ik besloot om maar even niets te zeggen.

LOVE: BRAID AND BEANIE

Braid and Beanie1

Ik leen regelmatig spullen van mijn mama. Voornamelijk sjaals, maar ook hemdjes, t-shirts en schoenen. (Al heb ik daar vaak achteraf spijt van. Zij heeft namelijk 38,5 en ik 39,5… Dat voel ik wel aan mijn voeten, aan het einde van de dag.) Ik vraag het altijd netjes wanneer ik iets wil lenen en het mag ook bijna altijd. Soms blijkt dat mama beter niet had kunnen toestemmen, omdat er dingen  bij mij zo favoriet worden dat ze (bijna) in mijn kast in verdwijnen. Deze keer kon het ook niet anders. ‘Jij mag ‘m ook lenen hoor,’ zei ze toen ze in Arosa een nieuwe muts kocht. Ja, dan vraag je erom. En dat wist mama blijkbaar ook. Het was de maandagochtend na de vakantie, ik ging naar school. ‘Mam, mag ik die muts?’ riep ik door het trapgat. ‘Ik had ‘m al in je kast gelegd.’ klonk er terug. Ze kent me te goed. Bij de eerste keer dat ik de muts opzette was ik verkocht. Heerlijk zacht, warm maar niet té, niet kriebelig, niet te stijf. Een beanie hoort naar achteren te hangen, en dat doet hij. Het is de perfecte muts voor mij. En mocht het op een dag nou echt tegenzitten, je bent er helemaal klaar mee… Dan kan je ‘m altijd nog over je hoofd heen trekken.

Braid and Beanie2

Hij staat ook bij alles. Ik was laatst wat dingen aan het passen, en steeds dacht ik: ‘Oh, dat is leuk met die muts!’ Niet gek: eigenlijk is alles leuk met die muts. Alleen qua haarstijl heb ik een duidelijke voorkeur, namelijk een vlecht aan de zijkant van mijn hoofd. Misschien is het omdat ik het mooi vind staan, misschien omdat ik sinds kort eindelijk zelf een vlecht kan maken. Ik weet het, het is belachelijk dat ik dat als vijftienjarige nog niet kon. Ik deed wel eens een poging, maar dan werd het meer een soort rolletje in plaats van een vlecht. Van mijn achtste tot mijn twaalfde heb ik kort haar gehad, misschien ligt het daaraan? Nee, dat is onzin. Ik heb gewoon nooit zin gehad om er een kwartier op te oefenen om het te kunnen. Mama deed het altijd en dat was voor mij eigenlijk prima. Ik vind het wel lekker wanneer er iemand aan mijn haar frummelt. Maar wat nou als ik straks op mezelf ga wonen? Wat moet ik dan als ik mijn haar in een vlecht wil? Ik kon het maar beter nog een keer proberen. Wonder boven wonder lukte het! (Of eigenlijk niet echt ‘wonder boven wonder’… Zo moeilijk is het niet, ik was gewoon te lui om het te proberen.) Nog niet zo strak en soepel, maar oefening baart kunst. Gelukkig hoef ik het gefrummel aan mijn haar niet te missen. Voor het serieuze invlechtwerk moet ik nog steeds bij mama aankloppen – daarvoor moet ik nog even door oefenen

Ik heb besloten om ‘This week in…’ voortaan op maandag te plaatsen, anders is het zo’n gehaast steeds op de laatste dag van de week!

L’ÉCHANGE

scan

Een tip voor als je ook ooit zo’n collage wilt maken: check eerst of de Belgische vlag nou rood-geel-zwart is of zwart-geel-rood. Het zou je een hoop tijd kunnen besparen. ;)

Na een tijdje heen en weer gemaild te hebben was het zover: de uitwisseling met Frans. Met het vak Frans, bedoel ik. De correspondenten waren Belgisch, uit het Franstalige deel. Voor de uitwisseling van één dag kwamen ze naar mijn school toe. De eerste drie uur zat ik gewoon in de klas. Op de helft van het derde mochten we gaan, maar het leek onze docent beter om meteen te vertrekken. ‘Anders zouden we de les toch alleen maar verstoren.’ Hij zou wel eens gelijk kunnen hebben.

Ik wachtte samen met de anderen in de aula, met uitzicht op straat. Er kwam een bus aanrijden. De spanning steeg. De deur ging open. ‘Jaaa, daar komen ze! Oh, ze zijn allemaal veel ouder. Kijk, kijk! Ik zie de van mij al!’ Rustig, lieve klasgenootjes. Het zijn mensen, geen aapjes in een kooitje. Met z’n allen liepen we naar buiten. Het leek wel geregisseerd. Uit het andere gebouw kwam een groepje leerlingen, wij voegden ons bij hen. Samen stelden we ons op tegenover de Belgische uitwisselingsstudenten, die op een kluitje bij elkaar stonden. Er zat ongeveer vijf meter plein tussen ons in. Ik besloot me eens heldhaftig op te stellen en stak over.

Al snel had ik mijn e-mailvriendin gevonden. Laat ik haar Cecile noemen. Ik tikte haar op de schouder. ‘Bonjour…. j’ai….. tu as…. mijn hemel, euhmm….’ Op papier is mijn Frans behoorlijk. Ik kan mijn hele dagprogramma opschrijven, vertellen over shopsessies (in kledingwinkels of supermarkten), op reis gaan met de trein, het vliegtuig of met de auto. In theorie dus, hè. In de praktijk bleek het allemaal wat anders en moest ik het eerste half uur steeds 30 seconden nadenken voordat ik iets zei. Er vielen dus behoorlijk wat stiltes. ‘C’est un petit peu…’ Ik zocht naar het goede woord. Cecile glimlachte verlegen. ‘Embarrassement?’ ‘Oui.’

Ik en een groepje klasgenoten gaven onze correspondenten een rondleiding door de school. Met z’n alleen hadden ze een stuk meer praatjes, dat bleek wel. Constant had ik het idee dat ze over ons praatten en ons stiekem uit aan het lachen waren. In gebrekkig Frans probeerde ik wat te vertellen over de school. Ici, c’est le couloir pour les cours exactes. Biologie, chimie, physique… De vleugel van de exacte vakken heeft een afgrijselijke gifgroene vloerbekleding. Het doet bijna pijn aan je ogen. Het wordt ook wel ‘de groene hel’ genoemd. Maar ja, leg dat maar eens uit in het Frans. L’horreur vert?

Er stonden verschillende dingen op het programma, onder andere spelletjes. We speelden pesten en deden ‘Wie is het?’ (‘Tu est un garçon? Tu as un chapeau?’) Ook deden we een soort hints, maar dan met plaatjes. Op één van die plaatjes was Kuifje, ook wel Tin Tin, te zien. Al snel kwamen ze erachter dat ik Milou heette, net als, jawel: het hondje van Kuifje. In België heet hij geen Bobbi. Vroeger had ik een t-shirtje van het witte hondje. Daarnaast stond ‘Milou’. Ik was er heel trots op. Deze specifieke dag iets minder.

Je kon er donder op zeggen dat het volgende ging gebeuren. Het was alleen even afwachten wanneer. Tijdens een creatieve opdracht was het zover: we leerden onze correspondenten de woorden die niet in de lesboeken staan (en vice versa). We hielden het nog behoorlijk netjes, hoor. ‘Tu est un pannenkoek.’ ‘Oui, oui, je connais ça! C’est…’ Hij keek nadenkend naar zijn buurman. ‘une crêpe!’ Dat snapten ze natuurlijk niet. Waarom zou je iemand noemen naar iets wat je op kunt eten? We hadden niet echt zin om de hele gebeurtenis met Marco van Basten uit te leggen. Volgende woord. ‘Tu est un koekwaus!’ Tot nog niet zo lang geleden kenden de meeste Nederlanders dit woord ook niet, denk ik. Tot de New Kids het introduceerden doormiddel van hun films. (Behalve het woord koekwaus hebben die films niet echt een goede indruk achtergelaten over Brabant. Even voor de duidelijkheid: we zijn niet allemaal zo. ;)) Onze Franse correspondenten leerden ons ook wat van hun vocabulaire. We zijn er alleen nog steeds niet achter wat het allemaal precies betekent. Uit voorzorg gebruik ik hun termen dan ook maar niet.

Na een sportieve activiteit namen we afscheid. ‘Bon voyage, et au revoir à deux semaines!’ Vele meisjes schrokken toen hun (mannelijke) correspondenten hen zoenden bij het afscheid. Oh ja, dat is heel normaal in Frankrijk (en in België dus blijkbaar ook). Maar toen één van de Nederlandse meisjes haar correspondent een derde zoen wilde geven, werd het écht een luchtkus. Ze was even vergeten dat drie maal alleen in ons landje de gewoonte is. De jongen in kwestie heeft het denk ik nooit geweten – hij was al weg.

* Fouten in de Franse (en/of Nederlandse) teksten voorbehouden.

SCHLITTEN IM SCHNEE

IMG_2170

Naast skiroutes zijn er in ons skigebied ook wandel- en sleeroutes. Als je door de witte sneeuw naar beneden komt sjezen moet je soms uitkijken voor een wandelend echtpaar, een hele familie met buggy’s of soms zelfs een groep paardrijders. Ook de speciale ‘schlittenbahn’, zoals dat hier heet, is zeer populair. Mannen, vrouwen, kinderen – er gingen nog net geen baby’s van die baan af. Het verbaasde me eigenlijk. Die baan was behoorlijk smal, behoorlijk steil, en als je eraf viel… nou, dan viel je behoorlijk diep naar beneden. Maar als al die mensen het er zonder kleerscheuren vanaf brachten, moest dat ons toch ook lukken? We hadden kaartjes gekregen voor het ‘nachtschlitten’, elke dinsdag en donderdag van vijf tot acht ’s avonds. De liften gaan langer naar boven en de baan wordt verlicht. Eigenlijk was ik moe na een lange dag skiën. Met lichte tegenzin pakte ik mezelf weer in met een dikke sjaal, skihandschoenen en moonboots. Ook besloot ik mijn helm op te zetten – je weet maar nooit.

Sleeën1

Er zijn van die dingen waar je eigenlijk geen zin in hebt, maar waarvan je achteraf blij bent dat je ze hebt gedaan. Het sleeën was ook zo’n ding. Ik was een beetje bang dat ik van de baan af zou sleeën/van mijn sokken gereden zou worden/niet zou kunnen remmen of sturen, maar het viel allemaal reuze mee. Ja, het remmen was in het begin lastig. En daardoor ging je ook behoorlijk vaak onderuit. Maar dit zorgde (naast een beetje pijn, maar hé, we kunnen wel tegen een stootje!) vooral voor de slappe lach. Toen ik het hele sleegebeuren enigszins onder controle leek te hebben besloot ik wat harder te gaan. Aan de vele hobbels op de baan had ik niet echt gedacht, en door het feit dat het avond was zag ik ze ook niet echt goed. Ik vloog bijna naar beneden, het leek wel een kermisattractie. Het enige verschil is dat je in zo’n attractie goed vast zit. Op een slee niet.

Sleeën

We vielen behoorlijk vaak dus. Op een bepaald moment lag Carmen beneden, haar slee iets verder boven haar. Ze kon er net niet bij. Ik stond nog aan het begin van de berg. ‘Ik duw mijn slee wel tegen die van jou!’ riep ik. Voordat ik had nagedacht over deze actie gaf ik mijn slee een zet. Je kan al raden wat er gebeurde, natuurlijk. Mijn slee ging met een grote boog om die van Carmen heen en reed met een rotvaart door naar beneden. Ik gleed naar Carmen toe. Dan maar samen op één slee. Met z’n tweeën heb je natuurlijk veel meer snelheid. Ook nu kwamen de hobbels weer, en al snel lagen we in de sneeuw. Onze slee bleef echter niet liggen – nee, ook slee nr. 2 naderde de finish zonder bestuurder. (Je kan je voorstellen dat dit alles niet zo heel vlot ging, omdat we continu zo hard moesten lachen dat het pijn deed.)

Sleeën2

Het heeft ook wel iets, dat nachtsleeën. Doordat het donker is zie je niet zo goed waar je heen gaat. Dit zou je een nadeel kunnen noemen. Aan de andere kant zie je ook niet hoe steil die hellingen eigenlijk wel niet zijn, en roetsj je dus zorgeloos naar beneden. Naast dit alles is het ook gewoon erg mooi, zo ’s avonds tussen de bergen. De lampen die de piste verlichten laten de sneeuw glitteren. De lucht kleurt allerlei tinten blauw. Net als mijn achterwerk, na zo’n sleetochtje. Ook mijn middenrif doet pijn, maar dat is van het lachen.

GODI IN A GOLDEN FRAME

IMG_2147

Dit is niet echt een passende foto bij deze post… Maar het is wel een leuke foto, dus ik vond het wel kunnen.

Aangezien ik pas één jaartje (een beetje) kan skiën, en het voor Carmen al acht jaar geleden was, leek het ons slim om een lesje te nemen. We zaten te wachten voor de skischool, mama was binnen om te kijken waar en wie onze leraar was. Na een tijdje kwam ze naast me zitten. ‘Hij heet Godi.’ Ik reageerde niet op zijn naam (want er zijn een hoop skileraren met een (in onze ogen) rare naam). Nee, het eerste wat ik vroeg was: ‘En is ‘ie een beetje knap?’ ‘Ja, dat weet ik niet.’ Carmen, die naast me zat, beëindigde het telefoongesprek met haar ouders. Mama vertelde haar over onze skileraar. ‘Is ‘ie knap?’ was ook haar eerste vraag. We zeggen vaak dezelfde dingen, meestal ook nog op hetzelfde moment. Het verbaasde ons niets.

We gingen nog even snel naar het toilet. Toen we weer terugkwamen zag ik mijn ouders praten met een man. Een oude man. ‘Hij is niet knap, Carmen.’ zei ik over mijn schouder. Erg vond ik het eigenlijk niet. Een knappe leraar zorgt alleen maar voor veel afleiding en extra veel schaamte wanneer je onderuit gaat. Ik schat Godi ruim zestig jaar oud. Zijn skibril stond permanent op zijn voorhoofd, als een witte vlek. Vanaf onder zijn neus was zijn huid zo bruin als cognac, en had het de structuur van leer. Hij was erg vriendelijk een sprak ‘ein beetje Nederlandsch.’ We stelden ons voor, de ski’s werden gehaald en we kluunden naar de lift.

We belandden midden in de ‘na de lunch drukte.’ Iedereen wil dan weer met de lift naar boven. Iets voor ons in de rij stond een jonge skileraar met een stuk of acht kleine kinderen. En druk dat ze waren! Ze stonden allemaal met hun tong naar buiten in elkaars gezicht te spetteren. ‘Jongens, niet spugen!’ sprak de jongen. ‘Die kleine kinderen zijn altijd zo lastig,’ zei Godi tegen mij. De kinderen gingen vrolijk door. ‘Nee, echt niet doen! Ophouden met spetteren, straks mogen jullie een sneeuwballengevecht doen.’ ‘Jeeeeeej!’ klonken acht hoge stemmetjes, en ze begonnen al om zich heen te grijpen. ‘Niet nu!’ Godi zuchtte. ‘Arme skileraar.’ Ik lachte. ‘Wij zullen ons gedragen hoor.’

Eenmaal boven oefenden we met parallel skiën en stoppen (dat laatste is leuk, dan kan je zo’n hele wolk van sneeuw maken.) ‘Niet vallen, hu!’ zei hij telkens. Maar toen het wel gebeurde (één keertje maar!) kwam hij alsnog de hele berg terug opgelopen. ‘Hu’ was zijn stopwoordje, hij zei het na elke zin. ‘Gaat goed, hu? Jullie komen achter mij aan, hu!’ Maar dat deed niets af aan het feit dat hij een hele goede leraar was. We merkten het ook aan zijn populariteit op de piste. Iedereen kende hem. ‘Heee Godi!’ zei de man bij de lift. Hij kreeg knikjes van vele kanten, mensen die bij hem op lessen hadden gezeten spraken hem aan. Hij was een soort opperskileraar.

Na ongeveer anderhalf uur kwamen we langs een kampvuur aan de zijkant van de piste. Boven het vuur hing een ketel. Om het vuurtje heen zaten een hoop mensen op boomstammen, met witte bekertjes in hun hand. ‘Zullen we even iets drinken?’ vroeg Goddi. ‘Even snel.’ Ik keek naar de ketel met glühwein. Maar, dat is met alcohol, toch?’ ‘Nee, je kan kiezen.’ (‘Aah, wat saai, Milou!’ was de reactie van één van mijn medevakantiegangers. ‘Heel verstandig.’ zei een ander. Vervolgens schoot hij in de lach. Hmm, allebei niet echt een compliment, wel?) Ik vind glühwein niet lekker, dus waarom zou ik het drinken? In plaats daarvan kregen we een soort warme limonade. Wat ook niet echt lekker was, eigenlijk. Vooral heel zoet. Maar toch wel gezellig, zo’n kampvuurmomentje.

Na twee uur kwamen we weer veilig beneden. ‘Jullie hebben das sehr gut gedaan!’ zei Godi. Voor de les waren Carmen en ik nog gaan kijken in het gebouw van de skischool. Daar hangen foto’s van alle leraren op de muur. Godi konden we niet vinden. Maar na de les snap ik wel waarom. Hij hangt waarschijnlijk op een ereplekje, in een gouden lijstje.

PICTURE THIS: DON’T JUDGE A GIRL BY HER SHOES

IMG_7848

Een grijze maandagmorgen, ik zat bij Duits. ‘Konrad Ardenauer ist vielleicht der bekannteste Deutsche Bundeskanzler. Nach dem Abitur…’ Tot hier ging mijn concentratie. Ik keek uit het raam, waar zojuist een hele bups achtste groepers het brugklasgebouw inliep voor een rondleiding. ‘Waarom heeft ze die schoenen aan?’ sprak mijn vriendin naast me. Mijn oog viel op een meisje dat op flinke hakken naar binnen wiebelde. Dat vroeg ik me nou ook af, want 1. Het is koud. Zulke schoenen zijn niet leuk als het koud is, al helemaal niet wanneer je, net als dat meisje, er met blote voeten in zit. 2. Ik ben van mening dat je eerst op hakken moet leren lopen voor je ze daadwerkelijk gaat dragen. Dat scheelt je waarschijnlijk een hoop gênante momenten. (Ik spreek uit ervaring.) (Trouwens, iedereen moet het ook lekker zelf weten, hoor. Ik geef slechts mijn bescheiden mening.)

Ik wendde me weer tot mijn vriendin. ‘Ach ja, zij dacht waarschijnlijk: ik ga voor het eerst naar de middelbare school. Laat ik mijn hakken aan doen.’ En dat snap ik ook wel. Toen ik op al die scholen ging kijken zorgde ik ook dat ik een grote tas bij me had. Het enige wat erin zat waren koekjes en een pakje Dubbelfris. Maar het zou mij niet gebeuren dat ik daar de hele tijd mee in mijn hand moest lopen. Dat was niet cool, vond ik destijds. In de eerste klas wist ik niet hoe snel ik weer van die grote tas af moest komen, maar dat even terzijde.

‘Maar Milou, zij zit hier al op school, hè. In de derde. Ze gééft de rondleiding.’

Oh.

Zo zie je maar: je moet nooit boeken op hun kaft beoordelen. En meisjes niet op hun schoenen.

LOVE: GOOGLE

scan

Google is mijn held. Waarom? Om te beginnen is het een zeer handige startpagina. Hoezo? Je hebt toch zo’n zoekbalkje rechts bovenin je scherm? Maar zoals ik al eerder op mijn blog heb gezegd: ik ken mezelf. Wanneer ik Nu.nl, Twitter of Facebook instel als mijn startpagina is daar altijd wel iets interessants te zien. Vooral bij de ‘Opmerkelijk’ pagina van Nu.nl kan ik lang blijven hangen. ‘Middelbare scholieren moeten intekenen voor wc-papier’, ‘Dieven stelen voor 50.000 euro aan chicken-wings’ of ‘Begrafenisstoet rijdt door drivetrough’. Zeg nou zelf, wanneer je zoiets leest, wil je daar toch meer over weten? Oké, misschien ook niet. Ik wel, in ieder geval, dus wanneer ik dan voor school iets moet opzoeken ben ik zo een half uur verder. Google als startpagina is  mijn oplossing. Ik ga namelijk niet bewust zoeken naar nieuws over een vermiste schildpad die al dertig jaar op zolder zit. Het nieuws op die opmerkelijk pagina is zo… opmerkelijk, dat ik het niet eens kan bedenken.

Google is dus handig tegen de afleiding, wanneer ik bezig ben voor school. Maar ook tijdens schoolopdrachten kan het hulp bieden. Bij Frans, bijvoorbeeld, zijn we bezig met een uitwisseling. Hiervoor sturen we mailtjes aan kinderen uit het Franstalige gebied van België. In het Frans dus. Leuk om te doen, maar heel diep gaat het allemaal niet. Dat krijg je ervan wanneer je alleen maar voorgekauwde zinnetjes uit je boek leert. Ik kan bijvoorbeeld zeggen ‘Moet je het kaartje afstempelen?’ (Il faut composter le billet?). Ook kan ik mijn voicemail instellen in het Frans (Laissez-moi un message après le bip sonore.). Maar woorden die een zin een beetje lekkerder laten klinken, beter laten lopen, die staan er niet in. Dingen als ‘in ieder geval,’ ‘maar goed,’ of ‘ik weet niet hoe het met jou zit’ zijn niet aanwezig op de Pages Jaunes, de woordenlijsten in mijn boek. En daar komt Google weer om de hoek kijken. Translate! En ik verdenk mijn correspondentiemaatje ervan dat zij het ook gebruikt (‘Ikk ben heel blij van een e-mail te krijgen , ik wacht er heers lang op :)’ Maar ik mag niets zeggen natuurlijk, mijn Frans zal ook verre van foutloos zijn. Ik denk dat we hard gaan lachen samen, op de dag van de uitwisseling.)

scan0001

En dan nog even in het kort waarom ik het zo geweldig vind. Google Maps helpt me bij mijn gebrek aan richtingsgevoel. Daarnaast wordt je, wanneer je via Google Maps een route plant van Japan naar Hawaï, doodleuk verteld om even de Grote Oceaan over te kajakken. Dat je snake kan spelen wanneer je een YouTube-filmpje aan het laden bent (want dat is tegenwoordig ook van Google.) De aparte Doodles waarin ze hun logo veranderen op belangrijke dagen (zoals daar zijn: de 150e verjaardag van de metro, 9 januari, of Chinese Valentijnsdag, 23 augustus. Om maar even wat te noemen). Dat Google alles weet. Iets wat ik altijd nog een keer wil invullen bij een werkstuk: Bron: Google. (Oei, oei, oei, als er één manier is om mijn docent Nederlands op de kast te krijgen…)

En nou weet ik wel dat Google eigenlijk een groot gemeen bedrijf is, wat je gegevens opslaat en daar veel geld aan verdient. Dat je door hen steeds banners van de Zara op je scherm kijkt, omdat ze weten dat je hun webshop hebt bezocht. En dat je daardoor spullen van de Zara gaat kopen en Google daarmee op de één of andere manier de wereld gaat overnemen. Maar jongens, dat is nu nog allemaal niet aan de hand. Voor nu is Google mijn held.

PICTURE THIS: A LONELY SHOE ALONG THE ROAD

IMG_7776

(Oké, dit is eigenlijk geen eenzame schoen op straat. Hij heeft wel degelijk nog een rechtervriendje, en die woont bij mij in de kast.)

Stel je voor. Een lange fietstocht door de gure wind. Een verlaten weg, op af en toe een tegenligger na. Mijn oog valt op een voorwerp langs de weg. Wat het is is onduidelijk. Ik ben er ongeveer 20 meter van verwijderd. Een verpakking van iets? 10 meter. Nee, het is niet van karton. 5 meter. Hè? Ik rijd erlangs. Precies op de scheiding tussen de berm en de weg staat een schoen. Het lijkt wel of ik ze de laatste tijd vaker tegenkom. Terwijl ik juist zou denken dat er in de winter geen enkele reden is om ze uit te doen.

Kijk, met handschoenen is het een ander verhaal. Ik kan me precies voorstellen hoe dat gaat. Je zit op de fiets, omdat het koud is heb je handschoenen aangedaan. Maar nu beginnen ze toch enigszins plakkerig aan te voelen. Een beetje onhandig probeer je ze uit te trekken. (Onhandig, want je hebt of maar één hand aan het stuur (lekker wiebelen dus), of je doet het met de kracht van je lippen. En dat, kan ik je vertellen, ziet er nogal vreemd uit. Om het nog niet te hebben over wanneer je ze juist áán wilt trekken.) Dat loopt dus nooit zo soepel, waardoor het kan voorkomen dat je een handschoen laat vallen, wat je niet opmerkt omdat je al lang blij bent dat je ze uit hebt gekregen zonder op je smoel te gaan/ tegen iemand aan te rijden. (Of je merkt het wél, maar bent gewoon te lui om terug te rijden. Kan ook.) Die handschoenen langs de weg, daar kan ik nog wel een redelijke theorie voor bedenken. Maar een schoen?

Het zijn er ook nooit twee. Dat iemand dacht: ‘En nou ben ik er klaar mee.’ En dat hij dan zijn schoenen uittrekt, ze keurig naast elkaar in de berm zet en voortaan blootsvoets door het leven gaat. Ook dit zou ik niet snappen, mét schoenen heb ik al koude voeten, hoe moet dat dan zijn zonder? Maar wanneer ik zo’n eenzame schoen langs de weg zie staan, kan ik daar met mijn verstand niet bij. Een handschoen ongemerkt laten vallen, dat kan gebeuren. Maar schoenen vallen niet zo makkelijk van je voeten af, en wanneer ze dat wel zouden doen, zou ik ook niet te lui zijn om terug te rijden. En de meeste mensen met mij, denk ik, om eerdergenoemde redenen.

Ik rijd tien keer per week dezelfde route naar school, en soms ligt daar opeens zo’n vergeten schoen. Telkens wanneer ik erlangs rijd moet ik er naar kijken. En dan, na een keer of vijf, zes, passeren, is hij vaak weg. Niemand weet waarheen. Misschien gewoon opgehaald door de vuilnisdienst, maar dat vind ik wel een heel onromantisch einde van dit verhaal. Ik stel me liever voor dat er tóch iemand naar op zoek was. Schoen herenigd met eigenaar. Maar, misschien nog belangrijker: met zijn linker- of rechtervriendje. En ze leefden nog lang en gelukkig.

LOVE: LITTLE THINGS THAT MAKE ME HAPPY

IMG_0374

– Dat ik na dagen (maar het lijkt wel maanden) de blauwe lucht weer heb gezien. Hartstikke leuk hoor, al die sneeuw, maar als het verandert in spiegelglad ijs op de weg ben ik er wel een beetje klaar mee. Zondag werd mijn wens beantwoord, door de komst van een hele hoop regen. Tsja… Het ene kwaad had plaats gemaakt voor het andere. Ik zag mezelf al nat en bibberend op school komen de volgende dag. De koele maar blauwe lucht deze ochtend maakte me dus erg blij. En toen ik het na gym erg warm had en buiten de zon scheen had ik bijna het idee dat het lente was. En ook al is het niet waar, toch wordt ik er vrolijk van.

IMG_7724

– Een schoon, nieuw, wiskundeschrift. (Ik heb het dus niet over wiskunde zelf, hè. Niet dat ik het zo’n ramp vind, maar gelukkig word ik er niet van.)

– Blog-gerelateerde dingen: heel veel leuke reacties, nieuwe (onbekende) bezoekers, stijgende cijfers. En – totaal onbenullig, maar toch: wanneer je ‘milou’ + mijn achternaam intypt op Google, er ‘blog’ achter verschijnt.

IMG_7727

– Dit briefje wat ik kreeg van een jongen uit mijn klas. Heeft geen verdere uitleg nodig, toch?

– Onverwachte leuke dingen. Ik heb vandaag kinderen uit groep acht rondgeleid op onze school. Ik stond niet ingeroosterd, maar er werd iemand ziek. Dat is natuurlijk niet leuk, maar dat betekende wel een extra rondleiding voor mij. Het is echt zo leuk om te doen. Door de school wandelen, dingen vertellen die voor mij heel logisch lijken maar dat absoluut niet waren toen ik zelf in groep acht zat. Ik herken mezelf ook wel terug in die kinderen. Vaak zijn ze nogal druk van opwinding, constant vragen afvurend. Maar als ze dan een lokaal binnenlopen om even te kijken, durven ze vaak niet zo ver. Het zijn toch allemaal ‘grote kinderen’ die daar vlak voor je zitten. En dat er steeds net iets te hard ‘Ahh, wat schattig!’ geroepen wordt, helpt natuurlijk ook niet echt. Tegen ons lijken ze echter alles te durven zeggen. ‘Zijn er veel knappe jongens op deze school?’ Aan de andere kant komen ze dankjewel zeggen na de rondleiding. En dan kan ook ik het niet laten te denken: ‘Nahh. Wat schattig.’

– Complimentjes van onbekenden. Tijdens zo’n rondleiding lopen er ook ouders en leerkrachten mee en ook zij stellen natuurlijk vragen. Nadat we de route hadden afgewerkt sprak één van de ouders mij nog aan omdat ze nog met wat vragen zat. Ik probeerde alles zo goed mogelijk te beantwoorden, daar ben ik voor op dat moment. Het gesprek ging van het één over in het ander, en eindigde met een hoop complimentjes. Dat ik het zo leuk vertelde allemaal, dat ik goed in mijn schoenen stond en dat dat te zien was. Dat ik zo te horen heel bevlogen bezig was met de dingen die ik deed. ‘Maar ga nu maar pauze houden, hoor!’ Een beetje verbaasd maar ook blij liep ik weg.

Zo verandert een doorsnee maandag in een dag die ik me zal herinneren, om al deze kleine dingetjes.