FOR MEN

For men

Vanaf het moment dat ik kon lezen, heb ik een onschuldige afwijking ontwikkeld: ik lees alles wat ik zie, of ik het nu wil of niet. Vandaag was dat onder andere de tekst op een fles douchegel. Het was er één van mijn broer – die gebruik ik het liefst. Dat begon een paar jaar geleden, in de tijd dat hij behoorlijk fan was van Abercrombie & Fitch. In de winkels van dit kledingmerk lopen regelmatig knappe halfnaakte mannen rond, het is er zo donker dat je een zaklamp nodig hebt om de kleding te bekijken – en het ruikt er naar de hemel.

(Niet dat ik daar ooit geweest ben, natuurlijk.  Maar mocht het bestaan, dan denk ik dat het ruikt als ‘Fierce’ van Abercrombie.)

Op een goede dag bleek er ook Fierce-douchegel te bestaan, waar direct een voorraad van werd ingeslagen. De Abercrombie-manie is inmiddels weggeëbd, en dus ook de heerlijke geur die ermee gepaard ging. Maar nog steeds gebruik ik de douchegels van mijn broer, omdat ze simpelweg lekkerder ruiken dan die van mij.

Momenteel staat er Nivea for Men in onze badkamer. Wel gek eigenlijk: douchegel for women bestaat niet. Alsof mannen – mocht de specificatie for men op de fles ontbreken – vergeten dat ook zíj af en toe moeten douchen. Wat wil die term überhaupt zeggen? Nadere inspectie leerde mij dat Nivea for Men was ontwikkeld ‘especially for mens skin’. Ik heb zo’n vijf jaar biologie gehad en kan allerlei fysieke verschillen tussen mannen en vrouwen noemen, maar dit is toch langs mij heen gegaan.

Wat is er zo speciaal aan douchegel voor mannen? Uit een kleinschalig onderzoek kon ik de volgende generieke eigenschappen afleiden. Ten eerste de kleur van de fles: grijs, blauw of zwart. Dan de geur: douchegels voor mannen ruiken naar mannen – op een andere manier kan ik het niet omschrijven. Deze associatie ontstaat natuurlijk doordat het voornamelijk mannen zijn, die douchegels voor mannen gebruiken. Volg je me nog? Een typisch gevalletje kip en ei.

Natuurlijk weet ik dat douchegel for men maar bestaat om één reden: geld. Het is pure marketing, die gericht is op mannen die stuurloos voor het schap met toiletartikelen staan, overdonderd door ál die keuzes. In hun ooghoek zien ze een rijtje donkerblauwe flessen, waar in blokletters FOR MEN opstaat. Daar grijpen ze natuurlijk naar, opgelucht dat de keuze al voor hen gemaakt is. Vrouwen gebruiken het vervolgens niet, want het is for men en het ruikt ook naar men. Zij kopen dus hun eigen fles, die waarschijnlijk ook nog duurder is dan een vergelijkbaar ‘mannelijk’ product. Er zijn allerlei onderzoeken gedaan naar deze zogeheten Pink Tax, waardoor een roze scheermes meer kost dan een blauw exemplaar. Bij de producent rinkelt de kassa.

Dit soort genderspecifieke marketing beperkt zich overigens niet tot toiletartikelen. Een uiterst irritant voorbeeld komt van Optimel. Momenteel word je doodgegooid met een spotje, waar Optimel wordt aangeprezen als vrouwenproduct. ‘Ik ben moeder, dochter en vriendin. (…) Ik ben lekker relaxed. Ik ben vrouw, maar ik ben vooral mezelf.’

En dus drink ik Optimel? Het verband ontgaat mij hier volledig. Bovendien: waarom zou je dit doen? Als marketing gericht is op geld verdienen, lijkt het me in veel gevallen helemaal niet lucratief je te richten tot één sekse. De helft van de wereldbevolking behoort dan opeens niet meer tot de doelgroep. Ik kan me voorstellen dat tampons lastig te verkopen zijn aan klanten zonder baarmoeder. Maar er zijn vast vrouwen die graag Snickers eten, of die met enige regelmaat een drilboor gebruiken. Er zijn genoeg mannen die houden van Optimel, misschien ook nog ‘lekker relaxed’ en ‘zichzelf’ zijn – maar geen moeder, dochter, vrouw.

AWKWARD

De jeugd van tegenwoordig maakt veelvuldig gebruik van Engelse woorden in hun dagelijkse conversaties. Afkortingen zijn populair: op WhatsApp zijn de lol’s, wtf’s en omg’s niet van de lucht, maar ook in het echte leven schromen tieners niet dit soort termen te gebruiken. Er is er één die het tienerbestaan perfect typeert. Bij voorkeur in een luide meisjesstem: awkward!

Want awkward, dat is het leven van een puber nu eenmaal vaak – ik spreek uit ervaring. Tussen mijn dertiende en vijftiende vond ik vrijwel alles gênant. Dat komt door een combinatie van factoren, denk ik. Ten eerste legt mijn brein voortdurend allerlei verbanden. Meestal best handig, maar soms zit er een verband tussen dat nergens op slaat. Dat flap ik er dan uit, en vaak midden in mijn zin denk ik al: néé! Hoe kan ik dit nu zeggen?

Me schamen voor andere mensen, daar was ik ook erg goed in. Als stereotype puber pretendeerde ik geen kind van mijn ouders te zijn, wanneer ze iets deden wat ik écht niet vond kunnen. Nog steeds ervaar ik regelmatig plaatsvervangende schaamte. Ongemakkelijke situaties op televisie, vreselijk acteerwerk in films; het maakt dat ik wegkijk, omdat ik het gewoon níét kan aanzien.

Ten slotte vul ik snel andermans gedachten in. Dan gebeurt er iets ongemakkelijks, en hóór ik de mensen om me heen haast denken hoe gênant het wel niet is. Met de jaren ben ik er wel achter gekomen dat iets wat voor jou heel opvallend leek, door een ander vaak nauwelijks is opgemerkt. Het is natuurlijk ook egoïstisch om te denken dat iedereen maar de hele dag op jou staat te letten. Echter, door zo’n uitroep – awkward! – vestig je wel degelijk de aandacht op wat je zojuist gedaan hebt. Zo graaf je dus je eigen graf.

Schermafbeelding 2016-03-09 om 21.05.03

Vriendin Marre stuurde me laatst bovenstaand plaatje. ‘Story of my life!‘ antwoordde ik. (In het Engels, ja. Ik behoor zelf ook tot de jeugd van tegenwoordig.) Schaamte over je vroegere zelf. Een vorm die ik als enige dacht te kennen, maar dat bleek dus niet het geval. Mocht dit wel nieuw zijn voor je, laat het me dan uitleggen. Het kan op elk willekeurig moment op komen zetten, maar mij overkomt het vaak als ik in bed lig. Ik ben rustig het leven aan het overdenken, mijn gedachten dwalen af en BAM! Daar is het: een ongemakkelijk moment uit het verleden. Iets wat ik deed of zei, en wat me zelfs nu nog – gerust vijf jaar later – onder mijn dekens doet kruipen, met de wens om niet meer te bestaan.

Een vraag aan de oudere lezer: gaat dit ooit voorbij? Is schaamte slechts een puber-ding? Ik denk het niet. Er komen waarschijnlijk nog genoeg momenten waarop ik graag even door de grond zou zakken. Wel ontwikkel je een gezonde dosis relativeringsvermogen, die maakt dat je sneller onder de grond (of dekens) vandaan durft te komen. Daarbij krijg je iets meer schijt aan de ongeschreven regels, iets meer bluf, en ontstaat het besef: het leven is zo awkward als je het zelf maakt.

ZEVENENZEVENTIG DAGEN

Over zevenenzeventig dagen ben ik geen middelbare scholier meer. Dat weet ik omdat 1.) het geregeld paniekerig door de klas geroepen wordt en 2.) ik het net heb nageteld in mijn agenda. Ik wil jullie natuurlijk geen foutieve informatie verstrekken. Toen ik in de brugklas zat, had ik behoorlijk wat ontzag voor de eindexamenleerlingen. In de hoogste klassen, daar zaten de mensen die hun shit voor elkaar hadden. (En de knappe jongens, die zaten er ook.) Met de jaren nam dat ontzag wel wat af, maar ik had nog steeds het idee: in de zesde gaat het gebeuren. Inmiddels ben ik erachter dat dit wel meevalt. Er gebeurt niet per se méér in de zesde. Het is enkel dat alles voor het laatst gebeurt.

Bij scheikunde brouw ik nog één keer toverdrankjes. Zo voelt het na vijf jaar nog steeds – alleen de koperen ketel ontbreekt. Het ziet er allemaal deskundig uit, dankzij die labjassen en –brillen. Ik weet wat ik moet doen en ook ongeveer waarom. Maar stiekem ben ik nog steeds verbaasd wanneer twee kleurloze vloeistoffen samen ineens roze worden. (Of dat voortkomt uit een gebrek aan begrip of een overvloed aan verwondering, laat ik graag in het midden.)

Tijdens filosofie maakten we plannen voor De Laatste Schooldag. Met hoofdletters ja – we hebben allemaal ambitieuze ideeën. Wat er daadwerkelijk van terechtkomt moet ik nog zien, maar de voorpret is al meer dan leuk. Bij Frans plannen we nog even zes toetsen in drie weken. Ik maak nog één keer stampij over iets waar ik het niet mee eens ben. Voor Nederlands zoek ik twaalf samenvattingen op Scholieren.com.

(Nee hoor, ik heb mijn lijst braaf gelezen. Maar mag ik wel even van dit moment gebruikmaken om – ik denk namens de gehele bovenbouw – Kees van der Pol te bedanken? Geen idee wie het is, maar zijn samenvattingen zijn top.)

Mijn agenda wijkt niet van mijn zijde, momenteel. Dagelijks breng ik minstens tien minuten bladerend door, pogend overzicht in mijn hoofd te creëren. Dat lukt soms wel, soms niet. Waar dat geblader sowieso in resulteert, is dat ik vooruit leef. Alles gaat over wat er hierna komt. Over zoveel weken, zoveel dagen. De laatste toetsen, deadlines, examens. Vakantie. En dan daarna: studies*, kamers, lotingen – op naar de tijd van mijn leven.

Ik vind het niet gek dat ik met mijn hoofd al in de toekomst ben. Ik ben wel klaar hier, namelijk. Tijdens leswisselingen erger ik me kapot aan stoeiende brugklassers en vraag ik me af waar die kinderen in hemelsnaam de energie vandaan halen. Vrijwel alles is irritant, saai en vermoeiend. Het is verleidelijk om te denken: in september gaat het gebeuren.

Leven van moment tot moment. ‘Als ik daar ben, dan…’ Dan niks, blijkt vaak genoeg. Eenmaal ‘daar’, blijkt het vaak heel gewoon, en bovendien is er direct wel weer iets anders om naartoe te leven. In die zin is het leven één grote anti-climax, waarin vrijwel niets exact is zoals je verwacht had. Ik zal nooit ál m’n shit voor elkaar hebben. Er is altijd wel een los eindje, twee schroefjes en een moertje waarvan niemand weet wat ermee moet. Ook al heb je heel precies de handleiding gevolgd.

(Gebruikte ik zojuist een IKEA-meubel als metafoor voor het leven? Jazeker.)

Je zou dit kunnen opvatten als pessimistisch, maar zo is het niet bedoeld. Wat ik wil zeggen: ik ben klaar voor de toekomst. Ik heb zin om nieuwe vrienden en herinneringen te maken. Maar ik wil de periode ervoor niet vanzelfsprekend achten. Want achteruit leven doe ik ook. Ik weet zeker dat ik over een aantal jaar zal terugdenken aan leuke momenten op de middelbare school. Werkweken die voelden als extra vakantiedagen, veels te flauwe grapjes over natuurkundige verschijnselen, eindeloze lachbuien tijdens het achtste uur. Maar die herinneringen, daar zit ik nu nog middenin. Dus hoe gewoon het momenteel ook lijkt, ik wil ervan genieten – voor de zevenenzeventig dagen dat het nog duurt.

* Ik had het nog niet echt vermeld hier, maar long story short: het is gelukt. Volgend jaar doe ik Audiovisual Media op de HKU!

CONTEMPORAIN/MERITES/PRECAIR

scan0013

Het was zo’n week waarin al mijn pennen opraakten. Dat lijkt bij mijn gehele etui-inhoud steevast simultaan te gebeuren. Als menstruerende nonnen in een klooster passen mijn pennen hun leegloop op elkaar aan.

Bij biologie bepaalden we onze bloedgroep. Dat wil zeggen, de klas minus mijzelf. Ik voelde niet de behoefte me te prikken met een naald, die dag, dus ik besloot ervan af te zien. Geconcentreerd druppelden klasgenoten antistoffen op glazen plaatjes. Met cocktailprikkers roerden ze hun bloed er doorheen.

Bij het opruimen was behoedzaamheid geboden. Het besmeurde glas werd door de docent ingezameld. Bloed van alle soorten kringelde door een gele teil. Daarin bevond zich een mengsel van dood en verderf, dat al wat nog leefde accuut onschadelijk zou maken. Mijn schone objectglazen vielen met een plons in het bloedbad.

scan0011

Ik maakte rondjes op mijn telefoon. Ik bekeek Instagram, Facebook, Twitter, als ik goede zin had nog Magister – en dan begon ik weer van voor af aan. Maar na een x aantal rondjes valt er niets meer te refreshen. Dat betekent doorgaans dat ik iets nuttigs moet gaan doen – of een nieuwe app moet downloaden.

Op Facebook bleek innovatie te hebben plaatsgevonden. Naast het aloude liken kunnen we tegenwoordig ook loven, wowen en wat dies meer zij. Ik miste een ‘ok’ of ‘zal wel’ onder de nieuwe iconen. Maar misschien geef je dat signaal al af door simpelweg nergens op te klikken.

scan0012

Het was een inconsistente week. ‘Inconsistent’ betekent ‘gebrek aan samenhang’ of ‘innerlijke tegenstrijdigheid’. Dat weet ik, want ik moest woorden leren voor een SO Nederlands. Ik heb geprobeerd er een aantal in dit stuk te verwerken – misschien onthoud ik ze dan een dag langer. Schrik dus niet als je plots ergens ‘jurisprudentie’ ziet staan (‘eerdere uitspraken over een juridische kwestie’).

Die woorden leerde ik via WRTS, een online overhoringsprogramma. Vraag me niet waarom, maar mijn gebruikersnaam is daar ‘Bob’. WRTS probeert leerlingen te motiveren doormiddel van geautomatiseerde kreten. ‘Heel goed, Bob,’ stond er dan op mijn scherm, ‘je bent er bijna!’ Of ‘Wat jammer Bob, geen voldoende. Leer deze woordjes nog maar een keertje.’ Er stond nooit: duurt lang, Bob. Geef jezelf een schop onder je kont, Bob. Terwijl ik dat juist wel had kunnen gebruiken. Het was namelijk een niksige week, waarin ik over vrijwel alles mijn schouders ophaalde. Niets had urgentie.

(Eén nacht heb ik zelfs mijn kastdeur open laten staan. Geen zin om er nog voor uit bed te komen. Het monster dat ’s nachts achter mijn truien woont zou me mogelijk in mijn slaap vermoorden, maar dat risico nam ik voor lief.)

Lukewarm is no good, zei Roald Dahl ooit, en ik kan het alleen maar met hem eens zijn. Als ik iets irritant vind, is het onverschilligheid. Bij anderen, maar des te meer bij mezelf. Dus kocht ik vanmiddag een paar nieuwe pennen bij de Hema. Je moet ergens beginnen.

WAT WOORDEN OVER CIJFERS

Zeven uur, vrijdagochtend. De cijfers voor wiskunde staan op Magister. Met mijn slaaphoofd scrol ik de lange lijst getallen door. Onderaan prijkt – onder een 6,3 en een 5,5 – een dikke 7,8.

Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker heeft ervoor gezorgd dat leerlingen die met een 8,0 of hoger slagen, de vermelding ‘cum laude’ op hun diploma krijgen. Voor mij was het tot en met de derde klas mogelijk, maar inmiddels heb ik het opgegeven. Mijn bèta-capaciteiten acht ik niet toereikend.

Waarom ik het zou willen is de vraag. Natuurlijk staat het mooi op mijn diploma, maar voor mijn vervolgstudie heb ik het niet nodig. Bovendien weiger ik te accepteren dat één rijtje getallen zou weerspiegelen hoe het met mijn intelligentie gesteld is. Maar toen ik vanochtend die 7,8 op Magister zag staan, schoot het toch door mijn hoofd: misschien kan het nog. Cijfers – ik hecht er meer waarde aan dan ik zou willen.

Onze gehele maatschappij is gebaseerd op getallen en statistiek. Ze vormen de basis voor beleid. Een stijging van dit? Dat resulteert in strengere maatregelen. Een daling van dat? Dan wordt de subsidie ingetrokken. We hebben cijfers nodig om een mate van objectiviteit te bereiken, waardoor we zaken met elkaar kunnen vergelijken en toetsen. Maar of dit op alles toegepast moet worden, vraag ik me af.

De middelbare school is hier een treffend voorbeeld van. Aangezien cijfers bepalen of je wel of geen diploma haalt, is dat hetgeen waar leerlingen op focussen. Bovendien zijn we het gewend; al vanaf de kleuterklas worden we getoetst en beoordeeld. Deze cijfergerichtheid resulteert in strategisch leren: niet om te willen weten, maar om een bepaald cijfer te halen. Dan heb ik het niet over de zogeheten ‘zesjescultuur’. Of je nu gaat voor een dikke acht of een nipte zes, je leert voor het resultaat – niet voor de kennis die daarachter schuilt. Pragmatisch is het zeker, wanneer je een diploma wilt na een aantal jaar middelbare school. In termen van kennis is het een minder geslaagde methode.

Per vak is er een eindexamenprogramma, overzichtelijk opgedeeld in domeinen. Dit zijn lange lijsten met begrippen en processen die er geleerd moeten worden. We moeten zo veel kennen dat de rode draad soms kwijt is, maar we investeren er geen tijd in deze terug te vinden. Iets echt begrijpen duurt nu eenmaal langer dan ‘simpelweg weten’. En een tienerleven bestaat uit meer dan school: er zijn bijbaantjes, hobby’s en eisen van toekomstige studies. Een sociaal leven, als het even kan.

In de lessen zelf komt het grotere geheel ook niet vaak aan bod – we hebben het al druk genoeg met die lange lijst. Bovendien is het zelden van belang. Want we leren voor één vak, één toets met één onderwerp. We leren voor het cijfer. En dus doen we alsof scheikunde en biologie niets met elkaar te maken hebben. We negeren dat Sartre en Camus filosofen én Franse schrijvers zijn. We stampen gewoon die lange lijst in ons hoofd – een kwestie van weten en vergeten, terwijl juist begrip van zaken veel meer waard is. Want wanneer je iets goed begrijpt, kan je het toepassen op meerdere situaties, zal je het waarschijnlijk langer onthouden en kan je verbanden leggen tussen verschillende vakgebieden.

School gaat momenteel om slagen, terwijl juist leren centraal zou moeten staan. Dan heb ik het over dat grote geheel, maar ook over het eigen maken van vaardigheden. Daar is momenteel te weinig ruimte voor. Laat me één ding duidelijk maken: ik wil niet zeggen dat ik op school niets geleerd heb. Het tegenovergestelde juist. Ik heb er mijn wiskundige kennis vanaf nul opgebouwd. Het menselijk lichaam heeft me geboeid, mijn interesse voor filosofie is met een factor honderd toegenomen. Van elk vak heb ik wel iets opgestoken.

Maar net zo heb ik genoten van goede gesprekken die niets met de lesstof te maken hadden. Over veranderlijke zaken als actualiteit – niet te omschrijven in een curriculum, maar wel van groot belang. Hetzelfde geldt voor initiatief nemen, organiseren en discussiëren. Leren over jezelf, wie je bent en wat je belangrijk vindt in het leven. Stuk voor stuk belangrijke vaardigheden, maar niet toetsbaar. Die kennis heb ik ook op school opgedaan. Wat ik de afgelopen zes jaar echt geleerd heb – en de rest van mijn leven nog zal weten – valt niet in cijfers uit te drukken.

RECHT VAN SPREKEN

scan0001

Er is een hoop aan de hand in de wereld. Naar mijn idee gebeurt er ieder jaar meer. Waarschijnlijk is dat slechts een gevoel, veroorzaakt door twee ontwikkelingen. Ten eerste ben ik de afgelopen jaren ouder geworden, waardoor ik me meer ben gaan interesseren voor het nieuws. Mijn bronnen zijn niet meer beperkt tot de Kidsweek en het Jeugdjournaal. Dan iets wat niet alleen voor mij geldt: we hebben toegang tot steeds meer informatie. Vroeger hield het nieuws op na de avondkrant, nu kan een bericht van de andere kant van de wereld in luttele seconden bij ons zijn, zelfs om drie uur ’s nachts.

Het internet veroorzaakt een onophoudelijke nieuwsstroom. Dat zal ik niet goed of slecht noemen. Maar wat het internet ook biedt, is een kans om op al die gebeurtenissen te reageren. Over veel zaken heb ik een mening. Soms schroom ik niet deze (hier) te ventileren, maar vaak genoeg houd ik mijn mond. Natuurlijk vind ik iets van het vluchtelingenprobleem. Ik denk na over Keulen, Madaya, Parijs, maar laat me er niet altijd over uit. Ik vraag me soms af wat mijn mening toevoegt. En belangrijker: wie ben ik om er iets over te zeggen?

In de tijd waarin we leven, heeft vrijwel iedereen de kans om te vinden wat hij of zij wil. Op internet is hier eindeloos veel ruimte voor: op Facebook en Twitter verkondigen we aan de lopende band onze mening. Zonder helder standpunt lijk je niets voor te stellen. Nuance is nutteloos – statements maken, dat is van belang. We beroepen ons hierbij op de vrijheid van meningsuiting die in dit land geldt. In mijn hoofd klinkt geregeld de vraag: nemen wij niet veel te gemakkelijk de vrijheid om onze mening te uiten?

scan0002

Wat ik op internet steeds vaker tegenkom, zou ik willen omschrijven als ‘geschreeuw’: meningen in blokletters, die vooral heel erg tégen alles zijn. Wat we niet willen, wat we niet moeten doen, waarom iets niet goed is. Dit zijn allemaal meningen die volgens de wet uitgesproken mogen worden. Naar mijn idee zijn deze opinies hol en van weinig waarde. Soms vanwege een slechte argumentatie (‘Dat stond op Facebook!’), maar vaker vanwege een gebrek aan verdieping en verbreding. We kunnen in deze tijd putten uit enorm veel bronnen, ons baseren op allerlei visies en opinies. Maar we lijken selectiever dan ooit.

Er is behoefte aan duidelijkheid. ‘Wie niet voor ons is, is tegen ons.’ Een midden lijkt uitgesloten. En dus worden mensen met heldere ideeën nagepraat, zonder dat men zich verdiept in een tegengeluid. Hoe kan je nu iets vinden, wanneer je niet weet hoe het alternatief klinkt? Ja, misschien luisteren we sporadisch naar de mening van een opponent. Maar dan luisteren we niet om te begrijpen, maar om te weerleggen. Of – nog treuriger – om te tweeten dat diegene “een teringlijer is die naar de hel moet”.

Dit lokt natuurlijk weer reacties uit van andersgezinden en uiteindelijk zijn we enkel bezig elkaar te overstemmen. We roepen steeds harder wat we vinden, zonder na te denken over het ‘waarom’ achter onze mening. Dat resulteert in leeg geschreeuw. Zo is onze vrijheid van meningsuiting op den duur niet veel meer waard.scan

Dit is een oproep om je open te stellen voor het alternatief. Om eens een andere krant te lezen. Om in gesprek te gaan met iemand waar je het niet mee eens bent – zonder vooroordelen, zonder vijandige houding. Of om een keer niets zeggen, wanneer je twijfelt over wat je vindt. Dat zou geen schande moeten zijn. Ik vraag niemand zijn mening voor zich te houden – slechts om deze op een andere manier te vormen. Zodat je steeds voor jezelf blijft denken. Volgens mij voeg je dan pas iets toe aan de discussie. Dan pas bezit je datgene wat een mening geldig maakt: recht van spreken.

“VOLWASSEN”

9R7A5485

Het lijkt een soort ongeschreven regel onder leeftijdsgenoten: op je verjaardag plaats je een schattige babyfoto van jezelf op Facebook of Instagram. Maar wanneer ik over weet-ik-hoeveel-jaar terugdenk aan mijn achttiende verjaardag, wil ik juist weten hoe ik er op die dag uitzag. Babyfoto’s heb ik al genoeg.

Vandaag ben ik jarig. Dinsdag was ik eens fotograaf en model tegelijk – ik maakte een serie zelfportretten, van toen ik nog net niet volwassen was.

9R7A5667
Sinds vandaag heb ik stemrecht, word ik verantwoordelijk gehouden voor mijn eigen acties. (Een vriendin gisteren: “Als ik jou was, zou ik vandaag nog even een bank overvallen.”) Ik hoef me niet meer naar binnen te bluffen bij cafés, mag mijn eigen drankjes halen aan de bar. Voortaan kan ik zelf absentiebriefjes schrijven. (“Hoi meneer! Ik was er niet want ik was ziek. Groetjes!”) Ik mag alleen autorijden, zonder goedbedoelde waarschuwingen vanaf de bijrijdersstoel –  helemaal zelfstandig tegen paaltjes opbotsen. Sinds vandaag ben ik geen kind meer.

Officieel gezien volwassen, maar voor mijn gevoel is het nog lang niet zo ver. Vroeger dacht ik dat ‘volwassen zijn’ samen ging met het begrijpen van alles. Wanneer ik volwassen was, zou ik weten waarom dingen liepen zoals ze liepen, waarom mensen deden zoals ze deden. Wat goed was, en wat slecht. Wat mijn plekje in de wereld was, of wat ik wilde dat het zou zijn. Hoe dichter ik die leeftijd naderde, hoe zekerder ik wist dat mijn ideeën niet klopten. Er was juist steeds meer wat ik niet wist.

9R7A58199R7A5597

Als kind is je wereld klein, je kennis beperkt. Wat er buiten jou bestaat is onbekend, en bovendien niet van belang. Je weet niet wat je niet weet. Dan word je ouder, je omgeving groeit. Je begint te snappen dat er meer is dan de mensen en plaatsen die jou bekend zijn. Je leert rollen kennen die je zou kunnen vervullen, plaatsen waar je heen zou kunnen gaan. Met die kennis over mogelijkheden, groeit onzekerheid over hoe ze in te vullen. ‘Volwassen zijn’ kan niet gelijk staan aan ‘alles weten’. Want dan zou ik met de jaren steeds minder volwassen worden.

Misschien is het een loos begrip, waar ik te veel waarde aan hecht. Feitelijk gezien betekent het weinig, afgezien van bovenstaande voordeeltjes*. In de nacht van 13 op 14 januari werd ik volwassen, maar veranderde er niets. Mijn ouders maken me nog steeds wakker ’s ochtends. Ik moet nog steeds naar school, waar ik luister naar wat anderen me zeggen. Ik kan nog steeds niet soepel inparkeren – behoorlijk onhandig, maar vooral irritant omdat ik clichés over vrouwen liever ontkracht dan bevestig. Over een half jaar ga ik het huis uit, maar ik zal geregeld terugkomen. In dit huis, op deze bank, met een kater en een zak vol was. De eerste lading al draaiend in de trommel, blij dat iemand me weer eens ‘kleine’ noemt.

9R7A54429R7A5794

Geen kind meer, maar nog niet echt volwassen. Door wetenschappers die niet houden van grijze gebieden is daar een begrip voor bedacht: adolescentie. “De overgang in de ontwikkeling tussen de jeugd en volledige volwassenheid, hetgeen een periode representeert waarin een persoon biologisch, maar niet emotioneel volgroeid is.” Ik betwijfel of ik die omschrijving ooit ga gebruiken – het dekt misschien de lading, maar klinkt ronduit kut. Als een excuus voor twintigers die niet op willen groeien. Die hun gedrag zo kunnen wijten aan de adolescente fase waarin ze verkeren.

Misschien horen sommige eigenschappen die we beschouwen als ‘kinderlijk’ gewoon bij onze persoonlijkheid. Terwijl je ouder wordt ontdek je wat die eigenschappen zijn, en hoe je ze kan inpassen in je leven. Je zal niet meer constant zeggen wat je denkt. Je zal niet hardop vragen meer stellen, puur uit verwondering over de wereld. Mogelijkerwijs zal je nooit perfect leren inparkeren. Wie weet is dat wel volwassen worden: leren omgaan met hoe je bent. En soms accepteren hoe het nu eenmaal is.

9R7A57579R7A5591

*N.B. Een deel van mij ziet dit ‘slechts’ als voordeeltjes. Voor een ander deel van mij zijn het dé redenen om überhaupt achttien te willen worden. Feesten! Roadtrippen! Drank! Uit huis! De wereld veroveren! (Etcetera.) Ga ik doen, ga ik doen. Geen zorgen.

EEN THEEDRINKEND FIGUUR OP DE ACHTERGROND

9R7A4751

Nu ik sinds een halfjaar mijn rijbewijs heb, rijd ik regelmatig naar Amsterdam. Dat gaat me prima af, op één deel van de route na. Wanneer de weilanden verdwijnen en er steeds hogere kantoorgebouwen langs de weg oprijzen, moet ik ervoor waken mijn concentratie niet te verliezen. Wanneer ik er rijd op een moment waarop het al donker is, maar de mensen nog niet naar huis zijn, branden er duizenden lichten achter duizenden ramen. Waar werken op zo’n kantoor voor mij een schrikbeeld is, vind ik de aanblik van die gebouwen des te mooier.

Ik dwing mezelf mijn blik op de weg te richten, maar denk wel: hier wil ik naar terug. En zo begin ik mijn vakantie bovenaan een trap naast het spoor, tussen de kantoorgebouwen. Of zoals Mart zegt: ‘De meeste mensen fotograferen de grachtenpanden, maar jij gaat naar de Zuidas.’

9R7A4746

Ik voel me een indringer, terwijl ik door een telelens de kantoren binnenkijk en vastleg. Maar er is ook veel wat ik niet zie. Misschien is dat wat me zo aantrekt aan dit tafereel: de silhouetten die zich aftekenen achter de ramen staan symbool voor meer. Achter ieder raam bevindt zich een individu met een eigen verhaal. Een verhaal vol geluk, verdriet, liefde, haat, vriendschap en jaloezie. Een verhaal dat ik nooit zal kennen.

9R7A4779

Dagelijks kruisen we tientallen, honderden tot duizenden mensen. We delen ons leven met hen, al is het maar door de ruimte waarin we ons tegelijkertijd bevinden. Wanneer zij verdwijnen uit ons zicht, weten we niet meer waar ze heen gaan, of waarom. Ze verdwijnen uit ons leven, en daarmee verdwijnt dat van hen – zo lijkt het. Want soms overvalt me het besef dat ze verdergaan. Dat er op dit moment zeven miljard levens worden geleefd, met eenzelfde complexiteit als het mijne. Van de meeste heb ik geen weet. Van de rest wordt het verhaal beperkt tot enkele woorden: ‘vrouw naast wie ik in de file stond’. ‘Man die me inhaalde op zijn elektrische fiets.’

9R7A4730

Maar andersom geldt precies hetzelfde. Voor duizenden mensen zijn we slechts een medereiziger in de trein, een theedrinkend figuur op de achtergrond. Een meisje bovenaan een trap naast het spoor, in het donker tussen de verlichte kantoorgebouwen.

RECALCITRANT

Al vrij vroeg kwam ik in de puberteit terecht. Op mijn tiende voelde ik een knobbeltje bij mijn oksel, waarmee we voor de zekerheid langs de dokter gingen. Ik kwam thuis met het geruststellende feit dat het slechts een borstje in ontwikkeling was. Mijn familie zong het tietenlied. Ik was boos.

Toen ik twaalf was volgde ook de emotionele kant van het verhaal en begonnen er onzekerheden op te spelen. In dat opzicht was ik echt een puber. Maar voor de buitenwereld was ik nooit zo lastig, volgens mij. Op school en bij vriendinnetjes was ik altijd bezig met, ‘aangepast gedrag vertonen’: me gedragen zoals ik dacht dat mensen van me verwachtten. Thuis was het een ander verhaal – dan was ik zo klaar met me aanpassen, dat alle chagrijn eruit kwam. (Sorry familie.)

Tweede puberteit

Maar nu is er een ontwikkeling gaande waar de buitenwereld zeker iets van merkt. De laatste tijd gebeuren er – vooral op school – nogal wat dingen waar ik recalcitrant van word. Om een paar voorbeelden te noemen: testen die nergens op slaan. Docenten die je betuttelen alsof je twaalf bent, docenten waarmee überhaupt niet te communiceren valt. Zinloze opdrachten die enorm veel tijd kosten. Et cetera, et cetera.

Het lijkt wel alsof ik in een tweede puberteit beland ben. Voorheen huppelde ik als een blij ei door de gangen, en hing ik in de les de megagemotiveerde leerling uit. Maar dat is dus veranderd. Ik ben steeds vaker geërgerd of verontwaardigd, en kan het niet laten hier mijn mond over open te trekken in de klas.

Het grootste deel van mijn klasgenoten kijkt echter als makke schaapjes toe. Onderling wordt er geklaagd, maar in de les houden ze zich stil. Dat kan ik al moeilijk begrijpen. Maar wat ik vooral lastig vind, is de tegenstrijdigheid waarmee leerlingen soms behandeld worden. Enerzijds moeten we meer verantwoordelijkheid nemen en zelfstandig worden. Anderzijds moeten we doen wat ons opgedragen wordt. En vooral niet te lastig zijn. Wanneer je als leerling meermaals vragen stelt over de gang van zaken, ben je dat natuurlijk wel.

‘Jezus, kind.’

Ik vind mezelf soms ook lastig, hoor. Dan vond ik het op één dag bij drie lessen nodig om mijn kont tegen de krib te gooien. Wanneer ik thuiskom vraag ik me af of het wel echt nodig was. En waar komt die behoefte eigenlijk vandaan? Heb ik een buitengewoon groot rechtvaardigheidsgevoel? Een probleem met autoriteit? Of ben ik gewoon een watje met veel zelfmedelijden?

In dat laatste herken ik mezelf niet; ik ben geen zeikerd. Ik hou niet van zeurende mensen. ‘Doe er iets aan!’ denk ik dan. Maar docenten hebben nu eenmaal het laatste woord, dus lukt dat niet altijd. En daar ligt het probleem, denk ik. Het frustreert me, dat gevoel van machteloosheid. En ja, dat klinkt natuurlijk super dramatisch. Ik hoor het je denken – sterker nog, ik denk het zelf ook: ‘Jezus, kind. Wees blij dat je überhaupt naar school kan.’ Maar zo kan je alles natuurlijk wegrelativeren. Dan is alleen het grootste probleem erg genoeg om aandacht aan te besteden.

(Niet) mijn probleem

En het zat al niet helemaal lekker met mijn motivatie. Voor bepaalde vakken kan ik steeds minder energie opbrengen, omdat ik vrijwel zeker weet dat ik er later niets mee ga doen. Maar daar zou ik nooit mijn docenten op aankijken. Ik moet daar zelf een keuze in maken: geef ik mezelf een schop onder mijn kont, of neem ik genoegen met lagere cijfers op mijn eindlijst? Dat is mijn probleem, en dat los ik ook zelf wel op.

Wat niet zuiver mijn probleem is, is de sfeer in de klas. Ik denk dat ik niet de enige ben die het gevoel heeft dat het ons soms onnodig moeilijk gemaakt wordt. Terwijl dit ons laatste jaar is, en docenten en leerlingen juist dan hetzelfde doel zouden moeten hebben: slagen. Dus lieve docenten, als ik jullie één ding mag vragen: maak niet overal een punt van. Dan zal ik dat ook niet meer doen.

WAT GOED IS

9R7A4078

We bespraken Descartes, vorige week. Het bord werd volgeschreven met zijn gedachtegoed, met als conclusie zijn bekendste uitspraak: cogito ergo sum – ik denk, dus ik ben. Voor het eindexamen filosofie dienen we de theorie te kennen die leidde tot deze uitspraak: de methodische twijfel. Descartes besloot aan alles te gaan twijfelen, om zo zekerheden te vinden – zaken waar niet aan te twijfelen viel en die als fundament gebruikt konden worden voor de verdere filosofie. Ik voelde me Descartes, de afgelopen weken. Maar waar hij met zijn getwijfel een antwoord zocht op de vraag ‘Wat is waar?’, hield ik me bezig met een andere kwestie. Wat is goed?

Aangezien ik er graag vanuit ga dat de mens van nature goed is, neem ik aan dat iedereen het liefst de best mogelijke keuzes maakt. Sommigen doen dit heel weloverwogen, anderen zijn impulsiever van aard. Toch is er een gelijkenis, die schuilt in het feit dat mensen zullen kiezen voor datgene wat hen het juiste lijkt. Maar soms blijkt een keuze achteraf toch niet zo goed geweest. De reden daarvoor: wat goed lijkt, staat niet altijd gelijk aan wat goed is.

9R7A4089

Goed op alle fronten

Volgens mij zijn er verschillende soorten goed. Zo is er ‘goed voor anderen’, en ‘goed voor jezelf’. Dat laatste valt weer opnieuw op te splitsen: goed voor je gevoel, voor je gedachten, voor je gezondheid. Er is goed op lange of korte termijn. In de ideale wereld zouden deze belangen altijd met elkaar verenigbaar zijn: een goede keuze is dan automatisch ‘goed op alle fronten’. Maar zo werkt het niet altijd. En dan zal je moeten kiezen: welk belang gaat voor?

Een universeel antwoord op die vraag bestaat niet. Ieders belangen zijn tenslotte anders. Het afwisselen van belangen is voor mij een goede optie bij het maken van keuzes. De ene keer kies ik voor mezelf, de andere keer kies ik voor een ander. Soms kies ik voor nu, soms voor later. Die keuzes zijn allemaal op hun eigen manier goed. Maar vorige week botsten mijn belangen met die van anderen. Er waren mensen gekwetst, mede door een keuze die ik maakte. En toen sloeg de twijfel toe. Waarom had ik zo gehandeld? En hoe had ik het beter kunnen doen?

9R7A4095

Vraagtekens plaatsen

Zoals dat gaat bij filosofische problemen, leidde één vraag automatisch tot een volgende. En zo wierp mijn twijfel over één ding, een schaduw over zaken waar ik altijd zeker van was. Ik ging vraagtekens plaatsen bij keuzes waarvan ik wist dat ze goed waren. Alles werd in twijfel getrokken. Dat resulteert erin dat ik niet meer kan duiden wat ik belangrijk vind, wat ik kan of wat ik voel. (‘Hoe gaat het met je?’ ‘Ik weet niet. Goed. Denk ik.’) Alles wordt zo zwaarder en donkerder dan het hoort te zijn.

Mijn twijfel was, in tegenstelling tot die van Descartes, niet methodisch te noemen. Hij wist zijn overpeinzingen netjes te categoriseren. Ik zie het helemaal voor me: Descartes zit aan een bureau in een hutje op de hei. Voor hem ligt een blanco vel papier, in zijn hand houdt hij een ganzenveer, klaar om de eerste zekerheid te noteren. Descartes beheerst de twijfel, en dat zou ik graag kunnen. Want soms beheerst de twijfel mij.

Twijfelen is prima. Het houdt je scherp en laat je nadenken over de juistheid van je handelen. Het laat je inzien dat je soms foute keuzes maakt. Maar hoe tegenstrijdig het ook klinkt: ook die foute keuzes zijn gebaseerd op het goede. Of in ieder geval: wat ooit het goede leek te zijn. Wanneer men dat inziet, kunnen er excuses gemaakt worden, kan er worden vergeven. Op die manier heeft ook mijn twijfel een doel. Echter, aan alles twijfelen werkt verlammend. Het is vermoeiend en bovendien onnodig. Want mijn visie op het goede mag dan geen zekerheid zijn zoals Descartes ze zoekt – ik mag er wel op vertrouwen.

En nu twijfel ik – ironisch genoeg – of ik dit moet plaatsen. Maar ik doe het toch, omdat ik zeker weet: ik ben niet de enige die hier wel eens last van heeft.