haast

Wanneer ik een lange tijd niet geschreven heb, kan het voelen alsof ik die hele periode moet samenvatten voordat ik weer verder kan. Los van de absurditeit van die gedachte, is er geen beginnen aan. Dus begin ik niet, zoals de meeste dagen. Of ik begin maar ergens, in medias res. Zoals vandaag.

Mijn fiets had het in de permafrost begeven, en zo belandde ik gisteren tegen wil en dank in de avondklokrace, op weg naar huis nadat ik met een vriendin had gegeten. Er heerste een gevoel van saamhorigheid op straat. In het voorjaar was het er ook. Iedereen groette elkaar, wat in sommige plaatsen misschien normaal is, maar in Utrecht zeker niet, want daar heb je dan een dagtaak aan. Bovendien zou het wel eens verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden. Zo niet in de eerste golf, toen passanten vriendelijk naar elkaar knikten – we zaten tenslotte allemaal in de penarie, dus dat was wel het minste wat we konden doen.

Inmiddels negeert men elkaar weer zoals gewoonlijk. Maar tussen half negen en negen uur ’s avonds bleek er sprake van een nieuw soort verbondenheid. Het was een collectieve haast, een gedeeld besef van kut-we-komen-te-laat. De enigen die rustig aan deden waren de maaltijdbezorgers, geheel tegen hun laat-me-erlangs-natuur in. De rest stapte stevig door, voor zover de sneeuw dat toeliet. Een jongen in een spijkerbroek en op verre van winterbestendige schoenen had besloten dat hij alleen rennend over het midden van de weg op tijd zijn bestemming zou halen. Auto’s waren er toch nauwelijks, afgezien van politiewagens die traag rondcirkelden, bij wijze van warming-up.

Ik zag geen enkele hond die werd uitgelaten. Vermoedelijk stappen de baasjes collectief om negen uur de deur uit. Misschien knikken zij zelfs nog naar elkaar – ik zal het nooit weten.

#91 MELTDOWN

IMG_3400

‘Zo.’ Dat was wat ik dacht toen ik rond kwart voor zeven op de bank plofte. Een lange schooldag zat erop, het was weekend.  Een heerlijk bakje ijs op mijn schoot, tv’tje aan. Ik ging even niets meer… Shit. Het gevoel dat ik iets vergeten was bekroop me. Het was vrijdag. Kwart voor zeven. Dan had ik toch niets… Toch? !#$%@$%! Over een kwartier begon mijn dansles.

Door de jaren heen heb ik op heel wat clubjes en lessen gezeten. Hockey, tennis, tekenen, dansen, toneel, piano, zwemmen – genoeg naschoolse activiteiten, soms zelfs twee op één dag. Maar gek genoeg nog nooit op vrijdag. Na een jaar dansen op dinsdagavond ben ik overgeplaatst naar een andere groep. Vandaar dat het nog niet helemaal in mijn systeem zat, met pas één les op vrijdag achter de rug. Haasten zit wel in mijn systeem, en dat is wat ik deed. En ja, het was nodig. Een kwartier zou genoeg zijn om naar ongeveer elke plek in mijn eigen dorp te komen. Met de fiets. Helaas is mijn dansles een paar dorpen verderop, zo’n twintig minuten rijden. Met de auto. Dus: joggingbroek aan, dansschoenen en go! Papa stond gelukkig stand by en racete me erheen, ondertussen stuurde ik een sms’je aan mijn lerares. Achteraf bleek dat helemaal niet nodig. Om twee over zeven precies stond ik in de zaal, wel met een redelijk rood hoofd. De warming up had ik al gehad, laten we maar zeggen.

In de auto terug daalde een lekker soort moeheid over me neer. Dat heb ik altijd wanneer ik gedanst heb, me een uur lang op niets anders heb gefocust. Heerlijk vind ik dat, daar wil ik me best even voor haasten. We maakten nog een korte stop voor de foto van de dag. Rond half negen zette ik de avond gewoon voort waar ik was gebleven: op de bank. Mijn ijs was gebleven waar het was, zij het in een iets andere consistentie: helemaal gesmolten.