zowel je handschrift als je dronken lach

9R7A1830

Ergens in de tweede week van het collegejaar dronk ik met studiegenoot Floor een spreekwoordelijke koffie. (Dat wil zeggen, iemand vraagt of ik eens koffie wil drinken, ik zeg ja en bestel vervolgens thee.) We praten over alles en niets en over de gaatjes die ik een dag eerder had laten schieten. ‘Het was nogal een impulsactie,’ zeg ik, draaiend aan de knopjes in mijn nagloeiende oorlellen. ‘Niets voor mij, eigenlijk.’

‘Hoezo niet?’

Die vraag zette me aan het denken. Waarom had ik dat gezegd? Blijkbaar was het dermate ‘iets voor mij’ dat ik binnen twintig minuten na het besluit door een verveeld meisje twee gouden knopjes in mijn oren had laten nieten. Voor Floor paste dat prima in het beeld dat ze van me had – niet bang om mijn mond open te trekken, een meer in te springen, de dansvloer op te gaan. Ze kende alleen de ik van de afgelopen twee weken.

Zo kwam ik tot de realisatie: nieuwe mensen kennen je niet. (Dit klinkt als de meest open deur ooit, maar wacht het even af.) Ze weten alleen wat ze zien, zonder vooroordelen, zonder achtergrondinformatie. Voor hen ben je nog geen kind, ex of zusje van. Je bent hoe je doet, wat je zegt, op dat moment. Zo bouw je beurtelings op wie je voor elkaar bent, vrijwel los van het verleden.

Vandaag sprak ik Colette, vriendin sinds zo’n tien jaar en ook bewoner van een Chaotisch Bestaan. We hadden anderhalf uur nodig om bij te praten. Waar we eerst grotendeels parallel liepen, leiden we nu totaal andere levens. En dat doet iedereen – zoals Colette het verwoordde: niemand weet nog wat je dagelijks op je brood smeert. Niemand kent zowel je handschrift als je dronken lach, zowel de vijf moedervlekken op je rechtervoet als de plek waar je je reservesleutels bewaart. Je wordt gekend in delen – jijzelf overziet het geheel.

(Tenminste, dat is het idee.)

9R7A1896

En zo hoor ik overal een beetje, bij meerdere clubjes, groepjes, commissies en subjes, met elk hun eigen plannen, hun eigen dagen en feesten en sinterkerstennieuwdiners. Wanneer ik mijn aandacht moet verdelen, word ik meegesleept door de ziekte waar elke student aan lijkt te lijden: FOMO, Fear Of Missing Out. Ik dacht dat ik daar wel boven stond, maar nee. Dat bleek toen ik laatst ziek was: niet naar college, maar een etentje missen? Vergeet het maar. Een ibuprofen erin en gaan.

(‘Ik zal proberen niet in jullie pizza te niezen.’)

Juist wanneer ik overal wil zijn, ben ik er maar deels; met mijn hoofd steeds al bij het volgende. Daar wil ik vanaf – dan maar saai, laf, zo nu en dan afwezig. Als je me echt mag, dan hou je evengoed van me.

Gelukkig zijn er daar genoeg van: leuke, lieve, (nieuwe) mensen. Mensen om mee te dansen en daten en koken en eten en bioscopen en lopen als je band lek is. Mensen met antwoorden op vragen, mensen voor planloze dagen en mensen voor als je het even niet meer weet.

(Mensen wiens naam ik steeds vergeet. Oh, al die namen. Maaike en Meike en Maaijke en Marieke en Mieke. Max en Maarten en Cas en Bas en Lars. Anne en Anna en Hanne en Hanna en Sanne – sorry voor alle keren in het verleden en in de toekomst.)

De een denk ik al behoorlijk te kennen, met de ander weet ik dat het klikt. De rest volgt dan vast. En zo hoor ik overal een beetje – maar ook een beetje overal.

Dit was stukje drie over mijn fijne maar enigszins chaotische leven, met daarin dus allerlei nieuwe mensen. Mocht je zo’n nieuw mens zijn en dit lezen: hoi! Leuk dat je dit deel van mij ontdekt. Beetje eng, ook wel. Maar het hoort erbij – bij mij. Mocht je willen, dan lees je hier stukje een en stukje twee terug. Er volgt denk ik nog wel een stukje vier!

op, kapot en vies

thumbnail_filename-1-1 2.jpg

Het is half zeven, een rij van zeker twintig meter lang kronkelt door de supermarkt. Vermoeide voeten schuiven gele mandjes vooruit, ik huiver bij het geluid van plastic dat schraapt over de tegels. Zij die niet vooruit plannen betalen nu de prijs.

De te doden tijd vul ik op met mijn nieuwsgierigheid. Toon me je boodschappen en ik zeg je wie je bent. Gezin met kinderen, vegetarisch, tijd van de maand – zo’n mandje onthult meer dan je denkt. Zeker als ik tien minuten achter je heb staan wachten.

Betaald, richting uitgang. Langs de bewaker die me aan mezelf doet twijfelen. Het ik niet per ongeluk iets gestolen? Doorlopen, nu niet verdacht gaan kijken. Buiten. Thuis blijkt er altijd iets vergeten, maar morgen weer een dag.

(Van die gedachte baal je dan, als je op de wc zit en er niks meer hangt.)

Er is een hoop niet meer vanzelfsprekend wanneer je op kamers gaat. Je moet het zelf regelen, je eigen leven draaiende houden. Niemand anders gaat het nog voor je doen.

Welkom in de cyclus van op, kapot en vies. Neem de was, die altijd is – die zich ophoopt of vergeten is uit de machine te halen (en dan moet het opnieuw, want vergeten was stinkt). Daarbij bieden die pictogrammen lang niet altijd houvast. Wat moet je met wol, satijn, kant? Hang ik weer aan de lijn: ‘Mam? Ik heb een vraagje.’

(Over strijken zal ik maar helemaal niet beginnen. Dat is toch alleen een idee? Wie doet dat nou echt?)

thumbnail_filename-1-2 2.jpg

Het is een cyclus en daarom nooit klaar. Ik keer mijn kont of er dondert weer iets in elkaar – des te langer duurt het om dingen te maken. En dus douchen we in het halfdonker en beschijnt een fietslampje het fornuis, in ons huis met muren van peperkoek. Dus danst er stof in pirouettes door mijn kamer en zit er altijd een ondefinieerbare prut in het gootsteenputje.

Het lijkt een deprimerende gedachte: dat je de keuken blijft poetsen, je lijf blijft wassen, steeds opnieuw tot het op een dag gewoon niet meer hoeft. Maar ik zie er ook wel iets in. Hoe fijn, dat je je door die basale dingen goed kan voelen. Wanneer de vaatwasser draait, mijn bed fris is opgemaakt en ik naar boven kan roepen: het eten is klaar! Geloof het of niet, maar ik kan daar inmiddels best van genieten.

Moet je opeens voor jezelf gaan zorgen – ik had niet helemaal bedacht dat daar ook tijd in gaat zitten. Misschien een goed moment m’n ouders eens te bedanken, die deze taak toch achttien jaar succesvol vervuld hebben. (En nog steeds wel deels, natuurlijk, wie houd ik voor de gek.) Ook wel zo eerlijk om te vermelden: ik ben inmiddels in genoeg studentenhuizen geweest om te weten dat het mijne relatief gezien een smetvrij paleis is. We hebben zelfs een vaatwasser. Dit was stukje twee uit de reeks oh-shit-hoe-werkt-dit-nieuwe-leven. Stukje één lees je hier. Stukje drie volgt!

hoe fijn ook de lijntjes

thumbnail_filename-1 2Een prachtige chaos, dat is mijn leven op dit moment. Ik ben vast de enige niet – die heerlijke hectiek kenmerkt deze tijd. Deze fase, een aaneenschakeling van nieuwe vrijheden, ervaringen en plaatsen waarin ik een structuur probeer te ontwaren, om te ontdekken dat die eigenlijk niet bestaat. (Indien gewenst maak je ‘m zelf maar.) Dagelijks blader ik door mijn papieren weken, zoekend naar gaten in mijn tijdlijn, om te concluderen dat ze ontbreken. De ene gebeurtenis buitelt over de ander en mijn gedachten denderen erachteraan.

Deels neem ik het voor lief: de verdwenen kledingstukken, de haastige broodjes, de plakkerige schoenen. Het slordige handschrift, de onafgemaakte zinnen. De fietstochten van tien-in-vijf-minuten, gevolgd door een blozende binnenkomst in de collegezaal. Maar ook in mijn hoofd loopt alles door elkaar – namen, afspraken, (on)belangrijke zaken. Het lijkt onvermijdelijk, in deze tijd van losse eindjes: je gooit ze haastig op een hoop en na een tijd tref je ze verward weer aan. Hoe fijn ook de lijntjes – samen vormen ze toch een knoop.

Ik merk het ook hier; vroeger schreef ik over een broodrooster of een schaduw op een muur, nu lijkt alleen het grotere geheel te tellen. Alles is met elkaar verweven, tot één Groot Stuk waaraan ik honderd keer zal beginnen, maar wat nooit klaar zal zijn. Vandaar deze poging tot ontwarren. Met geduld – niet te hard trekken, dan wordt het alleen maar erger. Een gooi naar overzichtelijke delen, om alles weer op orde te hebben – al is het maar voor even.

M’n leven is heel leuk momenteel, maar het is wel een beetje een zooitje. Al schrijvend (tekenend, filmend?) zet ik dingen op een rijtje. Zo ontstaat een nieuwe reeks verhalen. Wat-gebeurt-er-nou-eigenlijk-allemaal-in-het-leven-en-wat-vind-ik-daarvan. Waar-ben-ik-eigenlijk-mee-bezig-en-waarom. Hoe-werkt-dit-volwassen-worden. Dit was stukje één.

behoorlijk gelukkig

Processed with VSCO with c1 preset

De liefde ontstond in Friesland. Ruim vijf jaar geleden, eind zomer. Weiland, sloot, boot en geen flauw idee. Bijna recht tegen de wind in varen en toch vooruit worden geblazen; noem het natuurkunde, ik noemde het fucking magie. En nog steeds.

Vijf jaar na die zomer schreef ik me in voor een studentenvereniging in Utrecht. Naast de gebruikelijke thema’s (bier, schoenen die aan de vloer plakken vanwege bier, spelletjes met bier, en bier) was er nog een andere focus: zeilen. Ik werd uitgeloot, op een reservelijst gezet, niet meer gebeld, geappt dat ik echt niet meer gebeld zou worden. En alsnog gebeld.

Op het introductieweekend ontbrak elke vorm van wind, maar het kon mij niet deren – stralend dobberde ik over het meer, om ieder uur even mede te delen: zo fijn om weer te zeilen.

Het enthousiasme is gebleven, twee maanden later. Ik spendeerde een paar dagen op het water en kwam steeds terug met datzelfde gevoel. Ongeacht kou, regen, water dat in vlagen mijn nek in kwam waaien – misschien wel dankzij. Ik was blij om te varen, weer of niet. Op zo’n meer bestaan enkel de koers en de stand van de zeilen. Gaan, halen, vieren, prikken, loeven, verlijeren en hoe moet dit allemaal ook alweer  Zeilend bevrijd ik me uit een stroom van gedachten die maar zelden stopt. Maar zo lukt het – en dat maakt me behoorlijk gelukkig.

Processed with VSCO with f2 presetProcessed with VSCO with f2 preset

Bonusfoto van mijn Michelinmannetjes-look en ultieme gefocuste blik – of ik rook iets vies, dat kan ook.

wij hoeven alleen maar te kijken

IMG_0587.png

De marathon bepaalt het tempo vandaag, met haar hekken langs de weg, het spoor van vertrapte bekertjes dat ze achterlaat. Restjes energiedrank en water voor in je nek, zeker nodig tijdens deze herleving van de zomer. Het is tweeëntwintig graden. De herfst werpt lange schaduwen op de bebladerde straten. Wie erin of eruit wil heeft pech – voor even krijgen de renners ruim baan. Een omweg dus, zo maak ook ik extra meters.

De marathon bepaalt de stemming vandaag – zij die blijven rennen, de één achtervolgd door tijd, de ander zo hard als het gaat. Duizend energie straalt uit die presterende lijven, even geleidelijk als explosief, gaat over op degenen die langs de kant staan. Wij hoeven alleen maar te kijken.

Ik was bij de marathon in Amsterdam, en daar hing zo’n positiviteit in de lucht – daar moest ik wel over schrijven.

kringeltjes

fullsizeoutput_e45

Met het studentenleven is ook het academisch jaar gestart. Mijn entree op de uni gaat gepaard met schoolse taal: woorden gevormd op toetsen, met het oog op tentamens. Mijn vingers struikelen achter mijn oren aan, pogen een samenhangend verhaal te typen in Calibri elf.

Academisch schrijven luistert nauw. Toen ik mijn eerste opdracht terugkreeg, bleek die verworden tot een opeenstapeling van rode wolken in de kantlijn. Ze bevatten commentaar in kleine letters, maar dat maakte het niet minder pijnlijk. ‘Verkeerd voorzetsel,’ ‘geen goed Nederlands’, of gewoon ‘duh’. ‘Leuke manier van opmaken, maar het is toch nodig dat je de juiste notatie gebruikt.’ Oeps. Ik dacht door te hebben hoe je een degelijk stuk schrijft, maar die hoop is enigszins vervlogen. Woorden als ‘bepaald’ en ‘men’ zijn uit den boze. En een zin is geen alinea.

Ben ik even blij dat die regels niet heilig zijn.

Niet hier. Dit is mijn domein, waar woorden geen zin hoeven te hebben. Hier hebben verzonnen termen een kans, fungeren rode kringeltjes als felicitatie voor creativiteit. Hier kan ik de diepte in staren tot de zinnen in mijn hoofd neerdalen, soms als dwarrelend dons, soms als plotse hagelstenen aan het einde van een zonnige dag.

Gun me inkt vol woede – harde woorden die nog pagina’s ver doordrukken. Dromerige passages, zinnen als wolken die langzaam voorbijdrijven als je ze niet op tijd vangt. Sporadisch gedecideerde letters wanneer ik weet wat ik vertellen wil.

Of een verhaal zonder echt einde.

Verder heb ik het naar m’n zin op de universiteit, hoor! En die feedback is top, want je mag daarna je werk verbeteren voordat je een cijfer krijgt. Om de eerstejaars-stress weg te nemen, denk ik. Helemaal fijn. Maar ik was er wel aan toe een verhaal te vertellen in niet-precies-driehonderd woorden.

ik stond dus een tijdje voor de klas

Wanneer je terugkomt op een plek waar je een tijd niet geweest bent, kunnen zich verschillende scenario’s voordoen. Zo kwam ik twee jaar na een verhuizing terug in het huis waar ik was opgegroeid, verbaasd over hoe kléín alles was – niet stilstaand bij het feit dat ik zelf een behoorlijke groeispurt had doorgemaakt.

Anderzijds kom je soms ergens terug, om te ontdekken dat alles hetzelfde is gebleven. Zoals op mijn middelbare school in Eindhoven – van de puberstroom in de pauze tot de gifgroene vloerbedekking in de gang. En een jaar na mijn eindexamens begint het eerste uur nog steeds – excuseer – fucking vroeg.

Een donderdagmorgen in april, gapend laat ik heet water in een kopje stromen. ‘Hier mogen eigenlijk geen leerlingen komen, hè.’ Als je met genoeg zelfvertrouwen de docentenkamer binnenloopt, gaat men er vanzelf vanuit dat je daar hoort. Andersom hoef je maar enigszins twijfelend om je heen te kijken, en de conciërge pikt je er zo uit.

Voor iemand die stopte met haar opleiding, bracht ik nog heel wat tijd in de klas door. Beter gezegd: voor de klas. Ik gaf een paar weken les over filosofie, kunst en creativiteit. Bladerend door boeken en kranten, struinend over het internet vond ik mijn thema’s. In koffietentjes vond ik mijn concentratie.

(Deze lessenreeks wordt mede mogelijk gemaakt door Coffee Company Nachtegaalstraat).

Het vierde blok, de vierde klas. Met een kleine twintig leerlingen filosofeerde ik over kunst in de allerbreedste zin van het woord. Wanneer is iets kunst? Wat is het nut ervan?  Wat is het verband tussen Aristoteles en GTST? Welk kunstwerk ken je al jaren, zonder het te weten?  En waarom gaat het steeds weer over dat omgekeerde urinoir?

Veel vragen, weinig antwoorden. Mijn doel met de lessenreeks was niet zozeer duizend jaar kunstgeschiedenis oprakelen. Veel liever wilde ik een nieuwe manier laten zien om naar kunst te kunnen kijken.

(Ik ga nu even mijn eigen lesplan quoten. Sorry daarvoor.)

‘Wanneer je probeert kunst alleen maar te ervaren vanuit je gevoel, ga je voorbij aan een context vol betekenis. Dat lijkt mij zonde. Want juist in die context zal je ontdekken dat kunst ontroerend kan zijn, grappig, bijzonder, irritant of gewoon heel raar. Dat makers hun tijd soms ver vooruit waren, dat ze gedurfde dingen deden, die zelfs nu nog invloed kunnen hebben op hoe wij de wereld zien.

Wél nadenken dus – met al die vragen en antwoorden in je hoofd zal je vanzelf een gevoel ontwikkelen bij bepaalde kunstwerken. En een mening erover. Dat is het leuke: kunst heeft altijd te maken met je eigen interpretatie. Het is als het leren drinken van wijn: hoe meer soorten je proeft, hoe beter je ontdekt wat de verschillen zijn en wat je eigen smaak is. Alleen word je van kunst niet dronken.’

Dat dus. Maar waarschijnlijk heb ik zelf nog het meest geleerd van deze ervaring. Om een paar dingen te noemen:

(1) Misschien wel het moeilijkste deel van een les: het begin. Al snel kwam ik erachter dat ik een soort kreet nodig had om de aandacht te krijgen, wilde het niet heel ongemakkelijk worden.

(‘Ehh, jongens!

Jongens?

Jongens…?

Kunnen jullie heel even…?

Ja?

Dankje – hallo?

Ja.

Dankjewel.’)

(2) Wanneer ik eenmaal begonnen was, voor het bord met een kop thee in mijn hand, voelde het al snel vertrouwd. Binnen een week hoorde ik mezelf dingen zeggen als ‘Ga je ook nog even aan het werk? Als je het nu doet, heb je het straks thuis eerder af.’ ‘Zou het misschien verstandiger zijn als jullie niet naast elkaar gingen zitten?’ En dan deden ze dat nog ook. Het was dan wel een kleine klas met goede manieren. Maar tóch. Toch verwachtte ik stiekem dat op een bepaald moment de pleuris uit zou breken, omdat ze erachter waren gekomen dat ik geen échte docent was.

(Al wisten ze dat vanaf les één natuurlijk al. Vorig jaar spendeerde ik mijn pauzes nog naast hen in hal B.)

(Bovendien was er steeds wel een échte docent bij, mocht het dan toch uit de hand lopen.)

(3) Het is leuk. Al zo’n vijf jaar geef ik bijles, met veel plezier. Ik wist dus dat het overdragen van kennis me blij maakte. Maar zo’n hele reeks opzetten, van onderwerpkeuze tot nakijkwerk, bracht nog veel meer met zich mee. Meer verantwoordelijkheid, meer organisatie, meer voldoening. Meer leuke, slimme leerlingen vol verrassende uitspraken. Hoe cool is het als je het idee hebt dat er mensen zijn die echt iets gedaan hebben met je verhalen – omdat je dat in hun zelfgeschreven essays kan terugzien.

(4) Ten slotte het besef dat het me misschien wel iets lijkt – voor als ik later groot ben.

Verder in Brabant: examenfeestjes vieren. Genieten van het ouderlijk huis – met name de tuin, waar het ruikt naar warme dennenbomen en waar de vogels je ’s ochtends wakker maken. Avonden bij de buitenhaard – niet tot het te koud wordt, maar tot het hout op is. Woorden hangen nog in de lucht, maar niemand voelt zich geroepen ze te vangen. De knapperende vlammen voeren de boventoon, tot er slechts kooltjes resteren en het vuur nagloeit in mijn ogen.

Stad drie uit de reeks van steden. Amsterdam, Rotterdam en nu dus Eindhoven. Mijn favoriet bewaarde ik tot het laatst. Ergens over een paar dagen: Utrecht!

parade

Processed with VSCO with f2 preset

Het verbaast me soms hoe lang bepaalde keuzes nog een effect hebben. Toen ik veertien was schreef ik me in voor een toneelgroep – met knikkende knieën, welteverstaan. In drie jaar leerde ik meer schijt te hebben en minder schaamte te kennen. Ik werd verliefd op het gevoel dat me bekruipt wanneer ik verhalen mag vertellen – zij het die van iemand anders. Ik ontwikkelde een fascinatie voor wat echt is – en of iets ooit echt echt kan zijn. Tenslotte vervult ieder mens dagelijks verschillende rollen. Ik kwam terecht op De Parade, een theaterfestival dat elke zomer door Nederland reist.

En dit jaar deed ik ook mee. Tien dagen lang speelde ik ‘Je Favoriete Kassameisje’ op De Parade in Rotterdam. Het was geen ingewikkelde rol; vooral veel enthousiasme, simpele tekst, leuke medespelers. Hier en daar wat improvisatie – wat doe je wanneer je ouders en peuter naar een voorstelling hebt gestuurd, waar bij binnenkomst twee naakte mannen op een bed bleken te liggen?

IMG_0127

Ik wijs de weg, geef advies en vervul de rol van bankier – tientallen dronken mensen pinnen bij mij hun tientje. Uiterlijk om twee uur valt het doek – sluiten de luiken van de kiosk.

(Vervolgens blijkt het lastig loslaten. De eerste paar nachten slaap ik onrustig, omdat ik constant denk dat er bezoekers bij mijn tent staan. ‘Goedenavond, kan ik u helpen?’ mompel ik vanuit mijn slaapzak. ‘Heeft u misschien nog een Rotterdampas? Dat wordt dan elf euro alstublieft.’)

Een oranje luchtbedje – nog een toevoeging aan de lange lijst bedden waarin ik heb geslapen dit jaar. Daarmee doel ik niet per se op nachtelijke avontuurtjes met wildvreemden; het was in alle opzichten een periode vol nieuwe personages, nieuwe decors. Nieuwe dekens die ruiken naar een wasmiddel dat ik niet herken, waardoor ik ’s nachts wakker word en niet weet waar ik ben.

Processed with VSCO with c1 preset

In een tent dus, de afgelopen tien dagen. De lucht is dik. De zon brandt door de transparante muren en zet alles in een pastelgroen licht, tot ik het doek openrits. Buiten is het beter ademhalen. Tegenover me doet mijn favoriete Paradebuurmeisje haar voordeur open, met kleine oogjes wens ik haar goedemorgen. De Euromast waakt over onze zandbak annex camping.

Aan drugs doe ik niet, maar een roes kan ik wel waarderen. Zo’n gevoel dat je overvalt als alles even klopt, in een kleine wereld die maar tien dagen bestaat. Een wereld waarin mijn telefoon veelal leeg is en autoruiten mijn beste optie op een spiegel zijn. Een wereld waar nieuws binnensijpelt als filterkoffie – langzaam en niet bepaald sterk. Alles zit er onder de modder, van mijn broekspijpen tot mijn sjaal-die-ook-mijn-kussen-is. Vroeg of laat bestaat er niet. Alles gebeurt op het juiste moment.

Processed with VSCO with f2 preset

Zo is het ’s avonds tijd om te kijken, een theatertent in te duiken met mijn lichtroze keycord om mijn nek. Het zit nooit vol – dan schuif je maar wat dichter tegen elkaar aan. Welkom in de Paradebubbel, waar we afspreken te geloven in de verhalen die er verteld worden. Iedereen kan iedereen zijn. Je eet er poffertjes als ontbijt, middernachtelijke tosti’s en bier op de bon. Liefst eindigt de dag zwevend, in de molen midden op het terrein. Rond en rond, met een sporadisch afzetje op het beton van het Museumplein.

Processed with VSCO with f2 preset

Verder in Rotterdam: eigenlijk helemaal niets, behalve de weg naar de camping en het station. Ik kom nog wel een keer terug voor de rest.

Ik besloot te schrijven over de steden waar m’n leven zich afspeelde, de afgelopen tijd. Dit was stad vier, verhaal twee. (Ik gooi alles door elkaar, want wat nou chronologie.) ‘Je Favoriete Kassameisje’ is misschien nog te zien op De Parade in Amsterdam, en gaat sowieso volgende zomer in reprise.

goud

IMG_9617.JPG

Gisteren stuitte ik op goud. Goud omhuld door aluminium; een verzameling enen en nullen die samen de herinneringen vormden aan zo’n drie jaar van mijn leven. Foto’s van elf, twaalf, dertien, herontdekt op een gereanimeerde laptop.

Waarschijnlijk behoor ik tot de eerste generatie kinderen die een telefoon met camera had. Kwaliteit waar we nu om lachen, maar toen voldeed het. Het twijfelende begin van volwassen worden, een uitdijende wereld, mijn meisjeslijf inruilen voor rondingen waar ik eigenlijk niet op zat te wachten – vastgelegd, bewaard en nooit gemist. Maar nu kon ik ik het niet bekijken zonder te glimlachen. Er moest tijd overheen – als zestienjarige word je niet graag geconfronteerd met het kinderlijke zelf waar je juist vanaf probeert te komen. Nu is er genoeg tijd verstreken, leid ik zo’n ander leven, dat het bijna lijkt alsof het om een ander gaat.

Een gelukkig meisje in groep acht. Het was een zalig laatste jaar – mijn herinneringen bevinden zich op de gang, waar de kinderen verzamelden die niets meer te doen hadden. We waren klaar, af; alles was ons geleerd. De volgende uitdaging bevond zich zo’n zeven kilometer en drie maanden verderop.

Ergens in mei werden we uitgezwaaid door plakkerige kleuterhandjes. Tweeëntwintig kilometer fietsten we – ik had geen idee waarlangs of waarheen. In dat opzicht is er niets veranderd. Ook mijn liefde voor (bewegend) beeld was al aanwezig, zo ontdekte ik. Het hele groep acht kamp bleek ik te hebben vastgelegd. Filmpjes in donkere slaapzalen, voorzien van hoge stemmen die ik haast niet herkennen kon. Foto’s van watergevechten en middagen in het gras, omringd door klasgenoten. Het voelde af, klaar. Ik wist wie ik was en wat ik wilde – al was het maar omdat ik er eigenlijk niet te veel bij stilstond.

Zeven jaar later, een achtertuin in Utrecht. Het is een ander soort goud dat over mijn blote benen kruipt, de plekken onthult waar ongeduld het van mijn scheermes won. Diezelfde zon blondeert de resterende stoppels en bruint mijn schenen. (Met een beetje geluk. Voor hetzelfde geld kleuren ze rood.) Een blok huizen sluit onze tuin in, laat de geluiden van de stad buiten. Ik hoor slechts verre kinderkreten en het tollen van de wasmachine vanuit het kelderraam. Een geplastificeerde bloemengeur verspreidt zich door de zinderende lentelucht.

’s Avonds koelt het af. Ik verruil mijn shorts voor een joggingbroek en neem een laatste supermarktsprint, vlak voor sluitingstijd. Met het nodige ontbijt en onnodige chocola kom ik mijn kamer weer in. Mijn in slippers gehulde voeten zijn nog op Jumbo-temperatuur.

(Als boodschappen doen je rillingen bezorgt, weet je dat de zomer er echt aankomt.)

Op tv het songfestival, op bed een van mijn huisgenoten met wie ik besloot-te-kijken-maar-eigenlijk-niet-keek. Ze draagt witte pumps. Trouwschoenen van haar moeder, of eigenlijk de nooit gedragen back-ups. Ze moeten nog worden ingelopen, maar hopelijk vormen ze zich liggend ook enigszins naar haar voeten.

We wonen nu zo’n twee maanden samen en zijn enige schaamte wel voorbij. Moe, melig, ziek, of ultiem relaxed – in de meeste toestanden hebben we elkaar al aangetroffen. Tegelijkertijd kennen we elkaar nog niet écht, en dus is er van alles te bespreken. Van de houdbaarheid van witte schoenen op een studentengala, tot het mysterie van het leven. Dat je soms denkt alles te doorgronden, de gouden formule te hebben gevonden. Om, kijkend naar oude foto’s, te ontdekken dat je ideeën niet bepaald bestendig waren.

En zo blijft het gaan, in een voortdurende afwisseling van zoeken en vinden. Misschien is de essentie wel dat je van beide probeert te genieten. (Dat denk ik nu dus. Dat dat de essentie is. Maar in lijn met mijn verhaal: vraag het me over een jaar nog maar eens.) Genieten van de zoektocht naar hoe het zit, omdat alle opties dan nog open liggen. En genieten van vinden wat je zocht. Dat laatste spreekt misschien voor zich – maar juist daarom moet je het niet voor lief nemen.

past precies


Dit weekend was ik thuis-thuis. Met Marre en Mienke maakte ik een rondje door het dorp, op zoek naar paaseitjes met zeezout (die zou Colette anders missen in Amerika) en miniflesjes shampoo (voor Mienkes alleen-handbagagevlucht naar Budapest). We hadden elkaar lang niet gezien. De laatste keer was zeker een maand geleden – dacht ik. Mienke herinnerde me eraan dat we twee weken eerder ook al met z’n drieën door het dorp crossten, genietend van de eerste zonnestralen die door de voorruit van haar vaders Mini schenen. Ze had gelijk. Maar van toen tot nu is er zoveel gebeurd, dat mijn hersenen het niet in veertien dagen kwijt bleken te kunnen. 

Het is lente geworden, dat ten eerste. Niet dat ik daar een actieve bijdrage aan heb geleverd, maar het maakt alle verschil. Het feit dat elke zonnige vierkante meter gevuld wordt met picknickkleden en blote benen, of dat het op straat ruikt naar vuurkorven, terwijl diezelfde zon zakkende is. 

Het is donderdagochtend. Ook nu komt het mooie weer van pas. De vloer is bedekt met zwart plastic, alle randjes en richels zijn afgeplakt. Het licht dat door de grote ramen valt, maakt het makkelijker om het nieuwe wit van het weeïge roze te onderscheiden. Ik vind het een opmerkelijke keuze, zeker in combinatie met het vast-ooit-fris-groen-maar-nu-braakselkleurig op een andere muur. Na een halve dag is het verdwenen. Alles schoon, alles wit, met een sporadische veeg over de plinten en een warm gevoel dat me treft, door iets heel gewoons als schilderen met allebei mijn ouders op een donderdagochtend. 


Op vrijdag verbaas ik me over de hoeveelheid spullen die je in een klein jaar kan verzamelen. Ik zoek uit, gooi weg, wikkel het breekbaars in grijzig pakpapier. Ik eet nog een pizzabroodje aan de lege houten tafel. Daarna trek ik de deur van de studio achter me dicht. Vanochtend was het nog mijn huisje, nu slechts wat meubels en een stapel dozen. 

Dat aanzicht ben ik inmiddels enigszins gewend. Thuis-thuis verandert er ook het een en ander. Minder ingrijpend, maar ingrijpend genoeg om ervoor te zorgen dat ook daar mijn spullen tegen de muur staan opgestapeld. Ik merk hoe weinig ik eigenlijk echt nodig heb – met mijn laptop, wat make-up en de nog overeindstaande kledingkast kom ik een heel eind. 

(Daarbij heb ik het een beetje gehad met in- en uitpakken.)


Het voelt goed wanneer alles weer een plek krijgt. Ik verhuis zo’n vijfhonderd meter, maar toch zijn we de hele maandag bezig. Pap rijdt, schroeft het bed in elkaar, ik haal broodjes en vul mijn keukenkastje. Wanneer Mart er is, wordt het raam uit het kozijn geschroefd; de gang is te smal voor mijn PAX kast. We proberen ‘m in z’n geheel te vervoeren – dat is zowel voor ons als voor de kast beter. IKEA-spullen gaan er nooit op vooruit door ze een tweede keer in elkaar te zetten. 

Het lijkt op maat gemaakt: de kast naast de deur, tegenover de tafel naast de kist, naast de kast naast het bed, tegenover de deur. Het is als mijn vorige kamer, maar gekrompen tot  veertien vierkante meter. Het ruikt zelfs hetzelfde, dankzij meeverhuisde geurstokjes met een kleine hint van verf. ‘Je noemt het al thuis’, merkt mam na een week op. Dat deed ik eerder niet. 

Alles lijkt tegelijk op gang te komen, resulterend in een leven op hoger tempo. Ik trein tussen Eindhoven, Utrecht en Amsterdam, sjouw met camera’s, typ mijn lessen in wisselende koffietentjes. ’s Avonds ben ik in de bioscoop, op het terras of – zoals nu – in bed. Behoorlijk moe en heel gelukkig. Het is zoals mijn nieuwe plek: deels vertrouwd, deels nieuw. En het past precies.