Ik nam m’n camera niet zo vaak mee, want dan zou er maar zand tussen komen. Maar fijn was het wel.
Tag: Reizen
WHEN IN ROME

‘When in Rome, do as the Romans do,’ wordt er altijd gezegd. Maar na drie dagen in deze stad vraag ik me af of dat gezegde wel klopt. Terwijl ik mezelf verplaats van schaduw naar schaduw – want de straat is lava – begin ik bijna te denken dat de Chinezen, die een paraplu als parasol gebruiken, het nog het beste bekeken hebben.
Het is dus warm in Rome, en niet zo’n beetje ook. Dan heb ik dat vast maar even gezegd. Tussen de activiteiten en bezienswaardigheden door is het regelmatig nodig hier maatregelen tegen te treffen, in de vorm van water, airconditioning of zonnebrand – niet zelden alle drie tegelijk.
Tot zover de hitte, want Rome is veel meer dan dat. Boven alles is het één groot openluchtmuseum. Aan vrijwel ieder gebouw lijkt een geschiedenis gebonden, slechts van enkele wordt hij regelmatig verteld. De Latijnse woorden op de gevels zeggen me niet genoeg om erachter te komen wat zich ooit achter de verweerde muren heeft afgespeeld.
Niet alleen de tand des tijds veroorzaakt verweerde muren – ook de hordes toeristen laten hun sporen achter. Het zijn voornamelijk Chinezen, die met busladingen tegelijk de highlights van de stad bezoeken. En nog belangrijker: vastleggen. Met een paraplu boven het hoofd en een selfiestick in de aanslag filmen zij zichzelf bij het Pantheon, zichzelf bij het Colosseum, zichzelf bij de Spaanse trappen. Om eenmaal thuis te bekijken waar ze allemaal geweest zijn.
We bezoeken het Vaticaan, waar op het plein honderden zwarte stoeltjes staan te gloeien onder de felle middagzon. De paus is er niet, maar dat lijkt niemand iets te deren; de wachtrij cirkelt om de buitenmuren heen. Binnen zien we beelden, fresco’s en mozaïeken. Het meest onder de indruk ben ik van de gang waar landkaarten tientallen meters van de muren bedekken. Samen vormen ze één grote kaart van Italië, met daarop ieder dorp en iedere berg tot in detail geschilderd.
’s Avonds lopen we langs de Tiber, waar deze weken een filmfestival plaatsvindt. We eten met het geluid van ruisend water achter ons, terwijl de lucht langzaam roze kleurt. Op de weg terug passeren we een brug, waar de rivier onderdoor stroomt. Op een eiland middenin het water zijn tientallen witte klapstoelen neergezet, voor een Italiaanse film onder de sterren.
Er is ook nog het heerlijke Italiaanse eten, de mooie winkels. De straten vol gladde kasseien, die geen goede combinatie vormen met mijn sandaaltjes zonder profiel. En het genot van in bed gaan liggen na een lange dag.
Oh, en ook hier nemen ze het niet zo nauw met de verkeersregels.
ONDERWEG / UNTERWEGS / VIAGGIANTE
Het huis is schoon, de achterbak zit vol. Echt helemaal vol. De vraag hoe we dat allemaal weer mee terug gaan krijgen, schiet door mijn hoofd. (Want dat is algemeen bekend, volgens mij: op de terugweg heb je – soms op onverklaarbare wijze – meer spullen.) Ik duw de gedachte weg met mijn favoriete vakantiemotto: dat zien we dan wel weer.
En dan gaan we. Direct bekruipt me het gevoel dat ik iets heel belangrijks vergeten ben. Na een half uur, rijdend over de snelweg, heeft dat gevoel plaatsgemaakt voor het besef dat de mensen en dingen die de komende twee weken belangrijk voor me zijn, zich binnen één meter afstand van me bevinden. Onze auto als mijn persoonlijke, bewegende wereldje tijdens deze reis.
Een eerste stop. De geur van benzine op de vroege morgen veroorzaakt zowel een lichte misselijkheid als een onvermijdelijk vakantiegevoel.
Voor mij is er steeds wel muziek. Eerst Radio 2, zolang het bereik dat toelaat. Wanneer we overgaan op een Duitse zender plug ik mijn oortjes in en luister ik van alles, van De Jeugd tot John Mayer.

Langzaam vormen zich hoopjes, bestaand uit kleding, dekentjes, kleding functionerend als dekentjes, boeken en geopende snoep- en chipsverpakkingen. Het is een gezellig rommeltje; de achterbank is veranderd in een mobiele woonkamer.
We overnachten in een idyllisch Zwitsers bergdorpje, in een hotel waar het afwisselend ruikt naar een sterke luchtverfrisser en kaasfondue. We zijn zo’n zeshonderd kilometer van ons land vandaan, maar er staan enkel auto’s met een Nederlands kenteken geparkeerd. ’s Avonds doen we een poging een film te kijken, maar tevergeefs; nog voor we halverwege zijn, ben ik in slaap gevallen. Moe van een hele dag nietsdoen.
De volgende ochtend zetten we de reis tijdig voort, in de hoop de drukte voor te zijn. Na nog een paar uur door de bergen geslingerd te hebben, passeren we de grens. Op de autostrade kunnen we in de file aanschuiven. De temperatuur loopt op, onze snelheid maar met vlagen. Vooral in de breedte verplaatsen we ons – en we zijn niet de enigen. Een file in Italië is als een potje sneldammen, waarbij de stukken in hoog tempo over het bord worden verplaatst. De Italianen zelf schrikken niet terug voor wat risico – ze lijken hun keuzes bij het wisselen van rijbaan te baseren op niets anders dan impulsen. Zien ze een gaatje, dan werpen ze hun auto erin – hoe klein dat gat ook is, hoe hoog de snelheid ook ligt.

Hoewel er navigatie is, volgt mam met haar vinger de route op een kaart. In een poging wat files te ontwijken, rijden we door verschillende ingeslapen Italiaanse dorpjes. De navigatie lijkt er de weg nog niet te kennen, de informatie die de kaart biedt is ontoereikend. Af en toe eindigen we op een punt waar omkeren de enige optie is, willen we niet in een maisveld belanden. Toch bereiken we telkens weer de autostrade, en uiteindelijk onze bestemming. Zo wordt na twee dagen reizen maar weer eens bevestigd dat er meerdere wegen zijn die naar Rome leiden.
VAN DE WERELD

Ik was even vergeten dat ik nog niet alles uit Zuid-Afrika gedeeld had hier. Terugkijkend naar deze foto’s lijkt het onwerkelijk dat ik daar was, nog maar een paar weken geleden.
Waar het, wanneer de motor afsloeg, alles behalve stil was. Waar krekelkoren en tientallen vogels klonken. Bladeren ritselend door de wind, of door dieren die hun weg zochten buiten de gebaande paden, zodat we ze niet konden zien maar wel horen.
Midden in de natuur, maar even van de wereld.
TIME & LIFE – ZUID-AFRIKA
Muziek: Theodore Shapiro – Time & Life
WELKOM IN ZUID-AFRIKA
De reis begon in Amsterdam, met een tien uur durende vlucht naar Johannesburg. Vroeger vond ik het niet fijn om te vliegen, want saai. Inmiddels geniet ik er juist van – het is het beste excuus om tien uur lang niets anders te doen dan lezen, films kijken of gewoon een beetje voor je uit staren. Vanaf Johannesburg vlogen we naar Hoedspruit, in ongetwijfeld het kleinste vliegtuig waarin ik ooit gezeten heb. Onder ons werd de wereld steeds verlatener. In de verte strekten blauwe bergen zich uit in de mist – ik kon niet zien waar het land eindigde en de lucht begon. Wegen van rode aarde ontstonden vanuit het niets, als de bron van een rivier opdoemend uit het beboste landschap.
Het was een korte vlucht: na drie kwartier sprong het lichtje voor de gordels aan, de landing zou spoedig ingezet worden. Het enige wat ik me kon afvragen was: waar dan? Er was, afgezien van die kronkelige zandpaden, nog geen enkel teken van beschaving te ontdekken. Toen we een paar minuten later aan de grond stonden, bleek mijn vraag niet geheel onterecht. Het vliegveld bestond slechts uit een landingsbaan en een klein gebouw, dat er puur voor het idee neergezet leek te zijn. Echter, meer was er ook niet nodig; vanaf Eastgate vertrokken dagelijks slechts twee of drie vluchten.
De rit naar ons verblijf zou ongeveer twintig minuten duren, ‘depending on the traffic’. Dat verkeer bleek te bestaan uit vijf apen, een paar hangbuikzwijntjes en vier olifanten. Op twee meter afstand staken ze op hun dode gemakje de weg over. Welkom in Zuid-Afrika.
Die middag al gingen we echt op safari. In een verbouwde pick-up crosten we over de stoffige paden. De zon scheen nog fel en het was warm, maar de vaart die we hadden, veroorzaakte een aangename wind. Al na anderhalf uur in het Kapama Park waren mijn verwachtingen meer dan waargemaakt. We zagen zebra’s, giraffes, impala’s, nog meer olifanten en natuurlijk prachtige natuur, overal waar je keek. (En ook babydiertjes! Ik smolt, echt waar. En wees gerust, ook daar zijn foto’s van.) Wat mij nog het meest verbaasde was hoe dichtbij alle dieren waren. Ze waren allemaal heel rustig en liepen om de pick-up heen alsof het een grote rots was die er altijd al gestaan had. De olifanten kwamen zelfs zo dichtbij dat ik bijna een staart in mijn gezicht gezwiept kreeg.
Rond zes uur begon het donker te worden, en daarmee ook een stuk koeler. De koplampen schenen op de weg, met een zaklamp werden de struiken belicht, op zoek naar ogen die zouden reflecteren. En dat deden ze. In de schemering lagen twee vrouwelijke leeuwen midden op het pad. Toen we dichterbij kwamen was ik ervan overtuigd dat ze weg zouden lopen, maar het deerde ze niets. Met ingehouden adem bewonderde ik ze. Niet veel later was er ook een mannetje gespot, maar die liet zich iets minder makkelijk zien. Onze gids gaf zich echter niet gewonnen en stuurde de pick-up zonder pardon de bossen in. Na een roerige achtervolging belandden we weer op de weg. De leeuw liep voor ons uit, met langzame, trotse stappen. Toen hij na zeker tien minuten een geschikte plek had gevonden, vleide hij zich midden op de weg neer en sloot hij zijn ogen.
Conclusies na dag één: Zuid-Afrika is prachtig. Olifanten hebben de liefste, zachtste pootjes die er maar zijn. En leeuwen zijn, hoewel ik anders vermoedde, de meest luie dieren ooit.
Dit waren de eerste foto’s vanuit Zuid-Afrika. More is yet to come!
LITTEKENS
Dinsdag 10 maart 2015, 06.33
‘Goedemorgen jongens en meisjes. We zijn in Auschwitz.’
Het was niet het meest opbeurende bericht om mee wakker te worden. Ik was echter heel blij dat we er waren, aangezien het betekende dat ik de bus uit kon. De omschrijving van mijn nacht zal ik beperkt houden: ik was ziek. Ziek door vermoeidheid en moe door ziekheid. En dan over Poolse hobbelwegen rijden in een muffe bus, met het idee dat de komende acht uren zo zullen zijn… Het was geen ideale situatie, laat dat duidelijk zijn.
Het complex was nog verlaten en gehuld in mist. We waren vroeg. Sommigen probeerden nog wat verder te slapen, de meesten hadden net als ik behoefte aan frisse lucht en een plek om je tanden te poetsen. Ik wisselde euro’s voor zloty’s en kreeg een handvol muntjes, die ik weken later nog in verscheidene zakken en zijvakjes tegen zou komen.

Gestaag vulde de parkeerplaats zich met bussen, met daarin veelal scholieren. We werden opgesteld in rijen en kregen headsets aangereikt, waardoor we onze gids zouden horen. Ze leidde ons naar waar onze rondleiding begon. Het was tevens de plek waar dagelijks honderden gevangenen woorden lazen die ze nooit waar zouden kunnen maken: ‘Arbeit macht frei.’

We waren in Auschwitz 1, het kleinere deel waar de beruchte poort stond en de huizenblokken van steen waren. Veel van die blokken dienden nu als museum, met aan de muren in het geheim gemaakte foto’s en verhalen van jaren geleden. Achter glas lagen voorwerpen die nooit bij hun rechtmatige eigenaren terug zouden komen: bergen schoenen, brillen, koffers. Babykleertjes. Haren, immense bergen ingevlochten haren die bij binnenkomst werden afgeschoren en verzameld. Zodat ze later ‘een beter doel konden dienen’.

Joodse vrouwen huilden bij de aanblik van de familienaam op een van de ellenlange lijsten, waarmee een poging werd gedaan al die anonieme slachtoffers hun identiteit terug te geven.
Na een korte busrit kwamen we bij het tweede deel van Auschwitz. Nog meer dan Auschwitz 1 voelde het als een filmdecor. Ik herkende de houten barakken. Echter, het overgrote deel ervan was verwoest – van de meeste stond alleen nog de schoorsteen overeind. Honderden van die bakstenen pilaren stonden verspreid over het terrein, dat in stukken verdeeld werd door hekken van prikkeldraad. Wat nog meer in het oog sprong was de spoorweg. Onder de wachttoren door kwamen de treinen het kamp in. Aan het einde van de oorlog werd het spoor verlengd, zo vertelde onze gids: tot direct naast de gaskamers.
In mij groeide een gevoel dat het midden hield tussen afschuw en schaamte. Meer dan ooit kon ik me voorstellen hoeveel mensen slachtoffer geworden zijn van deze praktijken en hoe vreselijk die geweest waren. Ook besefte ik hoe goed ik het wel niet had, met het feit dat ik alles kon doen en zeggen wat ik wilde. Die vrijheid is zo vanzelfsprekend dat hij nooit bewust gewaardeerd wordt. Op dat moment deed ik dat zeker wel en vroeg ik me af hoe ik nog kon klagen over iets als drukte op school, of – inderdaad – een oncomfortabele busreis.
Diezelfde vrijheid gaf me de kans om daar in Auschwitz te zijn. Om met eigen ogen te zien wat ik slechts uit boeken en films kende. In tegenstelling tot vele anderen had ik ook de vrijheid er weer weg te gaan.
Aangekomen in het hostel in Kraków, stootte kamergenootje Mienke haar hoofd tegen de scherpe punt van een trapleuning. In eerste instantie leek het niet zo erg, maar ’s avonds bleek het toch gehecht te moeten worden. Een aantal uur zat ze te wachten in een Pools ziekenhuis, terwijl de rest van de groep lol trapte op de kamers. Ik bleef achter met ambivalente gevoelens. Het leek bijna ongepast om het heel leuk te hebben na wat ik vandaag gehoord en gezien had.
Het is goed dat ik er geweest ben. Het was goed me eens te realiseren hoe bevoorrecht ik ben met het leven dat ik kan leiden. Maar met schuldgevoelens zou ik niemand verder helpen. Ook de tijd kon ik er niet mee terugdraaien.
OVER CHOCOLADE-EENDJES EN BELADEN WOORDEN
Maandag 9 maart 2015
Half zeven, in Berlijn gaat de wekker. Met z’n achten op een kamer slapen is gezellig, maar je wordt zo vroeg wakker als diegene die het eerste wil opstaan. We hadden onze tijd ook wel nodig: om acht uur zouden we vertrekken. Voor die tijd moest de puinhoop nog ingeperkt worden tot het formaat van acht koffers en iedereen wilde nog douchen. Omdat ik van mezelf weet dat ik niet op mijn best ben op de vroege morgen, had ik al wat voorbereidingen getroffen. Mijn wekker stond pas drie kwartier later. Dat is zo’n heerlijk gevoel: langzaam wakker worden, met de gedachte dat het eigenlijk nog niet hoeft.
En ik werd niet zomaar ergens wakker: we waren in Berlijn!
(Een deel van) de groep.
We gingen langs een immense chocoladewinkel, waar een donkerbruine Brandenburger Tor in de etalage stond te pronken. Ook hadden ze er chocolade-eendjes – het is immers over een maand al pasen.
We bezochten een stukje van de muur.
Ik genoot van de zon – en het feit dat ik daar was, in Berlijn, op een maandagmorgen in maart.
We bezochten het museum ernaast.
Vervolgens gingen we naar het Sony Centre, waar we kaartjes haalden voor de film die we later die avond gingen zien.
En waar ik nog even wat meer abstracte foto’s maakte, want die had ik nog niet genoeg.
(Het is dat ik hierboven die groepsfoto geplaatst heb, maar anders zou je je waarschijnlijk afvragen of ik ook mensen ben tegengekomen in Berlijn.)
Met de metro reden we een stuk de stad uit, naar Hohenschönhausen. In deze voormalige Stasi-gevangenis kregen we een rondleiding van een mevrouw die ons halverwege tussen neus en lippen door vertelde zelf ook in deze gevangenis te hebben gezeten. De ondervragingen en isolatietechnieken waar ze vervolgens over sprak, kregen toen wel een andere lading. Haar woorden brachten rillingen in mijn lijf teweeg. Buiten wachtten we buiten op de andere groepen, terwijl de laagstaande zon scherpe schaduwen veroorzaakte op het stenen gebouw.
We liepen weer richting Sony Centre, maar niet voordat we eerst de Aldi geplunderd hadden alsof we al dagen niets gegeten hadden. Nee, dat viel mee hoor. Maar zo ziet het er nu eenmaal uit wanneer vijftig scholieren tegelijk een supermarkt binnenkomen.
’s Avonds gingen we naar The Imitation Game, over een wiskundige die in de Tweede Wereldoorlog de code kraakte waarin de Duitsers communiceerden. Het is zonder twijfel één van de mooiste films die ik de afgelopen tijd gezien heb. Ik zat er helemaal in; toen de aftiteling in beeld kwam, had ik even tijd nodig om te beseffen waar ik was en waarom. Om deze hele reis hangt natuurlijk een geschiedenissfeertje, dus dat paste ook erg goed.
Om een uur of elf verlieten we de bioscoop. Niet op weg naar een hostel, maar naar de bus: ons verblijf voor de nacht. Een slaapplek werd het voor mij niet echt – maar daarover later meer.
Ondanks vermoeidheid waren we heel druk. We huppelden langs de Brandenburger Tor en zongen liedjes van Taylor Swift alsof we nooit anders deden. ‘Je hebt verschillende soorten moe,’ legde ik eerder die avond uit aan een docent die mee was. ‘Er is bijvoorbeeld lacherig moe, of irritant moe. Nou, dan kan je beter lacherig moe zijn, toch?’ Hij gaf geen antwoord. ‘Of misschien vindt u dat ook irritant. Dat merkt u dan vanzelf wel.’
OVER HOLOCAUST, HIJSKRANEN EN ZOETROZE WOLKEN
Zondag 8 maart 2015, 03:53
In de bus hing een gedempt soort enthousiasme. Zachtjes werd er door het gangpad gelopen, de bagagerekken werden gevuld met jassen, tassen vol tijdschriften en eten, proviand voor de lange reis. Fluisterend claimden we onze plaatsen. Het aantal uren dat die nacht geslapen was bleek te variëren – van weinig tot heel weinig, tot nul. De motor startte, we lachten halfslachtig naar de ouders die hun ogen lang genoeg open hadden kunnen houden om hun kroost uit te zwaaien.
We bleven wakker tot het licht werd. Met de zonsopkomst viel de stilte, zelfs achterin de bus. Met kussentjes tegen de ramen geleund vielen we in slaap, de gordijnen tevergeefs dichtgeschoven tegen het felle zonlicht.
Om half zeven vond de eerste stop plaats. (Slaap)dronken strompelden we van de trap af, om vervolgens een half uur te gaan staan koukleumen onder het blauwige licht van het tankstation. Drie jongens gooiden over met een frisbee, de rest van de groep onderdrukte de neiging het ding de snelweg op te werpen.
Het landschap veranderde van vlak Nederlands naar heuvelachtig Duits en uiteindelijk Berlijns. Een mix van pastelkleurige Oostblokflats, glazen wolkenkrabbers en enorme, Grieks aandoende bouwwerken. We verkenden de stad eerst met de bus, vervolgens te voet.
(De meeste mensen maakten foto’s van mooie gebouwen in de laagstaande zon, zo af en toe een selfie. Ik was gefocust op hijskranen. Ieder zijn ding, hè.)
Via verschillende highlights kwamen we bij het Holocaust monument en museum. Waar ik de stemming eerder zou omschrijven als ‘moe en melig’, was hij nu enigszins bedrukt. We zagen familieverhalen, handgeschreven noodkreten en onvoorstelbaar grote getallen die stonden voor het aantal gestorven mensen.
Het monument zelf was als een luguber grijs doolhof, waarin je het steeds benauwder kreeg al naargelang je je verder naar het midden verplaatste. De muren werden hoger, de gangen leken smaller en je wist nooit achter welke hoek je iemand tegen ging komen. Telkens was je op je hoede en toch schrok je wanneer het gebeurde.
Maar het was mooi. Overdag als een tekening van Escher, ’s avonds in sterk contrast met de zoetroze wolken.
Onder deze suikerspinnenhemel liepen we terug naar het hostel, waar iedereen dankbaar op zijn bedje neerplofte. De kamer was binnen tien minuten al een gezellige puinzooi. Elke horizontaal oppervlak was bedekt met reiskussentjes, zakken lolly’s of chips en make-up. Er was muziek en het rook er naar zoete bodylotion en openstaande koffers vol frisgewassen kleding.
(Nu nog wel.)
Via het openstaande raam kwam de koele avondlucht van Berlijn naar binnen.
We aten bij een willekeurige Italiaan die bereid was tien, twintig en welja, dertig mensen tegelijk binnen te laten. We proostten op wat een hele mooie week zou worden.
VIDEO: THINGS WE’VE NEVER SEEN (BERLIN, KRAKÓW & DRESDEN)
Voorafgaand aan de verhalen die ik wil vertellen: een verhaal in beelden.
Muziek: Mighty Oaks – Just One Day














































































