Het was net een week te vroeg zomer geworden. In zo min mogelijk kleding puften we de werkdag door, in ons appartement dat ‘erg warm’ was, aldus de vorige bewoner. In het voorjaar hadden we daar ons voordeel mee gedaan, dus nu legden we ons erbij neer, verkoelden onszelf met Calippo’s en waterflessen uit de vriezer, terwijl we deden wat er moest gebeuren voordat het naast zomer ook vakantie was.
De zon overtuigde me er al een voorsprong op te nemen. ‘Doe het nu,’ riep ze, ‘ik doe geen beloftes over hoelang ik er nog ben.’ En dus sprong ik op de fiets, wapperende jurk, billen op een heet zadel, de handvaten van mijn stuur langzaam smeltend, een zwart plaksel achterlatend op mijn palmen. Avondeten aan de singel, nog even zwemmen aan de rand van de stad, een glas wijn bij dat ene hippe restaurant op dinsdagavond. (‘De Welschriesling? Dat is dus geen gewone riesling, hè? Echt een andere druif. Een funky wijn, appel, hazelaar, warm asfalt. Die doen?’) En dan weer terug naar mijn laptop, de kantlijn vol comments van toen het nog tien graden kouder was, over zaken waar ik nog wat beter naar wilde kijken. Eén voor één markeerde ik ze als opgelost.
Nu ben ik hier. Ik ontbijt in een pyjamabroek die me als tiener al iets te klein was, de lucht is geruststellend grijs. De tegels in de tuin zijn weer te belopen op blote voeten, maar op zolder ruikt het nog naar warm hout. De hond maakt zich zo plat mogelijk op de koude vloer om het contactoppervlak te maximaliseren. Een colonne mieren trippelt over het aanrecht. Het begint zachtjes te regenen.



