IN MINIMAAL 30 WOORDEN

scan0017

Na twee dagen vind ik mezelf ervaren genoeg om iets te schrijven over hetgeen waar al het gehele schooljaar naartoe geleefd wordt: het Centraal Schriftelijk. Wanneer ik een examen maak, blijk ik me in een concentratievacuüm te bevinden. Daarin bestaan alleen vragen en antwoorden, sporadisch een graai in een bakje druiven. Of zoals ze het in de Volkskrant zouden verwoorden: ik begeef me in het epicentrum van mijn bewustzijn.

Deze hyperconcentratie resulteert erin dat ik na drie uur niet meer weet waar de eerste opgave over ging. Hulde dan ook voor de mensen die om vijf uur ’s middags al een scherpe poll op Facebook hebben geplaatst. Zoals Colette zei: ‘Het leukste aan examens is dat ik de grapjes op social media snap dit jaar.’

Je kan je voorstellen dat ik met een overvolle hersenpan thuiskom na zo’n zitting. Ik voel sterk de behoefte om tegen iemand aan te kletsen over de essentie van tekst vier of de bedoeling van vraag twintig, mocht ik nog weten waar die over ging. Mijn familie kan ik hier maar tot op zekere hoogte mee lastigvallen, dus doe ik mijn woordje hier.

Het examen Nederlands verliep zoals ik verwacht had. Ik markeerde er lustig op los, goochelde wat met functiewoorden. Door Martin Heidegger werd ik even verleid te gaan twijfelen aan het nut van het leven (en dus de examens). Maar ik trapte er niet in. Ik probeerde alles wat op creativiteit of een eigen mening leek te onderdrukken. En dat ging eigenlijk prima.

Dan scheikunde. Dat was… Tsja. Scheikunde. Daar wil ik het graag bij laten.

Nee, natuurlijk niet. Bij Nederlands heb ik de oplossing voor de wereldcrisis al moeten samenvatten in dertig woorden, rekening houdend met de aspecten die deze crisis kenmerken en de partijen die ervoor verantwoordelijk zijn. (Of zoiets.) Dan ga ik me in mijn eigen eindexamensamenvatting niet nóg eens zo beperken.

Ik weet dat ik wat betreft scheikunde nooit beter ga worden dan ‘gemiddeld’, vanwege een gebrek aan interesse en kundigheid. En dat is oké – het is het me niet meer waard me er druk over te maken. Dat heeft me misschien nog wel het meest verbaasd de eerste examendagen: mijn eigen gemoedstoestand. Zo nu en dan een vlaagje zenuwen en een vrij zonnig humeur – dat is niet wat ik verwacht had deze periode.

Verder blijken mijn ideeën over de examentijd wel te kloppen. Een gymzaal gevuld met lichte nervositeit. Een tafel vol paperassen, waar na twee uur schrijven geen systeem meer in te ontdekken is. De bemoedigende glimlachjes van docenten. (En dat je dan lief terugknikt, maar stiekem denkt: ‘Ja, lach maar. Jij hoeft dit niet te doen.’)

Dat naar de wc gaan een uitje wordt, wanneer je je al twee uur op één vierkante meter bevindt. Je vangt de blik van je klasgenoot op wanneer je terugkomt van je plaspauze. Waarin je niet eens hebt geplast, overigens – je wilde gewoon even je benen strekken. Op weg naar je tafel herkennen jullie wat melodramatische wanhoop in elkaars ogen, waar je nogal de slappe lach van krijgt. Je beseft dat dat totaal niet handig is, in deze gymzaal waar alleen het geritsel van papieren en het gekraak van waterflesjes klinkt. We glimlachen elkaar bemoedigend toe. Wij mogen dat, want we zitten in hetzelfde scheikundeschuitje. Het is een glimlach die voortkomt uit één geruststellend gegeven: in dit schuitje zitten we waarschijnlijk nooit meer.

Dit was de eindexamensamenvatting (ja, ja) van week 1. In week 2 maak ik Engels, dat wordt een makkie. Dan wiskunde en op vrijdag ga ik aan het zwarte gat natuurkunde proberen te ontsnappen. Misschien komt daar ook een samenvatting van. Misschien ook niet – wie zal het zeggen. Wat je kan doen om met mijn wispelturigheid om te gaan, is de Facebookpagina van Picture this by Milou liken. Zo blijf je zeker op de hoogte wat betreft examenupdates en verhalen over andere zaken. Want die schrijf ik ook heus wel. Maar nu even niet.

#44 Ω

IMG_4901

Door al die gezellige bètavakken die ik gekozen heb, moet ik regelmatig een practicum doen. Bij scheikunde gaat dat best goed. Je gooit wat vloeistoffen bij elkaar tot je een leuk brouwseltje hebt. Wat er daarna gebeurt is altijd een verassing. Soms klinkt er een knal, dan verandert er iets van kleur en af en toe begint je mengsel ineens als een gek te schuimen. Zaak is te proberen om hier niet al te veel van te schrikken en niets uit je handen te laten. Als dat je lukt, ben je er eigenlijk al.

Biologie is een ander verhaal. Vaak moet je preparaten maken, wat een nogal friemelig werkje is waar minuscule schaafjes, naaldjes en dekglaasjes aan te pas komen. Friemelige werkjes zijn niet zo aan mij besteed. Gelukkig werk je altijd in tweetallen, dus als mij het niet lukt, kan mijn partner het wel voor elkaar krijgen. Mocht je niet precies weten wat je moet doen, dan kijk je gewoon hoe je buren het aanpakken. Je besluit om te doen wat zij doen, of juist compleet het tegenovergestelde. En dan komt het meestal wel goed.

Maar dan is er natuurkunde. Bij dat vak doe je de meeste practica en ook vandaag was het weer feest. Vooraan in de klas staan karren met benodigdheden. Je pakt van alles eentje en loopt vervolgens nog drie keer heen en weer omdat je van het ene drie exemplaren nodig hebt, en het andere helemaal niet hoeft te gebruiken. (‘Waarom ligt het er dan?’, wil je weten? Om ons in de war te brengen, denk ik.) Je probeert met al die schakels, lampjes, weerstandjes en draadjes een opstelling te maken die enigszins lijkt op het plaatje. Dan moet alles verbonden worden met kabeltjes. Er zijn rode en blauwe. Waar de rode horen en waar de blauwe is altijd weer de vraag. En dan heb je het eindelijk uitgevogeld, en herinner je je dat het eigenlijk helemaal niets uitmaakt. Want het zijn precies dezelfde kabeltjes, enkel met een ander laagje verf.

Meestal duurt het een kwartier en vele vragen voordat mijn partner en ik snappen wat we moeten doen. Maar nu wisten we het – het was allemaal duidelijk. IJverig sloegen we aan het meten en rekenen. Wat waren wij goed bezig. ‘Zo klopt het, toch?’ vroeg mijn practicumpartner uiteindelijk aan de docent, meer als retorische vraag. Hij boog zich over de getalletjes, mompelde wat. ‘Nee.’ sprak hij, net iets te vrolijk voor de situatie. (Maar hij is eigenlijk altijd vrolijk, dus ik kan het hem niet kwalijk nemen.) Gelukkig had ik het uur erna filosofie. Zolang het goed onderbouwd is, klopt je antwoord daar altijd.