het f-woord

‘Ik ben toch al fucked,’ zei ik vandaag tegen een collega. Het ging over wetenschappers die zich expliciet uitspreken tegen sociaal onrecht. Als je naam onder een petitie staat, of er kritische berichten op je telefoon staan, kan dat je bijvoorbeeld belemmeren om de Verenigde Staten binnen te komen. Voor mij gaat een petitie meer of minder het verschil niet maken. ‘Ik heb een feministisch boek geschreven over seksualiteit. Als het vertaald was, zou het daar vast op een zwarte lijst staan.’

Dat ik een boek schreef over seks was bekend. ‘Ik wist niet dat het ook een feministisch boek was.’

‘Nou – ik heb het geschreven,’ flapte ik eruit. ‘Dus het is een feministisch boek.’

Daarmee bedoelde ik niet dat boeken van vrouwelijke auteurs automatisch feministische boeken zijn, of dat anderen geen feministische boeken kunnen schrijven. Ik bedoelde dat er voor mij niets anders op zit, omdat ik nu eenmaal op die manier naar de wereld kijk. Feminisme gaat voor mij over veel meer dan vrouw zijn; het gaat over niets als vanzelfsprekend zien. Door wie en voor wie is deze wereld gemaakt? Die vraag vormt mijn denken en dus ook mijn schrijven. 

Wel vraag ik me af of ik mijn boek destijds als feministisch zag, of expliciet op die manier heb geschreven. Inmiddels zie ik het als een auto-etnografie van mijn seksualiteit: een narratieve onderzoeksvorm die past binnen de feministische traditie. Tijdens het schrijven kende ik dat concept echter niet, en las ik nog maar weinig feministische literatuur. Toch zie ik terugkijkend dat perspectief erin terug. Gelukkig is daar binnen het feminisme ook ruimte voor: vormen, ideeën en ervaringen waarvan de contouren nog vaag zijn, die zich nog niet altijd helder laten omschrijven.

Momenteel werk ik aan een boek over onderwijs, dat onvermijdelijk een feministisch boek over onderwijs wordt. Wel vraag ik me af of hoe onomwonden ik dit ga presenteren. Ik vrees namelijk dat het stempel ‘feministisch’ voor veel mensen mannen betekent: dat hoef ik niet te lezen. Misschien laat ik het weg van de achterflap, onthul ik het langzaam terwijl het verhaal vordert, zodat een argeloze lezer het pas doorheeft wanneer die er al middenin zit. Misschien is dat ook wel feministisch te noemen: enige ambiguïteit, voor de goede zaak. Misschien helpt het soms om niet alles expliciet te maken.

Voor wie wel zin heeft in een feministisch boek: Niet bepaald sexy is te bestellen via bijvoorbeeld de webshop van mijn uitgever.

superpositie

Kan het ook anders?

Dat vroeg ik me af toen ik begon aan mijn masterscriptie voor de lerarenopleiding. Ik wilde onderzoek doen naar ‘dissent’: het in verzet komen tegen machtsstructuren, deze kritisch bevragen en hervormen, met als doel een rechtvaardigere samenleving. Ook het onderwijs is een machtsstructuur, waarvan bevraagd kan worden hoe rechtvaardig die is. Zouden jongeren niet aangemoedigd moeten worden de gang van zaken te bevragen? Waarom dit, waarom zo, waarom niet anders? Tegelijk kon ik niet ontkennen dat ik zelf ook in zo’n machtsstructuur zat: een wetenschappelijke opleiding die voorschreef waar een goede scriptie aan voldeed. Moest een onderzoek naar het bevragen van structuren, niet ook bevragen wat onderzoek kon zijn? Kon het ook anders – creatiever, intuïtiever, betekenisvoller? Ik besloot erachter te komen door het te proberen: ik begon niet met een traditioneel onderzoek, maar met een verhaal. Of ik er ook mee kon afstuderen – dat ging ik zien.

Het resultaat is ‘superpositie: (g)een scriptie over de kunst van dissent in het onderwijs’, het eerste hoofdstuk deel ik hier graag, je kan het hieronder lezen. Een centraal thema is ‘interesse’: hoeveel ruimte is daarvoor binnen het onderwijs? Wat als we vaker beginnen vanuit de vraag: wat wil je graag leren? In plaats van een vooraf bepaalde methodologie, volgde ik mijn eigen interesse. De opgedane inzichten beschreef ik in verhalen vol metaforen, fantasie en humor. (Ik heb er zelf in ieder geval erg om gelachen.) Binnen de wetenschap raakt het aan auto-etnografie: ik reflecteer op mijn eigen ervaringen als leerling, student en docent in het voortgezet onderwijs en verbind deze met theorie, kunst en gesprekken. Ook neem ik het scriptieproces zelf onder de loep. Wat moest ik er eigenlijk van leren? Waarom was het zo spannend dit alles te bevragen? En hoe zorgde ik ervoor dat dit verhaal iets teweeg ging brengen, dat meer mensen zich zouden afvragen: kan het ook anders in het onderwijs?

Het was hier weer even stil, dit verhaal vroeg mijn aandacht! Het werd een project dat mijzelf verrast heeft en waar ik met veel enthousiasme aan heb gewerkt. Ik ga nog onderzoeken hoe ik het op grotere schaal kan publiceren. Ik zal hier updates plaatsen, mocht je op de hoogte willen blijven!

de bank

De afgelopen maanden volgde ik een vak over kansen(on)gelijkheid in het onderwijs. Met zo’n vijftien studenten verdiepte ik me in de effecten van vroege selectie, toetscultuur en schoolsegregatie. In het kader van een onderzoek praatten we erover na. Een gewetensvraag voor de docenten: vonden ze het verantwoord om studenten van de lerarenopleiding te confronteren met dit soort systemische problemen? Het kon aspirantleraren het idee geven dat er nog iets was wat moest, nog iets wat ze verkeerd konden doen. Straks werden ze mismoedig en verlieten ze het onderwijs, om vervolgens bij een bank aan de slag te gaan. De docent lachte. Dat leek hem sterk.

Ik dacht aan mijn vader, die me precies dat adviseerde wanneer we het over mijn toekomst hadden. Als het toch niks werd met de kunst, kon ik altijd nog bij ABN AMRO aan de slag. Daar was altijd plek voor slimme mensen.

Ik dacht aan een jeugdvriendin die ik deze zomer sprak. Ik vroeg waar ze na haar studie econometrie beland was. Ze deed onderzoek. Waarnaar? Dat hing af van de vraag. Momenteel kwam die van een fabrikant van paardenvoer. Zij vroegen zich af welk paard het beste was voor op de verpakking. Maakte het uit? Wel degelijk, vertelde ze: een wit paard op de zak zou de indruk kunnen wekken dat het voer alleen voor witte paarden was bestemd, wat de verkoop niet ten goede zou komen.

Ik dacht aan een vriend die het erg naar zijn zin had als consultant. Maar soms kwam hij terug van de koffieautomaat, keek hij uit over zijn afdeling en dacht hij: hier zijn een heleboel sociale en intelligente mensen PowerPoints aan het maken.

Ik dacht aan alle mensen van wie ik wist dat ze na een studie pedagogiek, rechten of filosofie inderdaad bij een bank waren gaan werken.

Ik dacht aan een vriendin die me vertelde dat vrijwel al haar vrienden consultant waren. Ze hadden natuurkunde gedaan, scheikunde of kunstmatige intelligentie, maar voelden niet direct de behoefte daar iets mee te doen. Ze wilden zich breed ontwikkelen en kwamen zo uit bij McKinsey of KPMG, want daar konden ze in korte tijd ontzettend veel leren.

Weet je waar dat ook kan? In het onderwijs.

Hoewel daar op allerlei vlakken tekorten zijn, is er aan uitdaging geen gebrek. Conceptontwikkeling, conflictbemiddeling, gespreksvaardigheden, efficiënt werken, snel schakelen, empathisch leiderschap, het komt allemaal voorbij. Bovendien is het een zeer geschikte omgeving om te werken aan je morele kompas. En ook in het onderwijs kan je PowerPoints maken.

Genoeg te doen daar, voor slimme mensen.

a raging bitch

In de categorie ‘dat lijkt wel een jaar geleden’ valt ook mijn semester aan Vanderbilt University. Ik denk er vaak aan, de laatste weken, vanwege alle vrienden en studiegenoten die hun uitwisseling vervroegd moesten afbreken.

Er valt heel veel te zeggen over het Amerikaanse onderwijssysteem, maar voor nu wil ik het laten bij mijn eigen academische ervaringen. Die waren best opzienbarend, voor iemand met een Utrechts referentiekader. Het begon al op de drempel van de kunstfaculteit. Cohen Hall had een imposante entree, met alles in marmer: vloeren, trappen en quasi-Corinthische zuilen. Boven waren de klaslokalen, bedompt en zonder ramen. Het maakte niet uit – we zaten veelal in het donker om de beamer zijn werk te laten doen.

Met professor Fischer bespraken we moderne kunst na 1945. Het was haar laatste jaar voordat ze met pensioen zou gaan, maar dat betekende niet dat ze haar aandacht al had laten verslappen. Ze stelde ons veel vragen, alsof ze niet zomaar al haar kennis cadeau wilde geven.

‘Sind Sie Deutsch?’ vroeg ze toen ik voor het eerst mijn mond opendeed.

‘Nein,’ stamelde ik, wat de zaak er niet duidelijker op maakte.

Dan was er professor Jones, die me deed afvragen hoe één mens zoveel kon weten. Zijn powerpoint bestond uit niets dan plaatjes. Op het bureau vooraan geen aantekeningen, enkel een mok water.

(Water in een mók, ja. Ik ben er nog steeds niet overheen, geloof ik.)

Als zijn vak een serie was geweest, dan had die uit één aflevering van duizend minuten bestaan. De man deed niets anders dan praten – na ieder college ging hij op pauze, de keer erna weer op play. Zo om het kwartier haalde hij heel diep adem, kuchte en nam een slok water. Qua postuur en gezicht deed hij me denken aan Cameron Tucker uit Modern Family. Ook zijn accent was vergelijkbaar zuidelijk. Franse termen vormden daardoor een obstakel. ‘Juste mileu werd ‘djoest miloe’, hij sprak over de ‘foelie burzjur’ (folies bèrgere). Het was niet het type man dat je ging vragen ‘of hij dat nog één keer kon herhalen’. Mij onbekende namen schreef ik dus fonetisch op, met een vraagteken in de kantlijn – een zorg voor later.

(‘Groow?’ bleek dan Jean-Antoine Gros te zijn.)

Wat me bij beide professoren opviel, was hoe duidelijk ze hun mening over kunstenaars lieten blijken. Fischer kende sommigen persoonlijk. De Cubaanse Campos-Pons werd door haar liefkozend ‘Magda’ genoemd. Ook Judy Chicago had ze meermaals ontmoet. Tijdens de bespreking van haar Dinner Party sluimerde er al wat venijn. Tijdens de vragenronde gaf de professor toe. ‘She can be a raging bitch,’ besloot ze haar college.

Jones alias Cam had zijn negentiende-eeuwse subjecten natuurlijk nooit ontmoet, maar toch leek hij hen te kennen. Gauguin (‘Goowgan’) was een arrogant stuk vreten, Degas een antisemiet. (Dat was overigens echt zo – wist ik niet.)  Over de Fransen had hij sowieso weinig goeds te zeggen, met hun steeds wisselende leiders en schijnheilige preutsheden. ‘They would paint naked women and call them nymphs, so it would be okay to stare at their boobs.’ Het weerhield hem er niet van hun werken te prijzen.

Misschien overbodig te vermelden, maar ik was dit alles niet gewend. In de Utrechtse colleges bleef het altijd bij de feiten. Uit de mate van detail kon je wel afleiden wat iemands specialisatie was, maar daaruit bleek slechts grote interesse. Geen favorieten, geen karakterbeschrijvingen. Geen kwaad woord, maar ook geen grote liefde.

Op Vanderbilt was er geen angst een stempel te drukken. Zo besloot professor Fischer de laatste paar weken enkel nog vrouwelijke kunstenaars te bespreken. ‘To restore the balance.’ Bij het zien van Degas’ Miss La La au Cirque Fernando zal ik altijd aan professor Jones denken. ‘I hate him. But it’s my favorite.’