Dit is het duizendste verhaal.
Een verhaal over smalle zandweggetjes die nergens naartoe leiden, afgezien van een weiland aan weerskanten.
We stapten uit, liepen richting de zon. We baanden ons een weg door takken en over sloten, tot we de rand van nog zo’n weiland bereikten. Mijn zwarte laarsjes zakten weg in de stoffige aarde. Voetstappen doorbraken nu het gestreepte patroon dat daarin zo zorgvuldig was aangebracht.
Over hoe we wachtten tot de zon verder zou zakken en de lucht roze zou kleuren. En dat we ons afvroegen hoe dat eigenlijk kon. Dat ik dat zou moeten snappen, maar niet deed.
(Over hoe het heel sereen had kunnen zijn, ware het niet dat er zich een puppyschool honderd meter verderop bevond. Maar dat kan je op de foto’s natuurlijk niet zien.)
Batterijen raakten leeg en het werd kouder, het was tijd om te gaan. We liepen terug, ik keek nog één keer om. De silhouetten van de bomen staken af tegen een voorzichtig roze lucht.



























Tussen dorpje X, waar ik woon, en dorpje Y zo’n vijf kilometer verderop bevindt zich een natuurgebiedje. Het is netjes omheind met hekjes, er staan paaltjes in de grond en er staan bankjes om op uit te rusten. Er zijn boompjes, heitjes en een meertje. Het klinkt allemaal schattig en kleinschalig. En dat is het ook. Maar als de zon fel schijnt, er geen wolkje aan de lucht is, je het warm hebt vanwege het ploegen door het rulle zand en je de geluiden van de nabijgelegen weg even wegdenkt, lijkt het verdorie net een savanne in Afrika. Er zijn dan wel geen tijgers die je aan kunnen vallen, maar er lopen wel twee Aberdeen Angus koeien rond en die lijken me ook behoorlijk angstaanjagend als ze op je af komen draven.





