Dinsdag 10 maart 2015, 06.33
‘Goedemorgen jongens en meisjes. We zijn in Auschwitz.’
Het was niet het meest opbeurende bericht om mee wakker te worden. Ik was echter heel blij dat we er waren, aangezien het betekende dat ik de bus uit kon. De omschrijving van mijn nacht zal ik beperkt houden: ik was ziek. Ziek door vermoeidheid en moe door ziekheid. En dan over Poolse hobbelwegen rijden in een muffe bus, met het idee dat de komende acht uren zo zullen zijn… Het was geen ideale situatie, laat dat duidelijk zijn.
Het complex was nog verlaten en gehuld in mist. We waren vroeg. Sommigen probeerden nog wat verder te slapen, de meesten hadden net als ik behoefte aan frisse lucht en een plek om je tanden te poetsen. Ik wisselde euro’s voor zloty’s en kreeg een handvol muntjes, die ik weken later nog in verscheidene zakken en zijvakjes tegen zou komen.

Gestaag vulde de parkeerplaats zich met bussen, met daarin veelal scholieren. We werden opgesteld in rijen en kregen headsets aangereikt, waardoor we onze gids zouden horen. Ze leidde ons naar waar onze rondleiding begon. Het was tevens de plek waar dagelijks honderden gevangenen woorden lazen die ze nooit waar zouden kunnen maken: ‘Arbeit macht frei.’

We waren in Auschwitz 1, het kleinere deel waar de beruchte poort stond en de huizenblokken van steen waren. Veel van die blokken dienden nu als museum, met aan de muren in het geheim gemaakte foto’s en verhalen van jaren geleden. Achter glas lagen voorwerpen die nooit bij hun rechtmatige eigenaren terug zouden komen: bergen schoenen, brillen, koffers. Babykleertjes. Haren, immense bergen ingevlochten haren die bij binnenkomst werden afgeschoren en verzameld. Zodat ze later ‘een beter doel konden dienen’.

Joodse vrouwen huilden bij de aanblik van de familienaam op een van de ellenlange lijsten, waarmee een poging werd gedaan al die anonieme slachtoffers hun identiteit terug te geven.
Na een korte busrit kwamen we bij het tweede deel van Auschwitz. Nog meer dan Auschwitz 1 voelde het als een filmdecor. Ik herkende de houten barakken. Echter, het overgrote deel ervan was verwoest – van de meeste stond alleen nog de schoorsteen overeind. Honderden van die bakstenen pilaren stonden verspreid over het terrein, dat in stukken verdeeld werd door hekken van prikkeldraad. Wat nog meer in het oog sprong was de spoorweg. Onder de wachttoren door kwamen de treinen het kamp in. Aan het einde van de oorlog werd het spoor verlengd, zo vertelde onze gids: tot direct naast de gaskamers.
In mij groeide een gevoel dat het midden hield tussen afschuw en schaamte. Meer dan ooit kon ik me voorstellen hoeveel mensen slachtoffer geworden zijn van deze praktijken en hoe vreselijk die geweest waren. Ook besefte ik hoe goed ik het wel niet had, met het feit dat ik alles kon doen en zeggen wat ik wilde. Die vrijheid is zo vanzelfsprekend dat hij nooit bewust gewaardeerd wordt. Op dat moment deed ik dat zeker wel en vroeg ik me af hoe ik nog kon klagen over iets als drukte op school, of – inderdaad – een oncomfortabele busreis.
Diezelfde vrijheid gaf me de kans om daar in Auschwitz te zijn. Om met eigen ogen te zien wat ik slechts uit boeken en films kende. In tegenstelling tot vele anderen had ik ook de vrijheid er weer weg te gaan.
Aangekomen in het hostel in Kraków, stootte kamergenootje Mienke haar hoofd tegen de scherpe punt van een trapleuning. In eerste instantie leek het niet zo erg, maar ’s avonds bleek het toch gehecht te moeten worden. Een aantal uur zat ze te wachten in een Pools ziekenhuis, terwijl de rest van de groep lol trapte op de kamers. Ik bleef achter met ambivalente gevoelens. Het leek bijna ongepast om het heel leuk te hebben na wat ik vandaag gehoord en gezien had.
Het is goed dat ik er geweest ben. Het was goed me eens te realiseren hoe bevoorrecht ik ben met het leven dat ik kan leiden. Maar met schuldgevoelens zou ik niemand verder helpen. Ook de tijd kon ik er niet mee terugdraaien.




