Ga naar de inhoud
  • de kunst van
    • verhalen
    • beelden
    • onderzoek
    • milou
    • nieuwsbrief
    • archief

De kunst van

  • vreemd

    10 september 2026

    Het moment dat je na een paar weken je huis binnenstapt, en voor heel even de geur kan ruiken die er hangt – een paar seconden, dan is het weer verdwenen. ‘Dat ervaar ik nu,’ zeg ik tegen een collega, terwijl ik mijn roestvrijstalen waterfles afwas waarin de hele zomer bacteriën hebben staan kweken. 

    Alles hier doet me vreemd aan, deze eerste dagen dat ik terug ben; ik weet dat dit een plek is die bruist van de ideeën, maar ik ruik iets anders. De stilte op de gang waardoor ik haast niet durf te praten, het oogcontact met collega’s die ik alleen via de mail spreek. De achtergelaten spullen die niemand weg durft te doen, het bericht op het whiteboard dat niet meer uit is te vegen: EINDE DAG RAMEN SLUITEN! Ik heb zin om de muren roze te verven, maar hoe duidelijk ik ook knipoog wanneer ik het voorstel, er wordt met klem medegedeeld dat dit niet toegestaan is.

    Ik voel me te opgewekt, te ongeremd. Iedereen vraagt elkaar hoe het gaat en zegt dan goed – en ik begin over het moment dat je na een paar weken je huis binnenstapt, en voor heel even de geur kan ruiken die er hangt. ‘Dus je bent nog aan het wennen,’ reageert mijn collega. Ik knoei op het aanrecht terwijl ik het sop uit mijn fles laat stromen en zeg: ‘Ik weet nog niet zeker of ik dat wil.’

  • iets wat spreekt

    29 juli 2026

    In de zomer voelen mijn woorden vaak ver weg; alsof ze naar de bodem van een meer zijn gezonken waar ik aan de blauwgroene oppervlakte drijf. De contouren zijn zichtbaar, maar in de diepte kan ik niet lezen wat er staat, de letters slechts vlekken, bewegend onder water. Ik zou kopje onder kunnen gaan om ze als gedachten op te duiken, maar die behoefte voel ik niet. Het is wel rustig zo, een sprakeloze hitte.  

    Wat achter blijft is beeldtaal; schuiven met kleuren en vormen tot er iets ontstaat wat evengoed spreekt. Vandaag kwam er toch opeens tekst bij – in het Frans, weliswaar.

  • zien en zijn

    5 juli 2026

    De afgelopen weken heb ik me heel zichtbaar gevoeld. Er waren presentaties, sollicitaties, formaties en een auditie tot besluit. Ik sprak voor halfvolle en halflege zalen, voerde gesprekken waarin de ander niet eens doorhad dat het voor mij een optreden was. Ik woog mijn woorden, poogde mijn gedachten ineen te vouwen tot pakketten die voldoende gewicht hadden maar ook weer niet te zwaar waren. Ik zat aan tafel tegenover mensen die betekenisvolle blikken uitwisselden, nu en dan iets neerpenden op papieren die ik niet kon lezen.

    Gezien worden geeft energie; merken dat mijn ideeën iets doen opgloeien in de ogen van een ander, zoals ze dat bij mezelf ook doen. Tegelijkertijd vermoeit het me om te worden bekeken: het constante aftasten, afwachten en toch ook vast vooruitblikken, want in de verte staat mogelijk al een volgende toeschouwer, met een vergrootglas of een verrekijker of allebei.

    Gisteren stond ik in een daadwerkelijke spotlight om auditie te doen voor een theatercollectief, waarmee de fase van gezien worden tot een einde komt. Ik mag weer even onzichtbaar zijn. Ver hier vandaan zal ik de onbeduidende rol te spelen van toerist #173, naar wie niemand op- of omkijkt, een minuscule stip in de Golf van Biskaje. Wanneer ik terugkom zal de rest van Nederland nog in zomerslaap zijn en kan ik weer doen wat ik het liefste doe: niet bekeken worden maar kijken. ‘I always feel one step removed,’ hoorde ik schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie eens zeggen tijdens een lezing. ‘I go through life watching. I take notes.’ Zelf kan ik niet wachten om weer met mijn notitieboek in een hoek van de kamer te zitten waar niemand mij gadeslaat, zodat ik mijn energie kan richten op het maken van nieuwe plannen, het uitwerken van sluimerende ideeën die nog geen kritische blikken kunnen verdragen.

    Iemand die liever kijkt dan wordt bekeken, vroeg ik me af: waarom houdt die van toneelspelen? Ook daar is het mij om het kijken te doen. Net zo lief als voor een publiek speel ik met enkel een medespeler, op wie ik al mijn aandacht richt; een zucht die ontsnapt, een mondhoek die trekt, een blik die heel even afglijdt. Registreren, reageren of juist nog even niet, de stilte laten voortduren. Samen gewoon zijn, zoals dat in het echte leven maar zelden lukt, druk als we zijn met optreden.

  • wat handen weten

    5 juni 2026

    Een wirwar aan straten omringd door een stervormige wal, daarbuiten bossen en landerijen; Map of Days lijkt een kaart van een middeleeuwse stad, maar wie beter kijkt ziet dat kunstenaar Grayson Perry een zelfportret heeft getekend. Op het centrale plein staat een minuscule figuur, a sense of self, die rondtolt in de infrastructuur van zijn leven. Vanuit het plein vertrekken wegen als doing your best, fear of getting it wrong en nearest en dearest. Net buiten de stadsmuur staat een kast van een huis: the story we tell ourselves. Van zijn assumptions resteert enkel een ruïne, omringd door wasted potential. De rivier imagination stroomt diagonaal door het landschap, langs you have no fucking idea! en yearning to belong. Met zijn persoonlijkheid vult hij stad en wand, anderhalve vierkante meter museum. Kleine letters, wegen die pleinen tegenspreken.

    Een paar jaar geleden zag ik Map of Days in het Bonnefantenmuseum in Maastricht, en laatst dacht ik er weer aan, terwijl ik bezig was mijn creatieve proces in kaart te brengen. Het was een kunstwerk dat me bijbleef vanwege de gedachte: had ik dat maar gemaakt. Had ik maar zo’n kaart om bij me te dragen, om uit te rollen over tafel wanneer de situatie erom vraagt. Volgens mij valt creativiteit tot op zekere hoogte af te dwingen, door simpelweg te gaan zitten en te beginnen. Toch lukte me dat niet altijd, ronddwalend in een stad waar ik de weg niet wist. Ik wilde de straten namen geven, ik wilde weten welke wegen doodliepen en welke bronnen vruchtbaar waren. Ik kan nog geen gedetailleerde kaart tekenen, en misschien komt dat moment wel nooit. Maar ik heb best wat ontdekt, de afgelopen maanden.

    ik wil iets mooi(s) maken

    Op de kunstacademie werd mijn moeder wel eens bestempeld als estheet. Dat was geen compliment; kunst was er om te schuren, niet om te behagen. Persoonlijk ben ik het daar niet mee eens – nature of nurture, haar hang naar schoonheid is op mij overgedragen. Dat geldt ook voor het maakproces, zo besefte ik. Esthetiek is geen glanslak die ik wil aanbrengen op iets wat al bijna af is. Ook voor tussenstappen wil ik met zorg een vorm kiezen, omdat vorm ook inhoud is.

    iets moois begint niet op de computer

    Op het whiteboard naast mijn werkplek staat al maanden een uitspraak van mij, opgeschreven door een collega omdat ze er zo om moest lachen: ik wil iets maken en wat ik wil maken is geen Excel-sheet. Soms eindigt het op een scherm, maar idealiter begint het daar niet. Eerst wil ik letters die onuitgelijnd over de pagina’s dansen, neonroze verf die blijft zitten onder mijn nagels, het geluid van een schaar die door papier gaat. Op een computer moet het direct goed, logisch. Op papier vertrouw ik op wat mijn handen weten zonder dat ik erbij stil sta.

    Het in kaart brengen van mijn creatieve proces ging samen met het ontdekken van een nieuwe discipline: het maken van collages. Daarmee is het makkelijk beginnen: zonder woorden hoef ik niet na te denken over wat ik wil zeggen, hoef ik alleen maar te letten op waar mijn oog naartoe trekt: een tint, een textuur, een silhouet. Ook daaromheen ontstaat er vanzelf iets moois; op mijn snijmat een confetti van snijresten, niet gebruikte knipsels als een compositie op zich. Wanneer ik mijn werk omdraai tref ik op de achterkant regelmatig een collage trouvé.

    iets moois begint met zin

    Hoe minder tijd ik heb om te maken, hoe moeilijker ik het vind om niet te luisteren naar de stem die me vertelt wat ik ‘zou moeten’. Het is een geluidloze stem, als de zwaartekracht die me naar de aarde trekt zonder daar woorden aan vuil te maken. Nu ik dit weet probeer ik mijn neigingen in kaart te brengen, om vervolgens het tegenovergestelde te doen. Waar heb ik zin in?

    Zo dacht ik laatst: ik zou een Substack moeten maken, want dat is waar het gebeurt, waar men zich bevindt. Maar ik had er geen zin in. Ik heb iets beters, bedacht ik, al bijna vijftien jaar. Deze hoek van het internet is mijn Map of Days, waar ik deel wat ik denk, wat ik maak, wie ik ben. Maar zoals kaarten met de tijd verouderd raken – een wijk bijgebouwd, een straat opengebroken – gold dat hier ook. Het voelde als een zelfportret van jaren geleden.

    Tijd om te herzien. Ik dacht dat ik me daarvoor eerst zou moeten verdiepen in de achterkant van mijn website, om te weten wat er allemaal mogelijk was. Tot mijn vriendin Vita voorstelde: ‘Waarom maak je geen collage?’ Kon ik niet eerst verbeelden hoe ik het zou willen, in plaats van me te laten beperken door een technologie die ik maar mondjesmaat onder de knie had? Kon ik niet beginnen met waar ik zin in had?

    iets moois is vergevingsgezind

    Bladeren, scheuren, uitsnijden, kwijtmaken, terugvinden. Vastlijmen, losmaken, verschuiven, terugplakken. Niet alles kan ongedaan worden gemaakt – vouwen in het papier, witte plekken waar de lijm niet zomaar meer losliet. Maar er kan altijd iets overheen geplaatst, iets weg geknipt waardoor er iets nieuws ontstaat. Het is niet erg als er sporen van het proces zichtbaar zijn, dat geeft het juist charme. Collages zijn vergevingsgezind. Dat maakt het makkelijker om te proberen, iets wat ik juist lastig vind. Proberen doe ik liever niet – ik wil bij voorbaat al weten dat het slaagt. Dit proces maakt ook mij vergevingsgezind, bereid om te proberen, ook al weet ik nog niet of het iets wordt, waar het heen gaat.

    verhalen
    beelden
    onderzoek

    iets moois is meerdere dingen

    In een collage is elk ding meerdere dingen; een graanveld is ook een kronkelweg, een raamkozijn doet dienst als fotolijst, de zee is een envelop. Zo zie ik wat ik maak steeds vaker: als meerdere dingen tegelijk. Een verhaal is een onderzoek is een beeld, landschappen als lappendekens die iets vertellen over mij, die vertellen wat mijn handen weten.

  • wat kom je hier doen

    7 maart 2026

    Er woont een boze man in mijn hoofd. Hij zit er al zolang ik me kan herinneren, betaalt geen huur en maakt nooit zijn eigen kamer schoon. Twee weken geleden is hij in de openbaarheid getreden, tijdens een gesprek met een vriendin.

    ‘Wat doet hij daar dan?’ vraagt ze me. Vanachter het venster van mijn gedachten kijkt de man haar argwanend aan. ‘Hij vraagt wat ik er eigenlijk vanaf weet, of ik er wel goed over heb nagedacht. Hij lacht om mijn ideeën, zegt dat ik me niet moet aanstellen.’

    ‘En wat doe jij?’

    ‘Ik negeer hem. Dat probeer ik althans.’

    ‘Misschien moet je het gesprek eens aangaan,’ werpt ze op. Ik steek mijn tong uit om dat idee er als een bittere pil af te laten rollen. Ik heb geen zin om met hem te praten, ik denk dat het geen zin heeft. ‘Hij negeert mij ook.’

    Mijn vriendin vraagt of deze man een naam heeft, of hij op iemand lijkt. Ik schud van nee. ‘Er zit dus een boze man in jouzelf,’ concludeert ze. Ik geef haar gelijk, met een kanttekening: hij mag dan in mijn hoofd wonen, maar ik heb hem niet verzonnen.

    Er staat een boze man* tegenover me. Soms ben ik haast blij hem in de buitenwereld tegen te komen, ter bevestiging dat hij echt bestaat. Hij vraagt me wat ik hier eigenlijk kom doen, waardoor ik me dat ook begin af te vragen.

    Er verschijnt een boze man in mijn inbox. Zijn bericht komt intimiderend op me over, alsof hij door een megafoon praat terwijl ik vlak naast hem sta. Ik typ dat ik hem niet begrijp. Hij typt terug dat ik daarmee precies zijn punt onderschrijf.

    Er staat een muur van boze mannen achter me, geportretteerd in olieverf en gevangen in gouden lijsten. Hun ogen priemen in mijn rug terwijl ik mijn verhaal houd. Ik lach erom; ze vallen me in elk geval niet in de rede.

    Er zit een boze man naast me. Hij heeft zich vriendelijk voorgesteld en gaat in op mijn vragen. Toch klopt er iets niet. Zo gaat het vaker: iets aan een interactie ontregelt me, maar ik nog niet weet wat precies. Meestal neemt de boze man in mijn hoofd het dan over, met zijn commentaar over een gebrek aan assertiviteit of gedegen voorbereiding. Ik raak afgeleid en begin te twijfelen, wat de boze man in de buitenwereld zich nog sterker doet afvragen waarom hij zou luisteren naar iemand die niet zeker is van haar zaak.

    Deze keer gebeurt er iets anders. Terwijl de man praat observeer ik hem in plaats van mezelf, waardoor ik besef: hij kijkt me niet aan. In de rest van het gesprek wordt het patroon bevestigd; telkens wanneer ik hem een vraag stel wendt hij zich tot mijn collega om antwoord te geven. Hoewel het me nog niet lukt iets aan de situatie veranderen, ben ik al blij dat de situatie mij niet verandert, dat het me lukt om zelf aan het woord te blijven.

    Ik ga naar de Feminist March en denk na over wat ik op mijn bord wil zetten.

    je hebt de waarheid niet in pacht

    verplaats je eens in een ander

    kijk me aan als ik tegen je praat

    Ik wil iets zeggen tegen de boze man, maar betwijfel of hij mee zal demonstreren. Hij is dan wel boos, maar niet over femicide, niet over abortus in het Wetboek van Strafrecht, niet over de loon- of orgasme- of empathiekloof. We zullen zonder en toch met hem lopen, boze vrouwen** met boze mannen in ons hoofd. Misschien koop ik een megafoon om er bovenuit te komen:

    let vooral niet op hem

    luister naar je eigen stem


    * De rol van boze man kan op allerlei manieren ingevuld worden: naast boosheid kan ook irritatie, ontmoediging, kleinering, egoïsme, onverschilligheid of onwetendheid worden ingezet. De rol kan door allerlei personen vervuld worden, maar wordt traditioneel gespeeld door een oudere, witte en inderdaad boze man.

    ** Ook de rol van boze vrouw kan door iedereen (x/v/m) gespeeld worden: voel je vrij je aan te sluiten morgen om 12.45 op de Dam in Amsterdam.

  • de meisjes

    6 september 2025

    Iedere zomer verandert het Moreelsepark van een grasveld waar mensen hun hond laten plassen in het sprookjesachtige decor van theaterfestival De Parade. De bomen hangen vol lampionnen, daaronder verrijzen circusachtige tenten behangen met honderden lichtjes. Om de zweefmolen wordt er geproost aan tafels die plakken van de poedersuiker; tot laat in de avond stijgen muziek en zoemende gesprekken op in de zomernacht.

    Op mijn negentiende begon ik op de Parade als kassameisje, na een pauze van een aantal jaar ben ik sinds vorige zomer terug. Voorstellingen aanprijzen, mensen vertellen waar de silent disco is en hoe vervelend ook dat ze te laat waren, dat ze hun geld niet terugkrijgen; de rol is hetzelfde gebleven, behalve dat we geen kassa’s meer hoeven te tellen aan het einde van onze dienst. Toen ik dat aan een collega vertelde, snapte ik hoe het voelt om oud te zijn. 

    Hoe ik mijn rol als kassameisje invul is wel veranderd. Het zal te maken hebben met een ontwikkeling die al langer gaande is, maar die definitief vorm kreeg toen ik in januari mijn haar afknipte – ik voel me geen meisje meer. 

    Ik besefte het weer toen ik keek naar de meisjes die in mijn blikveld over het terrein dansten, in de hoop de laatste kaarten voor hun voorstelling te verkopen. Ze waren jong, misschien nog wel minderjarig. Ze droegen strakke gouden glitterpakjes, hun nepwimpers waren zo lang dat het bijna satire leek. Het waren meisjes die wisten dat ze bekeken werden, meisjes die zo werden aangeprezen. Komt dat zien, klonk het door de microfoon, knappe danseressen, spectaculair, sexy. Er werden foto’s gemaakt, ze poseerden: borst vooruit, tanden bloot. Ik wil het niet veroordelen, maar gun hen iets anders. 

    Later die week zag ik drie andere vrouwen dansen. Net iets ouder, in grijze shirts en zwarte broeken die er vooral praktisch uitzagen. Op hun gezichten slechts zweet en concentratie. Ze dansten door en met en misschien zelfs voor elkaar, afstoten en aantrekken, versnellen en vertragen. Het raakte me dat ze gewoon waren, niets hoefden te suggereren behalve dat wat er was. Ze eindigden hand in hand vooraan de vloer, haren rommelig, net niet buiten adem. Ze keken net zo goed naar ons als wij naar hen. Er brak een glimlach door – nu mogen jullie applaudisseren.

    Ik voel me geen meisje meer. Achter de kassa betekent het dat mijn stem niet langer een octaaf omhoog schiet wanneer ik met bezoekers praat, dat ik geen pijn in mijn kaken meer heb van het lachen, dat ik durf te geinen als ik daar toevallig zin in heb. 

    (‘Kan jij ons adviseren?’

    ‘Ligt eraan op welk vlak.’)

    Het betekent dat ik alleen klantvriendelijk ben tegen klanten die vriendelijk zijn – en dat zijn de meesten gelukkig. Als dat niet zo is dan zijn er mijn collega’s die me vertellen dat ik niemand te woord hoef te staan die zich niet kan gedragen.

    Soms voelt het alsof de Parade er vooral voor de medewerkers is. Als een theatertent na sluiting in een club verandert, als er dagenlang een moordspel wordt gespeeld tussen argeloze bezoekers – Sebas, bij Café Correct, met een papieren hoedje. Als we dansen bij Joost Oomen die plaatjes draait en vrijwel de gehele menigte uit Parademensen bestaat. Vorig jaar was er een bezoeker die niet doorhad waar hij beland was, dat hij niet zomaar een meisje in haar billen had geknepen, maar een kassameisje met een kort lijntje naar de bewaking. Met één druk op de portofoon was het geregeld, onder gejuich werd hij naar buiten geëscorteerd, onze sprookjeswereld uit.

    In de laatste week kwam de realiteit dan toch naar binnen, mijn moeder bracht haar mee. Toen ze vroeg hoe ik na mijn dienst thuiskwam deed ze haar best het luchtig te laten klinken, maar tevergeefs. Ik vroeg of ze het nieuws had gekeken en dat was zo – ze had er wakker van gelegen. Natuurlijk had ik het ook gehoord, tijdens het eten aan de biertafels, via een telefoon die na dagen weer eens was opgeladen. Met een paar collega’s sloot ik aan bij een protestmars. De zomer was vol demonstraties geweest, in het rood op het Malieveld, op het station met pan en pollepel. Toch was dit anders. Dit ging ook over mij, over mijn ruimte om te leven. Ik liep in stilte, had geen energie om te roepen voor iets wat zo vanzelfsprekend zou moeten zijn. Op het Domplein stond een oudere vrouw toe te kijken. Ze klapte voor ons, de zucht die ik haar zag ontsnappen kneep mijn keel dicht. 

    Die avond kwam de Parade ten einde. Op zo’n laatste dag heerst er een uitzonderlijke sfeer; iedereen is brak en melancholisch, er worden nummers uitgewisseld, bij de laatste zweef slaan we de armen om elkaar heen en laten we wat tranen, met de belofte volgende zomer terug te komen. Dit jaar was ik er niet bij terwijl het sprookje ten einde kwam – mijn tranen had ik elders verbruikt. ‘Sorry dat ik er niet was,’ zei één collega toen ik vroegtijdig dag kwam zeggen. Ze had nog in haar tent gelegen na een korte nacht. Ik drukte haar op het hart zich niet schuldig te voelen. ‘Het had niet nodig mogen zijn.’ Ik gaf haar een knuffel, nam afscheid van de kassameisjes – ook de mannen, ook de vrouwen van vijftig.

    Ik ben geen meisje meer, terwijl het zo fijn kan zijn. Ik hou ervan om te giebelen, om te dansen zoals die man op TikTok. Ik geniet ervan om te tutten, om te knutselen, om te knuffelen en kletsen en lief te zijn tegen wie het verdient – maar de rest hoef ik niet. 

    Die avond liep ik alleen naar huis. Het werd al donker.

  • omcirkeld

    6 juli 2025

    Ik had hem al gezien. Mijn oog valt eerst op een oud-leerling van me, daarna op de man die om haar heen cirkelt. Ze zit met een tijdschrift aan de bar, een paar tafels verderop spelen Joeri en ik Rummikub. Tussen mijn beurten door werp ik telkens een blik over mijn schouder. Gele 1, 2, 3 – kennen ze elkaar? Hij zou haar vader kunnen zijn, maar daar lijkt het niet op. Drie keer 12 – hij is dronken. Blauwe 7, 8, 9 – moet ik erheen? 6, 6, 6. De man is achter me komen staan.

    ‘Ze heeft een schoppen vijf,’ zegt hij jolig tegen Joeri. We reageren niet. Dan legt hij zijn handen op mijn schouders en brengt zijn hoofd dicht naast het mijne. Ik manoeuvreer me onder zijn armen vandaan, weg kan ik niet. Hij zegt nog iets, wat ontgaat me. Dan laat hij me los. Zwijgend maken we het potje af. Ik verlies.

    Naast ons is de oud-leerling komen zitten, inmiddels vergezeld door een vriendin. Ze herkent me niet, ik zeg haar geen gedag. Ze vertelt haar vriendin over de man: ‘Volgens mij heeft hij een midlife crisis.’ Ze lachen erom.

    Mij lukt het niet meer. Hoewel ik heus vaker ben betast, op intiemere plekken, ben ik nu meer ontdaan. Het is de zichtbaarheid ervan: dat het niet gebeurt op een chaotische dansvloer of in een donkere gang, maar hier, in het midden van een halfvolle kroeg. Juist omdat het niet om een borst of bil gaat, wordt het mechanisme scherper zichtbaar. De man die pakt wat hij wil. De man die daarmee wegkomt. De man die verder gaat.

    Al mijn opties voelen als verliezen. Ik verlies door dit als een onbeduidend voorval af te doen. Ik verlies als ik mijn energie verspil aan een confrontatie. Ik verlies als mijn emotie de avond overneemt. We proberen het nog even, maar tevergeefs. Op de hoek van de straat bedenk ik me. We lopen terug, spreken een medewerker van het café aan. Joeri legt uit wat er is gebeurd, vraagt wat mij niet meer lukt: let op hem, let op hen. Dan vertrekken we.

    Die nacht droom ik over een drijvend huis waarop ik met tien vrouwen woon. Hoge golven spoelen niet over ons heen, maar tillen ons op, de houten vloer meebewegend met de deining. Zo zwerven we over de oceaan, samen en eindelijk alleen.

  • scusi

    23 juni 2025

    Ciao ragazzi. De supermarkt ruikt naar vis en meloen. Voor ons legt een man een stuk pulpo op de band, de zuignappen klevend tegen het plastic folie. We gaan plakkerig door de dagen – vijgen, bruscetta, straciatella, zonnebrand.

    (‘Trump bombardeert Iran.’)

    Scusi, scusi. Onhandige passen over een wit kiezelstrand, langs talloze parasollen richting het azuurblauwe water. Als we helemaal doorzwemmen, waar komen we dan? Montenegro? Albanië?

    (‘Watersnood in Gaza.’)

    Andiamo. De mieren op het terras lopen een vaste route, ze lijken te weten waar ze heen moeten. Op de boulevard krioelt het: auto’s, scooters, voetgangers met koelboxen en strandstoelen. Op zoek, op zoek.

    (‘Natuurbranden in Griekenland.’)

    Buona notte. De geur van dennen na een warme dag, cactussen in bloei, een boom vol citroenen. De rook van een muggenkaars kringelt omhoog de nacht in. De airco houdt ons koel, maar ik kan niet slapen.

  • het f-woord

    4 juni 2025

    ‘Ik ben toch al fucked,’ zei ik vandaag tegen een collega. Het ging over wetenschappers die zich expliciet uitspreken tegen sociaal onrecht. Als je naam onder een petitie staat, of er kritische berichten op je telefoon staan, kan dat je bijvoorbeeld belemmeren om de Verenigde Staten binnen te komen. Voor mij gaat een petitie meer of minder het verschil niet maken. ‘Ik heb een feministisch boek geschreven over seksualiteit. Als het vertaald was, zou het daar vast op een zwarte lijst staan.’

    Dat ik een boek schreef over seks was bekend. ‘Ik wist niet dat het ook een feministisch boek was.’

    ‘Nou – ik heb het geschreven,’ flapte ik eruit. ‘Dus het is een feministisch boek.’

    Daarmee bedoelde ik niet dat boeken van vrouwelijke auteurs automatisch feministische boeken zijn, of dat anderen geen feministische boeken kunnen schrijven. Ik bedoelde dat er voor mij niets anders op zit, omdat ik nu eenmaal op die manier naar de wereld kijk. Feminisme gaat voor mij over veel meer dan vrouw zijn; het gaat over niets als vanzelfsprekend zien. Door wie en voor wie is deze wereld gemaakt? Die vraag vormt mijn denken en dus ook mijn schrijven. 

    Wel vraag ik me af of ik mijn boek destijds als feministisch zag, of expliciet op die manier heb geschreven. Inmiddels zie ik het als een auto-etnografie van mijn seksualiteit: een narratieve onderzoeksvorm die past binnen de feministische traditie. Tijdens het schrijven kende ik dat concept echter niet, en las ik nog maar weinig feministische literatuur. Toch zie ik terugkijkend dat perspectief erin terug. Gelukkig is daar binnen het feminisme ook ruimte voor: vormen, ideeën en ervaringen waarvan de contouren nog vaag zijn, die zich nog niet altijd helder laten omschrijven.

    Momenteel werk ik aan een boek over onderwijs, dat onvermijdelijk een feministisch boek over onderwijs wordt. Wel vraag ik me af of hoe onomwonden ik dit ga presenteren. Ik vrees namelijk dat het stempel ‘feministisch’ voor veel mensen mannen betekent: dat hoef ik niet te lezen. Misschien laat ik het weg van de achterflap, onthul ik het langzaam terwijl het verhaal vordert, zodat een argeloze lezer het pas doorheeft wanneer die er al middenin zit. Misschien is dat ook wel feministisch te noemen: enige ambiguïteit, voor de goede zaak. Misschien helpt het soms om niet alles expliciet te maken.

    Voor wie wel zin heeft in een feministisch boek: Niet bepaald sexy is te bestellen via bijvoorbeeld de webshop van mijn uitgever.

  • the unsayable

    2 januari 2025

    ‘Doe het niet, Joris!’

    ‘Je begrijpt toch wel dat het zo niet verder kan!’

    ‘Maar ik houd van je!’

    Omdat ik soms lijk te vergeten dat het leven geen toneelstuk is, met enkel gelaagde personages, scherpe dialogen en scenes die bijdragen aan de kwaliteit van het geheel, aan de sfeer of het plot of allebei, kan het voorkomen dat ik getuige ben van een persoonlijk drama en mijn primaire gedachte is: wat is dit slecht geschreven.

    (Het kan ook voorkomen dat ik me zelf in een situatie bevind waarin weinig spannends gebeurt en denk: deze scenes kunnen er wel uit.)

    Een gelauwerd schrijver – of schrijfster, dat heeft ze denk ik liever – vertelde me eens dat iedere conversatie drie lagen kent: the said, the unsaid en the unsayable. Er wordt iets gezegd waarmee iets anders wordt bedoeld, en daaronder ligt weer een Grote Waarheid, iets wat we voelen of weten maar niet direct uit zullen spreken, uit angst of trots of een algehele afkeer van pathetiek. ‘Wanneer the unsayable toch wordt uitgesproken krijg je soap, of musical.’

    Er werd niet gezongen, maar het scheelde niet veel. De stationshal van Utrecht Centraal, tegenover me nemen twee mensen plaats. Zij een jaar of twintig, witblond haar in een slappe staart, naast zich een zwarte handbagagekoffer. Hij nauwelijks ouder, wel al licht kalend, in een rode zeiljas met een fluoriscerend gele capuchon waarmee iemand die overboord valt zichtbaar is in het water. De situatie is echter andersom: hij duwt haar de boot uit, zij spartelt hevig tegen.

    ‘Ik kan niet zonder jou!’ roept ze, waarna ze zich huilend op zijn schoot werpt. Alle omstanders kijken nadrukkelijk een andere kant uit, afgezien van een kind dat nog niet gehinderd wordt door sociale conventies. Met grote ogen aanschouwt hij de crisis die zich voor hem ontvouwt, kauwend op een kaneelbroodje.

    ‘Je snapt toch wel dat ik je niet meer vertrouw, als je onder een valse naam een account aanmaakt en dan met mij gaat chatten.’

    ‘Maar jij reageerde erop!’

    ‘Omdat ik al dacht dat jij het was!’

    De dramatische gebaren, het volume waarop ze spreken en de uitvoerigheid waarmee het plot wordt uitgekauwd maken dat ik weg wil zappen – zo praten mensen niet met elkaar.

    Dan de scene die ik een paar uur later aanschouwde. Een koffiezaak, aan een ronde tafel met vier stoelen zit een vrouw. Haar partner neemt niet naast, maar recht tegenover haar plaats, is dat van plan althans, tot de vrouw onderkoeld sneert: ‘Ga je dáár zitten?’

    Vier woorden, drie lagen. Ga je daar zitten – the said. Waarom kom je niet dichter bij me – the unsaid. Houd je nog wel van me – the unsayable.

1 2 3 … 13
Volgende pagina→

Reacties laden....