Ga naar de inhoud
  • de kunst van
    • verhalen
    • beelden
    • onderzoek
    • milou
    • nieuwsbrief
    • archief

De kunst van

  • een matige zes

    23 juni 2023

    Hij stelde zich voor als Mathijs. ‘Met één of twee t’s?’ vroeg mijn vriend. Ze speelden een dubbel, beide tegenstanders hadden dezelfde naam, maar met een andere spelling. ‘Daar kom je vanzelf wel achter,’ antwoordde Mat(t)hijs. De mannen lachten, ik bleef in verwarring achter.

    Het lijkt zo’n keurige sport: geen schwalbes, geen spreekkoren, op wat zweetplekken na blijven de polo’s smetteloos. Maar tennis is bruut op een andere manier, zo ontdekte ik laatst. Iedere speler heeft een rating: een speelsterkte tussen de 9 en de 1, hoe lager hoe beter. De ratings worden na iedere wedstrijd bijgewerkt. Bij competities en toernooien staat het pontificaal achter de naam van elke speler: Mathijs (4,79), als een koe met een oormerk. En dan maakt het dus uit wie welke Mat(t)hijs is – de één is namelijk een stuk beter. Bij koeien vormt dit nummer hun identiteit, en zo gaat dat bij tennissers eigenlijk ook. Je hebt geen rating van zes, je bént een zes. Misschien zelfs ‘een matige zes’ – in die termen wordt erover gesproken. Langs de baan wordt zonder schroom iemands backhand of volley bediscussieerd, waarbij de rating dient als leidraad.

    (‘Hij heeft wel een goede service voor een vijf.’)

    Ieder die denkt: het mag wat kil zijn, het is in ieder geval een eerlijk systeem, komt bedrogen uit. Een zeven in Limburg schijnt minder sterk te spelen dan een zeven in Utrecht. Ook in de 35+-categorie zijn de cijfers vertekend. Die groep is een stuk kleiner. ‘Ze spelen telkens tegen dezelfde mensen, en houden zo elkaars rating laag.’ Een ‘incestcompetitie’, aldus mijn lief, waarna hij me vertelde ‘dat hij zo wel eens een twee had verslagen.’ Maar wel een matige twee, dus.

  • het begint zachtjes te regenen

    18 juni 2023

    Het was net een week te vroeg zomer geworden. In zo min mogelijk kleding puften we de werkdag door, in ons appartement dat ‘erg warm’ was, aldus de vorige bewoner. In het voorjaar hadden we daar ons voordeel mee gedaan, dus nu legden we ons erbij neer, verkoelden onszelf met Calippo’s en waterflessen uit de vriezer, terwijl we deden wat er moest gebeuren voordat het naast zomer ook vakantie was.

    De zon overtuigde me er al een voorsprong op te nemen. ‘Doe het nu,’ riep ze, ‘ik doe geen beloftes over hoelang ik er nog ben.’ En dus sprong ik op de fiets, wapperende jurk, billen op een heet zadel, de handvaten van mijn stuur langzaam smeltend, een zwart plaksel achterlatend op mijn palmen. Avondeten aan de singel, nog even zwemmen aan de rand van de stad, een glas wijn bij dat ene hippe restaurant op dinsdagavond. (‘De Welschriesling? Dat is dus geen gewone riesling, hè? Echt een andere druif. Een funky wijn, appel, hazelaar, warm asfalt. Die doen?’) En dan weer terug naar mijn laptop, de kantlijn vol comments van toen het nog tien graden kouder was, over zaken waar ik nog wat beter naar wilde kijken. Eén voor één markeerde ik ze als opgelost.

    Nu ben ik hier. Ik ontbijt in een pyjamabroek die me als tiener al iets te klein was, de lucht is geruststellend grijs. De tegels in de tuin zijn weer te belopen op blote voeten, maar op zolder ruikt het nog naar warm hout. De hond maakt zich zo plat mogelijk op de koude vloer om het contactoppervlak te maximaliseren. Een colonne mieren trippelt over het aanrecht. Het begint zachtjes te regenen.

  • tijd

    12 juni 2023

    Gisteren was ik met mijn schoonfamilie, onder wie een nichtje van bijna drie. Het concept ‘gisteren’ snapt zij nog niet, vertelde haar vader mij. Haar gevoel voor tijd beperkt zich tot ‘eerst’ en ‘daarna’, woorden die haar ouders vaak in haar bijzijn gebruiken. (‘Eerst je schoenen aan, daarna mag je naar buiten.’) Sinds kort kent ze het woord ‘vanavond’, maar dat gebruikt ze voor alles wat niet nu is. Waar volwassenen zich de toekomst kunnen voorstellen op een mentale tijdlijn, is het idee van een morgen, een volgende week, een volgende maand nog te complex voor haar.

    Het deed me denken aan de manier waarop ik me vroeger de tijd voorstelde. Voor mij waren de dagen van de week gekleurd: maandag was blauw, dinsdag roze, woensdag oranje, donderdag paars en vrijdag rood. Het duurde best even voor ik erachter kwam dat hier geen universele logica achter zat, maar simpelweg mijn kleuterjuf, die de dagen van de week op gekleurd karton in het klaslokaal had opgehangen. Ook nu nog dicteert het schoolsysteem mijn tijdsbesef: een jaar loopt voor mij van september tot en met juni (of juli, als ik pech heb). Mijn agenda weerspiegelt dat; ik heb weleens geprobeerd over te stappen naar een exemplaar dat in januari start, maar dan kreeg ik rond de zomer toch weer een onstilbare behoefte om een nieuwe te kopen.

    Sowieso is mijn agenda van grote invloed op hoe ik de tijd voor me zie: als een witte ruimte beschreven met zwarte inkt. Hoe meer zwart, hoe minder vrije tijd. Liefst heb ik de week verspreid over twee pagina’s, in horizontale vlakken. Mijn vorige agenda had smalle verticale dagen, waardoor het voelde alsof ik enkel korte taken kon plannen, maar dan wel een heleboel achter elkaar. Ik had ook eens een agenda die me dwong in het nu te leven – omdat iedere dag een hele pagina besloeg, kon ik lastig vooruitkijken. Maar in plaats van rust resulteerde het vooral in veel heen en weer geblader. Het was overigens wel de enige agenda waarin de weekenddagen evenveel ruimte kregen als de rest.

    In de agenda die ik voor na de zomer heb gekocht, bleek de hele week op één pagina geplaatst. De pagina ernaast is voor notities. Ik ben benieuwd wat dat in de praktijk gaat betekenen – veel denken, weinig doen? Het is een klein exemplaar, sinds een jaar of twee koop ik mijn agenda’s in A6-formaat. Misschien is het niet geheel toevallig dat ik het steeds minder vaak ‘te druk’ heb. Een tip dus: ga voor een kleine agenda, dan kan je nooit te veel plannen maken.

  • metro

    7 juni 2023

    Voor mijn stage ben ik geregeld in Rotterdam te vinden. Wanneer ik daar de metro neem, voel ik me echt een wereldburger. In Utrecht heb je alleen de bus, en de tram naar Nieuwegein – daar is weinig kosmopolitisch aan. Maar in de metro kan ik me even in Parijs of New York wanen (tot ik weer boven de grond kom bij halte ‘Schenkel’ of ‘Gerdesiaweg’).

    De Rotterdamse metrogangers dragen enorm bij aan het wereldstadgevoel. Op een van mijn eerste stagedagen zag ik een vrouw vastberaden naar de roltrap lopen, ook al ging die de verkeerde richting uit. Het werkte nog ook: ze had er zo zelfverzekerd naar gekeken, dat deze spontaan de andere kant op begon te draaien.

    Al snel kwam ik erachter dat een boel roltrappen bij de ondergrondse zo werken. Soms staan ze stil, en dan wil ik er wel vanuit gaan dat ze, eenmaal opgestapt, de juiste kant op zullen draaien. Maar een al rollende trap de tegenovergestelde richting in dwingen, dat heb ik nog niet gedaan. Wat als net dat exemplaar toch maar één kant op werkt, wat als er precies op dat moment iemand bovenaan staat, en hetzelfde probeert als ik beneden? Ik durf er nog niet op te vertrouwen dat ik het dan zou winnen. Dan toch maar de trap.

  • in scène

    14 mei 2023

    ‘Als dit allemaal in scène was gezet, wat zou je dan opvallen?’ De docent vroeg ons een paar seconden de ogen te sluiten, en daarna de collegezaal opnieuw te bekijken als ware het een theaterdecor dat weloverwogen tot stand was gebracht. ‘Die wasbak,’ zei een student rechtsachter me, ‘die wasbak daar voorin voelt niet op zijn plaats. Dus die zal later nog wel belangrijk worden.’ Ook de raambekleding viel opeens op: het uitzicht dat zich over de gehele linkerwand had kunnen uitstrekken werd geblokkeerd door zwart verduisterend materiaal, waardoor we met tl-licht genoegen moesten nemen. Waarom eigenlijk? Was er buiten iets gaande waarvan wij niet mochten weten?

    Wat als alles betekenis heeft? Het bleek een amusante bril om de wereld door te bekijken. In de supermarkt is het opeens geen toeval meer dat er vier jonge, witte stellen bij de zelfscankassa’s staan, allemaal met een doos aardbeien en een pak babyavocado’s. Wachten bij een bushalte wordt ineens een interessante aangelegenheid. Wie is hier de hoofdpersoon? Waar gaat diegene heen? Waarom is deze scene relevant? Dergelijke speculaties onthullen ook weer veel over de kijker zelf: waar de een verwacht dat de bus niet komt, met alle gevolgen van dien, verwacht een ander misschien dat er een bom ontploft, of dat de hoofdpersoon in de bus de liefde van haar leven tegenkomt.

    Gisteren ging ik naar de voorstelling Laura H, waar daadwerkelijk alles in scene was gezet – zoals dat bij theater gaat. Toch keek ik ook hier anders naar. Er waren twee acteurs. Een man speelde journalist Thomas Rueb, de schrijver van het gelijknamige boek, maar ook Laura’s ex en haar vader. Hij wisselde van rol door slechts een subtiel accent aan te brengen, of zijn schouders te laten hangen. Wat betekende het dat die grenzen zo vaag waren? Wat betekende het dat hij Laura steeds filmde, met een camera die hijzelf scherpstelde en verplaatste? De beelden werden geprojecteerd op grote schermen: haar blik, haar heupen, haar gekruiste vingers achter haar rug. Wat betekende het dat er geen beeld was terwijl Laura vertelde over het kalifaat – dat we haar daar alleen op haar woorden moesten geloven? Zo kon ik bij elk element wel een vraagteken plaatsen, terwijl sommige aspecten misschien ook toevallig tot stand gekomen waren. Eerder intuïtief, dan met voorbedachte rade. Ik zal het nooit weten.

    In het eerste college had de docent zeker een half uur gesproken over het begrip ‘dramaturgie’, en wat dat precies betekende. Onder de streep was er geen eenduidige conclusie, zoals wel vaker bij dergelijke semantische discussies. (De geesteswetenschappen hebben daar absoluut een handje van – ik heb college gehad over de betekenis van de begrippen ‘kennis’, ‘emotie’, ‘communicatie’ en natuurlijk over ‘geesteswetenschap’. ) Een aantal interpretaties: dramaturgie was ‘het omzetten van gevoel in kennis en omgekeerd’, een dramaturg kon worden gezien als ‘de vriend van een probleem’. Het meest treffend vond ik de gedachte dat een dramaturg intuïtieve keuzes omzet in bewuste. Niets is zomaar. In een theater resulteert dat in symboliek, sfeer en dubbele lagen. Maar daarbuiten geloof ik toch graag dat de dingen soms van toeval aan elkaar hangen.

  • spullen

    24 maart 2023

    Tegenover mij in de straat wordt een huis uitgeruimd. Eerst verschenen er twee containers naast de voordeur. Ze waren er ineens, zoals de krokussen langs de singel en de bloesem in de bomen. Twee vrouwen gingen van start. Ze deden het rustig aan, namen pauze in de zon. In het weekend rukte de rest van de hulptroepen aan. Als een kolonie mieren liepen ze in en uit, een heel leven binnenstebuiten kerend in de containers. Alles werd er compact ingepast, alsof het een potje Tetris was: boeken, een voetenbank, eetkamerstoelen, een schemerlamp. Matrassen, bijzettafels, kasten schilderijen.

    Na een paar dagen klonk er een geluid alsof de wereld verging. Ik hoorde het in mijn kamer tweehoog achter, voelde het zelfs, de muren trilden ervan: een luide, echoënde knal. De containers werden op een trailer geladen. Na een paar uur stonden ze er weer, leeg. Zo gaat het nu al dagen. Eerst volgden nog meer ingewanden, daarna de huid van het huis: het behang, het tapijt. Inmiddels zijn ze bij het skelet aanbeland: vloeren, deuren en trappen. Alleen de muren blijven staan.

    Laatst las ik ergens dat een gemiddeld woonhuis 300.000 objecten bevat. Sinds ik heb gezien hoe vaak die containers werden gevuld en weer geleegd, loop ik anders door de stad. Die voelt zwaarder nu ik weet hoeveel er achter iedere gevel schuilgaat – hoeveel voorwerpen, hoeveel massa.

    Ook aan mijn kant van de straat vindt een verhuizing plaats. Over twee weken ga ik weg uit een huis dat wordt verkocht. Binnenkort worden er foto’s gemaakt. Dan moet het lijken alsof we er niet al zes jaar wonen. Alsof er niet zoveel jassen aan de kelderdeur hangen dat die niet meer dicht gaat. Alsof we geen kasten vol spullen hebben, en nog meer dan dat, waardoor die spullen onder het bureau belanden, achter het bed of in de gang. Alsof er geen huisgenoten zijn vertrokken die allerlei zaken hebben achtergelaten, waarvoor nu niemand zich verantwoordelijk voelt.

    (Alsof ik niet op het punt sta hetzelfde te doen.)

    Alsof ik niet middenin het proces zit waarbij ik mijn eigen leven binnenstebuiten keer, ieder object dat ik bezit sorteer: meenemen, verkopen, weggeven, doneren. Ik heb er geen container voor nodig, maar het scheelt niet veel. Alsof ik niet tegelijkertijd allerlei nieuwe spullen koop, niet van mij maar van ons dit keer. Ze stapelen zich op op de overloop, wachtend in verhuisdozen die ik straks nog even weg moet toveren. Voor de foto. Het meeste geld besteedden we aan een kast waar het allemaal in past – hopen we.

    Meer van mij lezen? Je kan je onderaan deze pagina abonneren op mijn verhalen, zodat je ze in je mailbox ontvangt. Ik schreef ook een boek, ‘Niet bepaald sexy’, dat nu bij iedere boekhandel te bestellen is.

  • barbara

    13 maart 2023

    Toen ik een jaar of acht was, ging ik met mijn ouders naar The Lion King. Die musical begint met een zonsopgang op de savanne. Het toneel vult zich met giraffes, luipaarden en antilopes die een meerstemmig lied zingen, terwijl een immense oranje zon de hemel beklimt. Binnen een minuut moest ik huilen, omdat ik het zo mooi vond.

    Hoewel muziek absoluut niet de kunstvorm is waar ik het meeste vanaf weet, treft het me wel vaak het meest direct. Zo ook vorige week. In het Concertgebouw zag ik Barbara Pravi, de Franse chansonnière die in 2021 tweede werd op het songfestival met het nummer Voilà. Ze maakte haar entree via de trap achter het podium, een spot volgde haar naar beneden terwijl ze haar eerste nummer zong. Ik kende het niet en kon haar ook niet verstaan – die avond wenste ik dat ik beter had opgelet bij Frans, in plaats van alleen de rare woorden te onthouden (‘beurre de cacahuète’) en mijn docent te neppen met een treffend accent.

    (Sorry mevrouw Polderman.)

    Toch waren er meteen tranen.

    Dat zegt ongetwijfeld iets – van alles – over mij. Dat ik me graag laat meeslepen door langzaam aanzwellende muziek met een meerstemmig achtergrondkoor. Dat ik me verbonden voel met mensen die graag op blote voeten lopen, en bewondering heb voor degenen die dat doen op plekken waar het niet eens in me op zou komen. Dat ik alles in het Frans mooi vind klinken – al had ze de tekst op een fles shampoo voor ons gezongen. Dat twee dagen later mijn eerste boek zou verschijnen – iets wat in dit moment voor het eerst echt tot me doordrong, kijkend naar deze vrouw die zichzelf onbevangen blootgaf.

    Toch weet ik zeker dat ik niet de enige was. Al verschilden onze redenen, het gehele publiek leek geraakt. Ze bracht ons samen, liet het regenen door ons te vragen om te klappen op onze dijbenen. ‘Roegendroepels,’ noemde ze het – een goed woord om in het Nederlands te kennen. We hielden collectief de adem in toen haar microfoon uitviel, zuchtten opgelucht zodra haar stem weer versterkt door de zaal klonk. We lachten toen een klein lied werd afgesloten met de drietoon van een telefoon, net toen de laatste klanken van de piano wegstierven. We zongen met haar mee, niet meerstemmig, maar wel met honderden stemmen.

    Ik weet niet meer waar ik ooit hoorde dat een kunstenaar – een acteur, een cabaretier, een muzikant – iets moet komen brengen in plaats van halen. Zij kwam iets brengen – alles wat ze had. De luchtzoenen waarmee ze afscheid nam zond ze met zoveel energie de zaal in, dat ze met gemak het bovenste balkon haalden.

  • zwemmen

    31 januari 2023

    Sinds kort ga ik eens per week zwemmen. ‘Going on a stupid walk for my stupid mental health,’ dat idee, maar dan onder water. Niet in ijswater trouwens, zoals nu de trend is, want ik denk dat mijn mentale gezondheid daar ook van onder het nulpunt zou dalen. Gewoon in een binnenbad. Het blijkt een fascinerende biotoop. Dat kan overigens ook komen doordat je tijdens het zwemmen geen andere opties hebt dan rondkijken en naar je eigen gedachten luisteren – iets wat ik niet al te vaak doe – en als je iets maar lang genoeg bestudeert, wordt het vanzelf interessant.

    Het gehele gebouw is uitgevoerd in de kleuren Hansaplast-roze, ooit-wit-geweest-geel en het verplichte zwembadblauw. Bij de balie zit een vrouw die me telkens ‘veel plezier’ wenst, waardoor ik me realiseer dat ik mensen steevast ‘veel succes’ wens als ze gaan sporten. Het is altijd drukker dan ik verwacht. Een keer maakte ik de fout om op woensdagmiddag te komen. Mensen met kinderen weten dat kinderen dan vrij zijn en er dus zwemles is, mensen zonder kinderen weten dat niet en komen zo bij de douches klem te staan tussen twintig rondglibberende lijven, en hun ouders op van die blauwe plastic schoenhoezen. Maar ook op een doordeweekse ochtend zijn er dermate veel mensen dat ik me afvraag: hebben jullie niets beters te doen? Om me een half baantje later te realiseren dat zij dat waarschijnlijk ook over mij denken.

    In het water wordt mijn aandacht eerst even gegijzeld door de muziekkeuze – Hollandse hits of pop opgevoerd met een technobeat – die me doet afvragen wanneer het zwemmen op akoestische gitaarmuziek is. Daarna is er ruimte voor allerhande gedachten.

    ‘Zou die badmeester hopen dat er eens iemand verdrinkt, zodat hij eindelijk iets mag doen?’

    ‘Het zwembad is net een snelweg: te trage mensen op links, te ongeduldige mensen op rechts, mensen die te lang twijfelen met invoegen, mensen die vergeten hun knipperlicht te gebruiken.’

    ‘Hoe vaak is dit water al door iemand ingeslikt en weer uitgespuugd?’

    Het werkt overigens goed, dat zwemmen. Mijn gedachten blijven weliswaar werken, maar ik blijk mijn lijf te kunnen laten denken dat het vakantie is.

    ***

    Op 8 maart verschijnt mijn boek ‘Niet bepaald sexy’. Je kan er hier meer over lezen, hier kan je het alvast bestellen.

  • een boek

    24 november 2022

    In de categorie ‘grote dromen’, had ik de droom om ooit eens een boek te schrijven. Vanaf groep drie pende ik schriften vol hanenpoten, waarmee ik mijn dagelijkse bezigheden beschreef. Ik verslond de boeken van Francine Oomen, bij een signeersessie in de plaatselijke boekhandel vroeg ze me wat ik wilde worden later. ‘Kinderboekenschrijfster,’ antwoordde ik een beetje beschroomd. Sinds 2012 deel ik mijn verhalen hier; nog steeds alledaagse observaties, op den duur ook wel eens een vurige mening. Een schrijver durfde ik mezelf nog niet te noemen. Maar ik schreef. Mijn stukken werden vooral gelezen door mensen die me persoonlijk kenden, die het ‘me hoorden vertellen’ of ‘het helemaal voor zich zagen’. Soms dacht ik er wel eens over om meer te gaan doen met mijn verhalen. Een paar jaar geleden deelde ik die droom voor het eerst. ‘Ooit ga ik nog een boek schrijven,’ mijmerde ik tegen een huisgenoot. ‘Dat denk ik ook wel,’ zei ze.

    Inmiddels zijn we tweeënhalf jaar verder, en komt er een boek uit met mijn naam erop.

    (Dat niet alleen, ik heb het ook geschreven.)

    Vanaf 8 maart ligt Niet bepaald sexy in de winkel: een heel normaal maar onverteld verhaal over vrouwelijke seksualiteit.

    Dat ik een boek over seks zou schrijven, had ik tot voor kort nooit gedacht. Seks was voor mij lange tijd een non-issue. Ik dacht er niet over na, sprak er niet over, deed er nauwelijks aan. Ik nam dat voor lief, tot eind 2019. Tijdens mijn uitwisseling naar Nashville kwam ik tot de conclusie dat ik niet wilde dat het zo bleef – maar dan moest ik wel in actie komen. Ik zette de luiken in mijn hoofd open, begon te denken en te praten over dit thema. En te schrijven, omdat ik dat nu eenmaal doe.

    In de zomer van 2020 plaatste ik een reeks stories op Instagram. De aanleiding was een nieuwsbericht van de NOS: als een vrouw geen ‘nee’ had gezegd, vond een op de vijf jonge mannen dat een verzachtende omstandigheid voor verkrachting. Een op de vijf vrouwen had ooit meegemaakt dat iemand ongewenst haar lichaam binnendrong. Ik werd er zowel verdrietig als kwaad van. In mijn stories pleitte ik voor het normaliseren van het gesprek over seks. Niet alleen om ongewenste intimiteit te voorkomen; ook seks die wel met wederzijdse instemming plaatsvond, zou daardoor zoveel makkelijker, fijner en leuker zijn.

    Ik kreeg veel reacties en plaatste de dag erna nog iets, over hoe spannend ik het had gevonden om me hierover uit te spreken. Dat dit kwam doordat seks voor mijzelf nog zo ingewikkeld was, durfde ik absoluut nog niet publiekelijk te maken. Ik sloot af: ‘De verhalen die het engst zijn om te delen, zijn vaak het meest waar of raak. Ze worden breed herkend, maar zelden besproken. Vandaar denk ik er al langer over na om meer te gaan schrijven over seks(ualiteit). Ik ben er nog niet helemaal uit hoe (qua vorm en vooral qua durf), maar ik zet hierbij een stok achter de deur. Want ook dat is vaak zo in mijn ervaring: dingen uitspreken helpt om ze te realiseren. Bij deze.’

    Mijn verhalen namen een steeds vastere vorm aan, van losse flodders naar thematische stukken. Blogs, als het ware, die ik hier zo online had kunnen plaatsen. Ik besloot het niet te doen – het voelde als iets wat samen gelezen moest worden, en als iets wat ik niet zomaar het internet op wilde slingeren. Voorzichtig begon ik na te denken over wat ik er dan wel mee zou willen. Dat ik er iets mee wilde, was zeker. De meeste vrouwen die zich uitspreken over seks, lijken er dol op te zijn. Ze zijn seksuoloog, sekswerker of vinden seks gewoon fantastisch. Maar voor mij was seks helemaal niet gewoon, laat staan fantastisch. Ik miste een verhaal zoals het mijne en ontdekte – toen ik er eindelijk over ging praten – dat ik niet de enige was. Dus moest ik het zelf maar schrijven.

    Dat ging langzaam – ik had ernaast een studie, een bijbaan. Bovendien was mijn kijk op seks volop in ontwikkeling, terwijl ik erover schreef. Soms voelde het alsof ik niet verder kon met de verhalen, omdat ik nog niet zover was in mijn leven. In de zomer van 2021 raakte ik de motivatie enigszins kwijt. Ik liet mijn werk wel aan een aantal vrienden lezen, maar verder ging het nergens heen. Een vriendin moedigde me aan het naar een uitgever te sturen. ‘Je hoeft maar tien minuten stoer te zijn, terwijl je de mail naar hun schrijft. Daarvoor hoef je het niet te durven, en daarna ook niet meer per se.’ Zo doende stuurde ik het naar Blossom Books. Ik kreeg een ontvangstbevestiging: het zou ongeveer vier maanden duren voor ik iets te horen kreeg.

    (Dat is bij iedere uitgeverij zo wanneer je iets ongevraagd instuurt, zeker nu iedereen en z’n moeder in coronatijd een boek heeft geschreven.

    Na die vier maanden kreeg ik een positieve reactie: of ik de andere hoofdstukken ook kon sturen. Ik was dolblij, het was al meer dan ik had durven hopen. Er was alleen een klein probleem: die hoofdstukken waren er nog niet. Dus ik ging aan de slag en wachtte vervolgens weer een poos. Het was eigenlijk wel goed dat het langzaam ging, omdat ik zo de tijd had om te wennen aan het idee dat mijn verhaal door iedereen zou kunnen worden gelezen. Voorzichtig stond ik de gedachte toe dat het misschien echt iets zou worden. Deze zomer belandden mijn verhalen op het bureau van de hoofdredacteur, en mailde ze mij: ze was enthousiast, ik mocht langskomen.

    En toen ging het ineens lopen. Er kwam een tijdlijn, een publicatiedatum. In de vakantie herzag ik het manuscript, in de trein, op het strand, aan de rand van een zwembad, voordat ik de eerste versie aanleverde. Ik tekende een contract in mijn yogalegging op de bank. Ik werd uitgenodigd voor een auteursborrel, waar ik me opeens tussen allerlei serieuze schrijvers bevond: mensen die de kost verdienden met fictie, poëzie, vertalingen. ‘En wat doe jij hier?’ vroegen ze voorzichtig aan mij. Ik vertelde dan over het boek, een kort praatje dat ik steeds vaker hield sinds ik wist dat het er ging komen. ‘Oh, dus dit is je debuut?’ vroegen ze verheugd. Inderdaad, ja. Dat woord gaf er extra gewicht aan. Mijn debuut. Het werd langzaam echt.

    We mailden heen en weer over het omslag, lettertypes, roze dat toch wel erg roze was, en dat het uiteindelijk toch groen ging worden. Ik kreeg voor het eerst feedback op iets wat ik had geschreven. Aan de universiteit is dat natuurlijk aan de orde van de dag, maar van mijn creatieve projecten was ik tot dan toe altijd schrijver, hoofd- en eindredacteur geweest. Nu keken er professionele ogen mee. Het bleek vriendelijk en concreet commentaar. (Zo werd ik op bepaalde patronen gewezen: ‘Je gebruikt wel erg vaak een gedachtestreepje.’ Absoluut waar – tel ze voor de grap maar eens in dit stuk.) Ik vond het heel bijzonder dat mijn verhalen met zoveel aandacht waren gelezen, met als doel ze nog beter te maken.

    En zo zijn we aanbeland bij deze dag, waarop dit alles bekend wordt gemaakt, in de catalogus van de uitgever en op sociale media. Het vormde voor mij een goede aanleiding om eens na te denken, over het schrijven en hoe serieus ik dat wil nemen. Er was nog altijd de twijfel of er nou echt wat van zou komen, die me tegenhield om er serieus iets mee te gaan doen. Tot ik vorige week besefte: ik heb er al ‘serieus’ iets mee gedaan. Er is al ‘echt’ iets van gekomen. Er komt een boek! Was dat nog niet genoeg? Dus heb ik mezelf beloofd mijn creatieve ideeën voortaan meer prioriteit te geven. Plannen genoeg, maar tijd om ze uit te werken ontstaat nu eenmaal niet zomaar. En misschien dat ik mezelf dan ook eindelijk schrijver durf te noemen.

    Dit was dus de reden dat het zo lang stil was hier – de tijd die ik had om te schrijven, ging allemaal hierheen. Ik vind het heel leuk om het nu eindelijk te kunnen delen. Mocht je Niet bepaald sexy alvast willen reserveren, dan kan dat vanaf nu. Tip: reserveer via Libris, dan kan je bij het afrekenen je favoriete boekhandel selecteren en gaat het bedrag naar hen. Updates over het boek zal ik plaatsen op Instagram, @dekunstvan.blog. Rond 8 maart (Internationale Vrouwendag!) zal ik hier ook zeker iets plaatsen. Je kan mijn blogs ook via de mail ontvangen, scroll daarvoor even helemaal naar onderen op deze pagina.

  • lief

    25 mei 2022

    ‘Wat vind je belangrijker,’ vroeg de docent, ‘dat het gezellig is, of dat er hard gewerkt wordt?’ Hij was het uur ervoor in mijn les komen kijken en constateerde dat ik wel heel veel met een glimlach deed. Ik zag het ook, toen ik het op video terugkeek. ‘Jongens,’ hoorde ik mezelf voor misschien wel de vijfde keer zeggen. Ik sprak drie leerlingen aan die constant aan het klieren waren. ‘Ik weet niet hoe ik het nog duidelijker kan maken dan dit – doe het niet!’ Vervolgens schoot ik in de lach om het feit dat het deze bijna volwassen gasten niet lukte om even drie minuten van elkaar af te blijven.

    (‘Ik kan er ook om janken,’ zou mijn moeder zeggen, ‘maar daar heeft ook niemand iets aan.’) 

    Sinds februari loop ik stage op een middelbare school in Utrecht, waar ik CKV geef in de vierde en kunstgeschiedenis in de vijfde. Ze geven er geen doorsnee onderwijs: er is veel vakoverstijgend, projectmatig, leerlingen krijgen veel vrijheid om hun eigen planning te maken. 

    Oh, en er zijn geen regels. 

    Althans – zo lijkt het.

    In de eerste week was ik vooral bij andere docenten aan het meekijken. Het viel me direct op dat het er allemaal wat losjes aan toeging. ‘Het lijkt helemaal niet op een school,’ vertelde ik wanneer me gevraagd werd naar mijn ervaringen. Het leek helemaal niet op mijn school, bedoelde ik dan eigenlijk. Wanneer ik langs de lokalen liep, zag het er absoluut niet uit zoals in mijn herinnering: leerlingen in rijtjes, schriften op tafel, hun blikken gericht op een docent vooraan. Leerlingen hadden hier veel meer ruimte om te doen waar ze zin in hadden. Ik zag ze zittend op tafels de uitleg volgen, ik zag ze slepen met meubilair als ze op een andere plaats wilden zitten. Ik zag leerlingen op willekeurige momenten het lokaal uit wandelen – waarheen, dat was me een raadsel. Mocht dat allemaal zomaar? Bij navraag bleek dat niet alleen de leerlingen, maar ook de docenten erg vrij waren. Dat betekende dus geen algemeen geldende regels: wat wel en niet mocht, dat moest ieder voor zich uitmaken.

    Deels vond ik dat fijn. Van regels-om-de-regels zou ik niet gelukkig worden. Van stagiairs op andere scholen hoorde ik over kledingvoorschriften en nablijflokalen, wat ik zeker niet gezellig vond klinken. Hoe zat dat op deze school eigenlijk, vroeg ik mijn stagebegeleider. Ze vertelde dat leerlingen niet uit de klas konden worden verwijderd. ‘Of ja, je kan iemand er wel uit sturen, maar ik zou niet weten waar diegene dan heen zou gaan. Je moet gewoon samen het gesprek aangaan.’ Dat klonk als een prima oplossing voor mij. Ook in het feit dat docenten bij de voornaam werden genoemd – geen meneer, geen mevrouw – kon ik me goed vinden.

    Op deze school zonder regels ligt de bal dus bij mij, en dat kan ook wel eens lastig zijn. Want wat zijn mijn grenzen eigenlijk? 

    Op tafel zitten tijdens een uitleg? Prima, dat doe ik zelf ook altijd. Als diegene maar oplet.

    Een vraag beantwoorden zonder een hand op te steken? Niet zo erg, het enthousiasme wordt gewaardeerd.

    Een prullenbak van driehoog naar beneden gooien? Ik had het niet kunnen verzinnen, maar dat bleek een duidelijke ‘nee’.

    Bij een excursie naar de Tweede Kamer die enorme roltrap omhoog gebruiken om over naar beneden te rennen? Nee natuurlijk, maar ik moest er wel degelijk om lachen. 

    Te laat komen? Dat deed ik zelf ook vrij vaak, ik meld dus zelden iemand te laat. Maar waar ligt de grens tussen te laat zijn of afwezig? Is het dan genoeg om de laatste tien minuten op te komen dagen? 

    Iets eten tijdens de les? Geen probleem, honger laat zich niet altijd timen. Maar wat doe ik dan met een leerling die met een familiezak friet komt binnenwandelen? 

    (Mijn grens bevindt zich blijkbaar ergens tussen een Liga en eten waardoor het lokaal naar een snackbar gaat ruiken.)

    En zo is elke dag vol keuzes: wat sta ik toe, wat laat ik gaan? 

    Soms voel ik wel aan dat ik bepaalde dingen liever anders zou zien. Neem telefoons in de les. Liefst zou ik zo’n zak hebben naast de deur, met dertig genummerde vakjes. Alles erin, geen gezeur. Maar zo’n besluit zou me – zeker op deze anti-autoritaire school – niet bepaald populair maken. Daarbij vind ik het te makkelijk om die telefoons tot de ultieme bron van het kwaad te maken. Het zijn pubers – wanneer ze willen, vinden ze ook zonder telefoon wel een manier om niks te doen.

    En dus vraag ik het nog maar een keer aardig.

    (‘Doe je ‘m even weg? Nee, niet op tafel – echt weg. Dankjewel!’)

    Ik wil dat er hard gewerkt wordt én dat het gezellig is. Dat zou echt moeten kunnen – ik heb zelf genoeg aardige docenten gehad die toch echt niet over zich heen lieten lopen. Maar naar de balans is het nog zoeken.

    Zo komt het dat een aantal leerlingen steevast te laat zijn in mijn les, maar wel met een blik van ‘duizendmaal sorry, ik ga al zitten!’ Zo komt het dat een leerling, toen ik haar vroeg waarom ze dan niet gemotiveerd was om iets te doen, tegen me zei: ‘Het is echt een leuke opdracht, hoor! Maar ja, wij hebben er gewoon niet zo’n zin in. Je moet het volgend jaar maar weer proberen met een nieuwe groep.’ Zo komt het dat een leerling wel een les lang liep te klieren, maar ook begrijpend knikte toen ik hem vroeg nog even te blijven. Wat ging hij de volgende les anders doen? ‘Ik denk dat ik maar even apart ga zitten, zodat ik goed kan werken. Wil je me daaraan helpen herinneren?’

    En zo komen ook de lieve leraren er wel.

    Ik ben er weer! Heel leuk dat je nog steeds meeleest. Ik ben al langere tijd bezig met een groter schrijfproject, dat ik niet hier wilde plaatsen. Hopelijk kan ik daar binnenkort meer over delen. Daarnaast loop ik dus stage, wat veel van mijn tijd en energie vraagt. Ik vind het wel enorm leuk, en maak genoeg mee om over te schrijven. Dat wil ik dan ook vaker gaan doen – ik heb nog een paar ideeën liggen. Als je niets wilt missen kan je mijn verhalen via mail ontvangen (onderaan de site vind je een inschrijfknop) of mij volgen via Instagram, @dekunstvan.blog. Tot de volgende!

←Vorige pagina
1 2 3 4 5 … 13
Volgende pagina→

Reacties laden....