een matige zes

Hij stelde zich voor als Mathijs. ‘Met één of twee t’s?’ vroeg mijn vriend. Ze speelden een dubbel, beide tegenstanders hadden dezelfde naam, maar met een andere spelling. ‘Daar kom je vanzelf wel achter,’ antwoordde Mat(t)hijs. De mannen lachten, ik bleef in verwarring achter.

Het lijkt zo’n keurige sport: geen schwalbes, geen spreekkoren, op wat zweetplekken na blijven de polo’s smetteloos. Maar tennis is bruut op een andere manier, zo ontdekte ik laatst. Iedere speler heeft een rating: een speelsterkte tussen de 9 en de 1, hoe lager hoe beter. De ratings worden na iedere wedstrijd bijgewerkt. Bij competities en toernooien staat het pontificaal achter de naam van elke speler: Mathijs (4,79), als een koe met een oormerk. En dan maakt het dus uit wie welke Mat(t)hijs is – de één is namelijk een stuk beter. Bij koeien vormt dit nummer hun identiteit, en zo gaat dat bij tennissers eigenlijk ook. Je hebt geen rating van zes, je bént een zes. Misschien zelfs ‘een matige zes’ – in die termen wordt erover gesproken. Langs de baan wordt zonder schroom iemands backhand of volley bediscussieerd, waarbij de rating dient als leidraad.

(‘Hij heeft wel een goede service voor een vijf.’)

Ieder die denkt: het mag wat kil zijn, het is in ieder geval een eerlijk systeem, komt bedrogen uit. Een zeven in Limburg schijnt minder sterk te spelen dan een zeven in Utrecht. Ook in de 35+-categorie zijn de cijfers vertekend. Die groep is een stuk kleiner. ‘Ze spelen telkens tegen dezelfde mensen, en houden zo elkaars rating laag.’ Een ‘incestcompetitie’, aldus mijn lief, waarna hij me vertelde ‘dat hij zo wel eens een twee had verslagen.’ Maar wel een matige twee, dus.

WAT WOORDEN OVER CIJFERS

Zeven uur, vrijdagochtend. De cijfers voor wiskunde staan op Magister. Met mijn slaaphoofd scrol ik de lange lijst getallen door. Onderaan prijkt – onder een 6,3 en een 5,5 – een dikke 7,8.

Staatssecretaris van Onderwijs Sander Dekker heeft ervoor gezorgd dat leerlingen die met een 8,0 of hoger slagen, de vermelding ‘cum laude’ op hun diploma krijgen. Voor mij was het tot en met de derde klas mogelijk, maar inmiddels heb ik het opgegeven. Mijn bèta-capaciteiten acht ik niet toereikend.

Waarom ik het zou willen is de vraag. Natuurlijk staat het mooi op mijn diploma, maar voor mijn vervolgstudie heb ik het niet nodig. Bovendien weiger ik te accepteren dat één rijtje getallen zou weerspiegelen hoe het met mijn intelligentie gesteld is. Maar toen ik vanochtend die 7,8 op Magister zag staan, schoot het toch door mijn hoofd: misschien kan het nog. Cijfers – ik hecht er meer waarde aan dan ik zou willen.

Onze gehele maatschappij is gebaseerd op getallen en statistiek. Ze vormen de basis voor beleid. Een stijging van dit? Dat resulteert in strengere maatregelen. Een daling van dat? Dan wordt de subsidie ingetrokken. We hebben cijfers nodig om een mate van objectiviteit te bereiken, waardoor we zaken met elkaar kunnen vergelijken en toetsen. Maar of dit op alles toegepast moet worden, vraag ik me af.

De middelbare school is hier een treffend voorbeeld van. Aangezien cijfers bepalen of je wel of geen diploma haalt, is dat hetgeen waar leerlingen op focussen. Bovendien zijn we het gewend; al vanaf de kleuterklas worden we getoetst en beoordeeld. Deze cijfergerichtheid resulteert in strategisch leren: niet om te willen weten, maar om een bepaald cijfer te halen. Dan heb ik het niet over de zogeheten ‘zesjescultuur’. Of je nu gaat voor een dikke acht of een nipte zes, je leert voor het resultaat – niet voor de kennis die daarachter schuilt. Pragmatisch is het zeker, wanneer je een diploma wilt na een aantal jaar middelbare school. In termen van kennis is het een minder geslaagde methode.

Per vak is er een eindexamenprogramma, overzichtelijk opgedeeld in domeinen. Dit zijn lange lijsten met begrippen en processen die er geleerd moeten worden. We moeten zo veel kennen dat de rode draad soms kwijt is, maar we investeren er geen tijd in deze terug te vinden. Iets echt begrijpen duurt nu eenmaal langer dan ‘simpelweg weten’. En een tienerleven bestaat uit meer dan school: er zijn bijbaantjes, hobby’s en eisen van toekomstige studies. Een sociaal leven, als het even kan.

In de lessen zelf komt het grotere geheel ook niet vaak aan bod – we hebben het al druk genoeg met die lange lijst. Bovendien is het zelden van belang. Want we leren voor één vak, één toets met één onderwerp. We leren voor het cijfer. En dus doen we alsof scheikunde en biologie niets met elkaar te maken hebben. We negeren dat Sartre en Camus filosofen én Franse schrijvers zijn. We stampen gewoon die lange lijst in ons hoofd – een kwestie van weten en vergeten, terwijl juist begrip van zaken veel meer waard is. Want wanneer je iets goed begrijpt, kan je het toepassen op meerdere situaties, zal je het waarschijnlijk langer onthouden en kan je verbanden leggen tussen verschillende vakgebieden.

School gaat momenteel om slagen, terwijl juist leren centraal zou moeten staan. Dan heb ik het over dat grote geheel, maar ook over het eigen maken van vaardigheden. Daar is momenteel te weinig ruimte voor. Laat me één ding duidelijk maken: ik wil niet zeggen dat ik op school niets geleerd heb. Het tegenovergestelde juist. Ik heb er mijn wiskundige kennis vanaf nul opgebouwd. Het menselijk lichaam heeft me geboeid, mijn interesse voor filosofie is met een factor honderd toegenomen. Van elk vak heb ik wel iets opgestoken.

Maar net zo heb ik genoten van goede gesprekken die niets met de lesstof te maken hadden. Over veranderlijke zaken als actualiteit – niet te omschrijven in een curriculum, maar wel van groot belang. Hetzelfde geldt voor initiatief nemen, organiseren en discussiëren. Leren over jezelf, wie je bent en wat je belangrijk vindt in het leven. Stuk voor stuk belangrijke vaardigheden, maar niet toetsbaar. Die kennis heb ik ook op school opgedaan. Wat ik de afgelopen zes jaar echt geleerd heb – en de rest van mijn leven nog zal weten – valt niet in cijfers uit te drukken.