BEKIJK HET VAN DE ZONNIGE KANT

Over de eindexamens worden een hoop onwaarheden verspreid. ‘Ze zijn makkelijker dan de schoolexamens’, is de meest gehoorde. Mijn cijfers moet ik natuurlijk nog krijgen, maar uitgaande op mijn eigen nakijkwerk kan ik je vertellen: niet waar.

‘Je bent nooit de volle drie uur bezig.’ Niet waar. Ik heb er steeds tot het einde gezeten, behalve op de laatste dag. Maar dat lag meer aan mijn concentratieniveau dan aan de lengte van het examen.

‘Tijdens de examenweken zelf leer je niet meer.’ Absoluut niet waar. De mensen die geen stress hebben, beginnen de dag van tevoren pas met leren. De mensen die wel stress hebben, lezen alles ’s ochtends nog eens door.

Nu ik al deze wijsheden heb verworpen, vraag je je misschien af: wat is dan wel wijsheid omtrent die examens? De beste tip die ik je kan geven: probeer er de humor van in te zien. Lach om de misbaksels van antwoorden die je soms produceert wanneer je echt geen flauw idee hebt, maar toch íéts in wilt vullen. (Want je hoort in je hoofd die ene docent, die al drie jaar roept: je moet altijd íéts invullen!) En lach om de examens zelf. Want ondanks de stress en vermoeidheid die ze met zich meebrengen, ontdekte ik: soms zijn ze best grappig.

Het examen Engels bevatte een tekst die ging over klachten omtrent Baby Einstein videos. Die videos zouden niet de educatieve waarde hebben die door producent Disney wordt geclaimd. Disney heeft dat inmiddels erkend en er zijn maatregelen getroffen. Als de videos geen Einstein voortbrengen, dan mag het kind gewoon geruild worden.

scan0018

Biologie begon met een tekst over het gif ‘imidacloprid’* en bijen. ‘In lage doses verstoort het onder andere het poetsgedrag, het oriëntatievermogen, de bijendans en het foerageren.’ Mijn over het algemeen goed geconcentreerde brein liet zich even afleiden door de term ‘bijendans’. Direct zag ik een groep geel-zwarte animatiefiguurtjes voor me, schuddend met hun vleugels. Op de achtergrond klonk Formation van Beyoncé.

Gelukkig was de afleiding maar van korte duur, en kon ik me weer focussen op de bijbehorende vraag over de nadelige gevolgen van het gif. ‘Dan kunnen de bijen de bijendans niet meer doen,’ was de strekking van mijn antwoord. Daar heb ik dan zes jaar voor op school gezeten. En het was nog fout ook.

scan0019

Bij filosofie was scepticisme het onderwerp van het eindexamen. Het scepticisme is een stroming die alles in twijfel trekt. Het bestaan van de buitenwereld, van de mensen om ons heen en zelfs ons eigen bestaan wordt onzeker geacht. Om paranoia van te worden.

Op het examen resulteerde het in pareltjes van zinnen, die zo wanhopig klonken dat het lastig was er niet om te lachen. ‘Je moet beginnen met te beseffen dat je er helemaal alleen voor staat.’ En mijn persoonlijke favoriet: ‘Ik weet zeker dat je ouders heel erg trots op je zouden zijn, als ze inderdaad zouden bestaan.’

Ook probeerden we te lachen om het feit dat iedereen zich suf had geleerd op het gedachtegoed van Kant, waar vervolgens geen enkele vraag over gesteld werd. Niet één. En we hadden nog zoveel woordgrapjes over hem gemaakt in de Facebookpoll. (Zie titel. Ha-ha.)

Untitled (1)

Bij Frans kregen we een tekst voorgeschoteld over de rampzalige gevolgen van te veel zitten. ‘Les muscles deviennent aussi réactifs que ceux d’un cheval mort.’ Daar ben je mooi klaar mee. Deze ‘spieractiviteit als van een dood paard’ leidt tot diabetes, obesitas en een verhoogd sterftecijfer. We werden bekogeld met termen als ‘désastreuse’ ‘néfaste’ en ‘funeste’. Ervan uitgaand dat het Cito weet dat wij wekenlang op onze derrières aan het studeren geweest zijn, vond ik dit wel een vrij zwarte vorm van humor.

Dan waren er nog twee examens waar geen enkele hilariteit in te ontdekken viel: natuurkunde en wiskunde. Was te verwachten. Die heb ik ook het slechtst gemaakt – dan is het maar duidelijk waar dat aan gelegen heeft.

* Het is maar goed dat de dyslecten een half uur extra kregen.

Dit was de tweede en tevens laatste eindexamensamenvatting. Ik ga nog wel iets schrijven over hoe het met me gaat, wat ik ga doen met de rest van mijn vakantie/leven. Dat komt allemaal. Tijd genoeg. Eerst even feestvieren (en wat boeken in de fik steken).

IN MINIMAAL 30 WOORDEN

scan0017

Na twee dagen vind ik mezelf ervaren genoeg om iets te schrijven over hetgeen waar al het gehele schooljaar naartoe geleefd wordt: het Centraal Schriftelijk. Wanneer ik een examen maak, blijk ik me in een concentratievacuüm te bevinden. Daarin bestaan alleen vragen en antwoorden, sporadisch een graai in een bakje druiven. Of zoals ze het in de Volkskrant zouden verwoorden: ik begeef me in het epicentrum van mijn bewustzijn.

Deze hyperconcentratie resulteert erin dat ik na drie uur niet meer weet waar de eerste opgave over ging. Hulde dan ook voor de mensen die om vijf uur ’s middags al een scherpe poll op Facebook hebben geplaatst. Zoals Colette zei: ‘Het leukste aan examens is dat ik de grapjes op social media snap dit jaar.’

Je kan je voorstellen dat ik met een overvolle hersenpan thuiskom na zo’n zitting. Ik voel sterk de behoefte om tegen iemand aan te kletsen over de essentie van tekst vier of de bedoeling van vraag twintig, mocht ik nog weten waar die over ging. Mijn familie kan ik hier maar tot op zekere hoogte mee lastigvallen, dus doe ik mijn woordje hier.

Het examen Nederlands verliep zoals ik verwacht had. Ik markeerde er lustig op los, goochelde wat met functiewoorden. Door Martin Heidegger werd ik even verleid te gaan twijfelen aan het nut van het leven (en dus de examens). Maar ik trapte er niet in. Ik probeerde alles wat op creativiteit of een eigen mening leek te onderdrukken. En dat ging eigenlijk prima.

Dan scheikunde. Dat was… Tsja. Scheikunde. Daar wil ik het graag bij laten.

Nee, natuurlijk niet. Bij Nederlands heb ik de oplossing voor de wereldcrisis al moeten samenvatten in dertig woorden, rekening houdend met de aspecten die deze crisis kenmerken en de partijen die ervoor verantwoordelijk zijn. (Of zoiets.) Dan ga ik me in mijn eigen eindexamensamenvatting niet nóg eens zo beperken.

Ik weet dat ik wat betreft scheikunde nooit beter ga worden dan ‘gemiddeld’, vanwege een gebrek aan interesse en kundigheid. En dat is oké – het is het me niet meer waard me er druk over te maken. Dat heeft me misschien nog wel het meest verbaasd de eerste examendagen: mijn eigen gemoedstoestand. Zo nu en dan een vlaagje zenuwen en een vrij zonnig humeur – dat is niet wat ik verwacht had deze periode.

Verder blijken mijn ideeën over de examentijd wel te kloppen. Een gymzaal gevuld met lichte nervositeit. Een tafel vol paperassen, waar na twee uur schrijven geen systeem meer in te ontdekken is. De bemoedigende glimlachjes van docenten. (En dat je dan lief terugknikt, maar stiekem denkt: ‘Ja, lach maar. Jij hoeft dit niet te doen.’)

Dat naar de wc gaan een uitje wordt, wanneer je je al twee uur op één vierkante meter bevindt. Je vangt de blik van je klasgenoot op wanneer je terugkomt van je plaspauze. Waarin je niet eens hebt geplast, overigens – je wilde gewoon even je benen strekken. Op weg naar je tafel herkennen jullie wat melodramatische wanhoop in elkaars ogen, waar je nogal de slappe lach van krijgt. Je beseft dat dat totaal niet handig is, in deze gymzaal waar alleen het geritsel van papieren en het gekraak van waterflesjes klinkt. We glimlachen elkaar bemoedigend toe. Wij mogen dat, want we zitten in hetzelfde scheikundeschuitje. Het is een glimlach die voortkomt uit één geruststellend gegeven: in dit schuitje zitten we waarschijnlijk nooit meer.

Dit was de eindexamensamenvatting (ja, ja) van week 1. In week 2 maak ik Engels, dat wordt een makkie. Dan wiskunde en op vrijdag ga ik aan het zwarte gat natuurkunde proberen te ontsnappen. Misschien komt daar ook een samenvatting van. Misschien ook niet – wie zal het zeggen. Wat je kan doen om met mijn wispelturigheid om te gaan, is de Facebookpagina van Picture this by Milou liken. Zo blijf je zeker op de hoogte wat betreft examenupdates en verhalen over andere zaken. Want die schrijf ik ook heus wel. Maar nu even niet.

misschien toch maar gaan

De smaak van vakantie ligt op mijn lippen; een mengeling van chloorwater en perenijsjes terwijl ik opdroog in de zon. Het is vakantie, maar ook alles behalve dat.

Maandagochtend, we hebben nog drie dagen. We leren biologie, Mienke en ik. Drie hoofdstukken in een uur, het lijkt heel wat. Maar we focussen ons meer op herkennen dan kennen. ‘Dit weet ik. Dit weet ik ook wel. Oh ja. Dat staat in je Binas. Tabel 78C. En dit – nee, dit niet. Maar dat kan je hieruit afleiden. Dat onthoud je misschien. Trouwens, dat gaan ze tóch niet vragen. Nee… Toch?’

Om en om proberen we afleiding te voorkomen en op te zoeken. Beide kanten op gaat dat niet geweldig. Tijdens het leren lonkt mijn telefoon, ’s avonds kan ik mijn gedachten niet van de formules en begrippen afhouden. PSV en OZ doen een goede poging de spanning te verleggen. Zelf proberen we het ook, tijdens avondjes op limonade, kletsend over alles behalve. Toelevend naar de vakantiestip op de horizon.

Natuurlijk komen we er toch steeds op uit. We bespreken wat we geleerd hebben, of hadden moeten leren die dag. We vragen ons af of iemand je wakker zou maken, mocht je in slaap vallen daar in de gymzaal. Er wordt een verhaal verteld over een meisje dat vol goede moed wilde beginnen met schrijven. Ze zuchtte nog eens diep, knakte haar vingers… en trok er daarbij vier uit de kom.

Ik leef op mijn planning, die inmiddels al zaligmakend neon kleurt. Wat er buiten dat schema om gebeurt, bestaat niet. Ik schrik dan ook wanneer ik een melding ontvang van Facebook. ‘Je hebt interesse getoond in een evenement dat later deze week plaatsvindt. Laat weten of je aanwezig bent.’ Het staat niet op mijn planning, dus nee. Ik klik verder. ‘Centraal Eindexamen 2016’. Misschien toch maar gaan.

‘Vooral geen stress hebben, dat is nergens voor nodig’ is het meest gehoorde goedbedoelde advies. Als ik eens wist hoe dat moest. Het komt met vlagen van buikpijn en gezucht, nachtelijke rekensessies waarbij ik check wat ik minimaal moet halen. Die cijfers zijn ook echt minimaal, kan ik je vertellen – de stress is inderdaad niet nodig. Het feit dat ik het toch ervaar is irritant, frustrerend en soms lachwekkend, als ik denk aan de uit mijn fantasie voortkomende doemscenario’s die al de revue zijn gepasseerd. Voor anderen heb ik tientallen tips en geruststellende woorden. Maar zelf neem ik ze niet aan.

Maandagmiddag inmiddels, we hebben biologie opgegeven. Het valt gemakkelijk goed te praten, vanuit een gebrek aan concentratie en een overschot aan blauwe lucht. Dus liggen we in de tuin, voorzichtig zonnend in de leerpauze. (Voorzichtig lerend in de zonpauze, wat je wilt.) Ik denk aan de melanine die zich vormt in mijn huid. Er loopt een mier over mijn handdoek en ik denk aan zijn kleine lichaam, dat zelfs daarin zich synapsen, bloedlichaampjes en receptoreiwitten bevinden. (Althans, dat verwacht ik – de anatomie van de mier staat niet in mijn syllabus.) Ik denk aan nog duizend andere dingen die ik volgend jaar ben vergeten en waar ik nu niets aan heb. Maar ondertussen word ik wel degelijk bruin – fijn dat sommige dingen vanzelf gaan.

Gelukkig gaat de tijd ook vanzelf. Het wordt vanzelf 25 mei – hoe dan ook. Het wordt vanzelf morgen, de dag waarop ik mijn eerste examen maak. En dan zie ik vast dat het meevalt. Ik loop de rijen tafels af op zoek naar de mijne. In mijn handen een flesje water en koekjes die veel te hard kraken. En dan is het half twee. Ik kijk de anderen aan, doe alsof ik mijn vingers ga knakken. We lachen, ondanks alles, en slaan onze boekjes open.

Lieve examenkandidaten: heel veel succes!