charlie

Sinds onze buren een trampoline hebben aangeschaft die vrijwel hun hele tuin in beslag neemt, zoekt hun hond regelmatig zijn rust bij ons. Dagelijks wandelt Charlie door het gat in de heg. Dat deed hij eerder ook al, maar de afgelopen maanden was er vrijwel altijd een welkomstcomit√© aanwezig in de woonkamer. Inmiddels wandelt hij dus op zijn gemak naar binnen. Daar snuffelt hij wat rond, likt eens iets van de grond, tot mijn huisgenoten zijn aandacht vragen. ‘Charlie!’ kirren ze, waarop hij zich naast hen neervlijt en zich uitgebreid laat aaien. Na een minuut of drie staat hij op en loopt weer naar buiten, om het bezoek de volgende dag te herhalen.

Nu wij onszelf ook weer wat meer bewegingsruimte gunnen, treft Charlie soms een leeg huis aan. Het weerhoudt hem er niet van de benedenverdieping verder te verkennen – een hond in de gang is een duidelijk teken dat we de achterdeur open hebben laten staan.

Laastst was ik alleen thuis toen Charlie de tuin in kwam. Ik stond op en ging in de deuropening staan.

‘Blijf maar daar, ok√©? Kelly en Eline zijn er niet.’

Hij liep naar me toe, ik sloot de deur.

‘Sorry.’

Geen verzet, geen geblaf – dat zou Charlie nooit doen. Hij duwde enkel zijn neus tegen het glas. Verontschuldigend haalde ik mijn schouders op en keerde hem de rug toe.

Ik houd niet zo van dieren. Ik wens ze heus het beste toe en eet ze nog maar sporadisch op, maar voel zelden de behoefte ze te aaien of op schoot te nemen. Dat ik voor vrijwel ieder dier allergisch ben helpt niet, evenals de herinnering aan de hond van mijn opa, die bij het geluid van de bel al demonisch begon te blaffen, en het fantastisch vond kinderen van een jaar of acht omver te springen.

Op afstand kan ik een dier mooi vinden, of schattig, maar als ze dichterbij komen weet ik me vaak geen raad. Een gezellig gesprek is er sowieso niet bij. Het maakt me ongemakkelijk, zo’n beest dat om me heen draalt. ‘Wat moet je?’ wil ik vragen. Met een halfslachtige aai kom ik niet weg. Ze willen onverdeelde aandacht, of op z’n minst een koekje – dat ik ook nooit bij me heb.

Gisteren keek ik naar een fanatiek kroelende huisgenoot en dacht ik aan Rossi. De hond van mijn vriendin Carmen was iets kleiner en donkerder van kleur, maar had wel zo’n krullende vacht en eenzelfde pantoffelachtige tred. Ik was zestien, het was uit met mijn vriendje, mijn verdriet en ik gingen bij Carmen langs. Rossi had me tot dan altijd vriendelijk met rust gelaten, maar die avond week ze niet van mijn zijde. Ik liet het toe.

Vandaag zat ik in de tuin een boek te lezen toen Charlie naast me opdook.

‘Hee,’ zei ik.

Hij zette koers richting de deur. Ik ging voor hem uit en deed die dicht – er was niemand binnen. Ik ging zitten, Charlie ook. Ik las verder, maar na een bladzijde zat hij nog steeds naast me.

‘Wat kom je nou doen?’ vroeg ik tegen beter weten in.

Ik zuchtte nog maar eens en begon hem voorzichtig te aaien.