Ons huis heeft een gekke akoestiek. We wonen op de vierde verdieping van een jarennegentigflat, een blokkendoos die de halve straat beslaat, Mooi is het niet, vanbuiten althans, maar de isolatie is een stuk beter dan de charmante panden waar we op uitkijken. De buren horen we nauwelijks, afgezien van een schuivend geluid boven onze slaapkamer, elke avond tussen elf en twaalf – vermoedelijk de balkondeur die opengaat voor een laatste sigaret.
Ons eigen balkon valt terug het pand in en fungeert als een echokamer voor geluiden van straat. Een fiets die op slot gaat klinkt alsof die tegen het slaapkamerraam geparkeerd wordt, twee katten vechten met elkaar aan ons voeteneind.
In de zomer bereikte ons nog wel eens wat via het openstaande raam: pianomuziek die op de vijfde naar buiten dreef en bij ons weer naar binnen. Sinds de kou haar intrede deed is dat voorbij – tot vandaag. Ik zat op de wc, waar de afzuiging ook dienst bleek te doen als speaker. Het was een mooi stuk, een beetje triest. Ik had wel willen vragen wat het was, maar ik wist niet aan wie.