akoestiek

Ons huis heeft een gekke akoestiek. We wonen op de vierde verdieping van een jarennegentigflat, een blokkendoos die de halve straat beslaat, Mooi is het niet, vanbuiten althans, maar de isolatie is een stuk beter dan de charmante panden waar we op uitkijken. De buren horen we nauwelijks, afgezien van een schuivend geluid boven onze slaapkamer, elke avond tussen elf en twaalf – vermoedelijk de balkondeur die opengaat voor een laatste sigaret.

Ons eigen balkon valt terug het pand in en fungeert als een echokamer voor geluiden van straat. Een fiets die op slot gaat klinkt alsof die tegen het slaapkamerraam geparkeerd wordt, twee katten vechten met elkaar aan ons voeteneind.

In de zomer bereikte ons nog wel eens wat via het openstaande raam: pianomuziek die op de vijfde naar buiten dreef en bij ons weer naar binnen. Sinds de kou haar intrede deed is dat voorbij – tot vandaag. Ik zat op de wc, waar de afzuiging ook dienst bleek te doen als speaker. Het was een mooi stuk, een beetje triest. Ik had wel willen vragen wat het was, maar ik wist niet aan wie.

excursie

Voor hen was het een excursie, voor mij een thuiswedstrijd. We begonnen met een stadswandeling langs de overblijfselen van middeleeuws Utrecht. De stadsbuitengracht die in de jaren zeventig getransformeerd werd tot autobaan, een kerk waar de kanonskogels nog in zaten, een gedenksteen voor een zuster die zich had laten inmetselen voor de goede zaak. Ik zag mijn stad door nieuwe ogen: die van mijn collega met zijn historische focus, en die van de leerlingen. Het was gek om hen door mijn wereld te zien lopen, waar ik me normaliter naar die van hen verplaats. Ik moest me inhouden om de locaties niet van alternatief commentaar te voorzien.

(‘Hiernaast zit een goede vintagewinkel.’

‘Daar om de hoek zit een leuke kroeg.’

‘Hier staan over een paar uur vooral veel mensen te blowen.’)

Aansluitend was er een museumbezoek, dat liep zoals verwacht. Er was de leerling die met een potlood nét iets te dicht bij een middeleeuws altaarstuk kwam. Er waren banken die een magnetische aantrekkingskracht hadden. Er was de gids die mij voor een leerling aanzag.

(Dat gebeurt wel vaker.

‘Nog even op de gang wachten tot de docent er is, hoor!’

‘Ik ben de docent.’)

Onderweg naar huis appte een vriend of ik mee uit ging die avond. Daar had ik wel oren naar en het kon ook – de dag erna was ik geen leraar.