meisje

En het was al zo’n dag. Band plat, blaar op mijn hak, hand geschaafd toen ik haastig het huis probeerde te verlaten. En daarna hij nog:

‘Nou meisje, ga daar maar zitten.’

De eerste keer twijfelde ik: had ik dit goed verstaan? Met wat goede wil lijkt ‘Milou’ er nog wel op. Twee lettergrepen, twee letters hetzelfde. Maar toen zei hij het nog eens.

‘Eens even kijken meisje.’

Daar aan het einde van zijn zin was het onmiskenbaar. Toch gaf ik hem nog het voordeel van de twijfel. Het kwam door zijn toon, uiterst vriendelijk. Misschien was hij mijn naam vergeten? Pas toen hij meermaals bedenkingen van mijn kant terzijde schoof, onder het mom ‘we kijken wel even’ (synoniem voor ‘we doen het zoals ik wil’) stopte ik met excuses bedenken.

Het was die joviale houding waardoor het me maar traag benauwde, als een vacuümzak waar langzaam alle lucht uit wordt gezogen. Iedereen weet dat een vlam dan direct dooft. Pas onderweg naar huis ontbrandde het vuur. Ook op mezelf was ik kwaad: waarom had ik niets gezegd? Al had dat me mogelijk alleen maar een boos meisje gemaakt, in zijn ogen.

Een collega adviseerde om voor dergelijke situaties wat standaardzinnen paraat te hebben, in de categorie ‘vriendelijk doch doeltreffend’.

‘Dan zijn we rond, meisje.’

‘Zeg maar Milou, hoor.’

een matige zes

Hij stelde zich voor als Mathijs. ‘Met één of twee t’s?’ vroeg mijn vriend. Ze speelden een dubbel, beide tegenstanders hadden dezelfde naam, maar met een andere spelling. ‘Daar kom je vanzelf wel achter,’ antwoordde Mat(t)hijs. De mannen lachten, ik bleef in verwarring achter.

Het lijkt zo’n keurige sport: geen schwalbes, geen spreekkoren, op wat zweetplekken na blijven de polo’s smetteloos. Maar tennis is bruut op een andere manier, zo ontdekte ik laatst. Iedere speler heeft een rating: een speelsterkte tussen de 9 en de 1, hoe lager hoe beter. De ratings worden na iedere wedstrijd bijgewerkt. Bij competities en toernooien staat het pontificaal achter de naam van elke speler: Mathijs (4,79), als een koe met een oormerk. En dan maakt het dus uit wie welke Mat(t)hijs is – de één is namelijk een stuk beter. Bij koeien vormt dit nummer hun identiteit, en zo gaat dat bij tennissers eigenlijk ook. Je hebt geen rating van zes, je bént een zes. Misschien zelfs ‘een matige zes’ – in die termen wordt erover gesproken. Langs de baan wordt zonder schroom iemands backhand of volley bediscussieerd, waarbij de rating dient als leidraad.

(‘Hij heeft wel een goede service voor een vijf.’)

Ieder die denkt: het mag wat kil zijn, het is in ieder geval een eerlijk systeem, komt bedrogen uit. Een zeven in Limburg schijnt minder sterk te spelen dan een zeven in Utrecht. Ook in de 35+-categorie zijn de cijfers vertekend. Die groep is een stuk kleiner. ‘Ze spelen telkens tegen dezelfde mensen, en houden zo elkaars rating laag.’ Een ‘incestcompetitie’, aldus mijn lief, waarna hij me vertelde ‘dat hij zo wel eens een twee had verslagen.’ Maar wel een matige twee, dus.

het begint zachtjes te regenen

Het was net een week te vroeg zomer geworden. In zo min mogelijk kleding puften we de werkdag door, in ons appartement dat ‘erg warm’ was, aldus de vorige bewoner. In het voorjaar hadden we daar ons voordeel mee gedaan, dus nu legden we ons erbij neer, verkoelden onszelf met Calippo’s en waterflessen uit de vriezer, terwijl we deden wat er moest gebeuren voordat het naast zomer ook vakantie was.

De zon overtuigde me er al een voorsprong op te nemen. ‘Doe het nu,’ riep ze, ‘ik doe geen beloftes over hoelang ik er nog ben.’ En dus sprong ik op de fiets, wapperende jurk, billen op een heet zadel, de handvaten van mijn stuur langzaam smeltend, een zwart plaksel achterlatend op mijn palmen. Avondeten aan de singel, nog even zwemmen aan de rand van de stad, een glas wijn bij dat ene hippe restaurant op dinsdagavond. (‘De Welschriesling? Dat is dus geen gewone riesling, hè? Echt een andere druif. Een funky wijn, appel, hazelaar, warm asfalt. Die doen?’) En dan weer terug naar mijn laptop, de kantlijn vol comments van toen het nog tien graden kouder was, over zaken waar ik nog wat beter naar wilde kijken. Eén voor één markeerde ik ze als opgelost.

Nu ben ik hier. Ik ontbijt in een pyjamabroek die me als tiener al iets te klein was, de lucht is geruststellend grijs. De tegels in de tuin zijn weer te belopen op blote voeten, maar op zolder ruikt het nog naar warm hout. De hond maakt zich zo plat mogelijk op de koude vloer om het contactoppervlak te maximaliseren. Een colonne mieren trippelt over het aanrecht. Het begint zachtjes te regenen.

tijd

Gisteren was ik met mijn schoonfamilie, onder wie een nichtje van bijna drie. Het concept ‘gisteren’ snapt zij nog niet, vertelde haar vader mij. Haar gevoel voor tijd beperkt zich tot ‘eerst’ en ‘daarna’, woorden die haar ouders vaak in haar bijzijn gebruiken. (‘Eerst je schoenen aan, daarna mag je naar buiten.’) Sinds kort kent ze het woord ‘vanavond’, maar dat gebruikt ze voor alles wat niet nu is. Waar volwassenen zich de toekomst kunnen voorstellen op een mentale tijdlijn, is het idee van een morgen, een volgende week, een volgende maand nog te complex voor haar.

Het deed me denken aan de manier waarop ik me vroeger de tijd voorstelde. Voor mij waren de dagen van de week gekleurd: maandag was blauw, dinsdag roze, woensdag oranje, donderdag paars en vrijdag rood. Het duurde best even voor ik erachter kwam dat hier geen universele logica achter zat, maar simpelweg mijn kleuterjuf, die de dagen van de week op gekleurd karton in het klaslokaal had opgehangen. Ook nu nog dicteert het schoolsysteem mijn tijdsbesef: een jaar loopt voor mij van september tot en met juni (of juli, als ik pech heb). Mijn agenda weerspiegelt dat; ik heb weleens geprobeerd over te stappen naar een exemplaar dat in januari start, maar dan kreeg ik rond de zomer toch weer een onstilbare behoefte om een nieuwe te kopen.

Sowieso is mijn agenda van grote invloed op hoe ik de tijd voor me zie: als een witte ruimte beschreven met zwarte inkt. Hoe meer zwart, hoe minder vrije tijd. Liefst heb ik de week verspreid over twee pagina’s, in horizontale vlakken. Mijn vorige agenda had smalle verticale dagen, waardoor het voelde alsof ik enkel korte taken kon plannen, maar dan wel een heleboel achter elkaar. Ik had ook eens een agenda die me dwong in het nu te leven – omdat iedere dag een hele pagina besloeg, kon ik lastig vooruitkijken. Maar in plaats van rust resulteerde het vooral in veel heen en weer geblader. Het was overigens wel de enige agenda waarin de weekenddagen evenveel ruimte kregen als de rest.

In de agenda die ik voor na de zomer heb gekocht, bleek de hele week op één pagina geplaatst. De pagina ernaast is voor notities. Ik ben benieuwd wat dat in de praktijk gaat betekenen – veel denken, weinig doen? Het is een klein exemplaar, sinds een jaar of twee koop ik mijn agenda’s in A6-formaat. Misschien is het niet geheel toevallig dat ik het steeds minder vaak ‘te druk’ heb. Een tip dus: ga voor een kleine agenda, dan kan je nooit te veel plannen maken.

metro

Voor mijn stage ben ik geregeld in Rotterdam te vinden. Wanneer ik daar de metro neem, voel ik me echt een wereldburger. In Utrecht heb je alleen de bus, en de tram naar Nieuwegein – daar is weinig kosmopolitisch aan. Maar in de metro kan ik me even in Parijs of New York wanen (tot ik weer boven de grond kom bij halte ‘Schenkel’ of ‘Gerdesiaweg’).

De Rotterdamse metrogangers dragen enorm bij aan het wereldstadgevoel. Op een van mijn eerste stagedagen zag ik een vrouw vastberaden naar de roltrap lopen, ook al ging die de verkeerde richting uit. Het werkte nog ook: ze had er zo zelfverzekerd naar gekeken, dat deze spontaan de andere kant op begon te draaien.

Al snel kwam ik erachter dat een boel roltrappen bij de ondergrondse zo werken. Soms staan ze stil, en dan wil ik er wel vanuit gaan dat ze, eenmaal opgestapt, de juiste kant op zullen draaien. Maar een al rollende trap de tegenovergestelde richting in dwingen, dat heb ik nog niet gedaan. Wat als net dat exemplaar toch maar één kant op werkt, wat als er precies op dat moment iemand bovenaan staat, en hetzelfde probeert als ik beneden? Ik durf er nog niet op te vertrouwen dat ik het dan zou winnen. Dan toch maar de trap.