vandaag

Ik heb hem lang niet gezien. Te lang naar mijn zin. Hij herkent me niet, maar ik hem eigenlijk evenmin. Hij zit aan tafel, voor hem een opengeslagen agenda – leeg – en de krant op de tv-pagina. Ik blijf staan. Zitten zou gevoelsmatig gepaard gaan met het voeren van een gesprek, en ik weet niet waarover dat zou moeten gaan.

Om ons heen wordt koffiegezet, gestofzuigd. Zijn parkiet is in de rui. Tientallen pluizige veertjes kleven aan het tralies, bedekken de vloer om de kooi heen. Hij pakt een puzzelboek van een stapel en gaat verder met een kruiswoord. Tot mijn verbazing heeft hij al veel ingevuld, keurige blokletters in beide richtingen. Als ik langer kijk zie ik dat hij steeds naar de oplossingen bladert voordat hij iets opschrijft.

‘Niet spieken hè,’ grap ik. Waarschijnlijk was hij daar vroeger boos om geworden, op z’n minst had hij het ontkend. Nu haalt hij alleen zijn schouders op voordat hij verdergaat.

In dit huis ben ik nog nooit geweest. Toch voelt het vertrouwd, vanwege de spullen die er staan. De Tiffanylamp recht boven me aan het plafond, de warmte afstralend op mijn kruin. De vis aan de muur, het vlezige lijf bevroren in een krachtig spartelen. In een open kast staat een selectie van de snuisterijen die ooit zijn hele huis vulden. Delftsblauwe vazen, bonkige mineralen, zo’n twintig zwartgrijze beelden van zeedieren, gekocht van de Inuit. Ertussenin staan foto’s. Ik ontdek ook mezelf, vastgelegd op momenten die ik me niet meer kan herinneren. Om half drie klinkt de koekoeksklok die nog hetzelfde energieke geluid maakt.

We gaan. Ik geef hem een hand, wat ik volgens mij nog nooit heb gedaan. Hij zegt dat hij het fijn vond dat we er waren. Misschien dat hij het morgen niet meer weet, maar dat geeft niet – wat telt is vandaag.