Voor hen was het een excursie, voor mij een thuiswedstrijd. We begonnen met een stadswandeling langs de overblijfselen van middeleeuws Utrecht. De stadsbuitengracht die in de jaren zeventig getransformeerd werd tot autobaan, een kerk waar de kanonskogels nog in zaten, een gedenksteen voor een zuster die zich had laten inmetselen voor de goede zaak. Ik zag mijn stad door nieuwe ogen: die van mijn collega met zijn historische focus, en die van de leerlingen. Het was gek om hen door mijn wereld te zien lopen, waar ik me normaliter naar die van hen verplaats. Ik moest me inhouden om de locaties niet van alternatief commentaar te voorzien.
(‘Hiernaast zit een goede vintagewinkel.’
‘Daar om de hoek zit een leuke kroeg.’
‘Hier staan over een paar uur vooral veel mensen te blowen.’)
Aansluitend was er een museumbezoek, dat liep zoals verwacht. Er was de leerling die met een potlood nét iets te dicht bij een middeleeuws altaarstuk kwam. Er waren banken die een magnetische aantrekkingskracht hadden. Er was de gids die mij voor een leerling aanzag.
(Dat gebeurt wel vaker.
‘Nog even op de gang wachten tot de docent er is, hoor!’
‘Ik ben de docent.’)
Onderweg naar huis appte een vriend of ik mee uit ging die avond. Daar had ik wel oren naar en het kon ook – de dag erna was ik geen leraar.