de meisjes

Iedere zomer verandert het Moreelsepark van een grasveld waar mensen hun hond laten plassen in het sprookjesachtige decor van theaterfestival De Parade. De bomen hangen vol lampionnen, daaronder verrijzen circusachtige tenten behangen met honderden lichtjes. Om de zweefmolen wordt er geproost aan tafels die plakken van de poedersuiker; tot laat in de avond stijgen muziek en zoemende gesprekken op in de zomernacht.

Op mijn negentiende begon ik op de Parade als kassameisje, na een pauze van een aantal jaar ben ik sinds vorige zomer terug. Voorstellingen aanprijzen, mensen vertellen waar de silent disco is en hoe vervelend ook dat ze te laat waren, dat ze hun geld niet terugkrijgen; de rol is hetzelfde gebleven, behalve dat we geen kassa’s meer hoeven te tellen aan het einde van onze dienst. Toen ik dat aan een collega vertelde, snapte ik hoe het voelt om oud te zijn. 

Hoe ik mijn rol als kassameisje invul is wel veranderd. Het zal te maken hebben met een ontwikkeling die al langer gaande is, maar die definitief vorm kreeg toen ik in januari mijn haar afknipte – ik voel me geen meisje meer. 

Ik besefte het weer toen ik keek naar de meisjes die in mijn blikveld over het terrein dansten, in de hoop de laatste kaarten voor hun voorstelling te verkopen. Ze waren jong, misschien nog wel minderjarig. Ze droegen strakke gouden glitterpakjes, hun nepwimpers waren zo lang dat het bijna satire leek. Het waren meisjes die wisten dat ze bekeken werden, meisjes die zo werden aangeprezen. Komt dat zien, klonk het door de microfoon, knappe danseressen, spectaculair, sexy. Er werden foto’s gemaakt, ze poseerden: borst vooruit, tanden bloot. Ik wil het niet veroordelen, maar gun hen iets anders. 

Later die week zag ik drie andere vrouwen dansen. Net iets ouder, in grijze shirts en zwarte broeken die er vooral praktisch uitzagen. Op hun gezichten slechts zweet en concentratie. Ze dansten door en met en misschien zelfs voor elkaar, afstoten en aantrekken, versnellen en vertragen. Het raakte me dat ze gewoon waren, niets hoefden te suggereren behalve dat wat er was. Ze eindigden hand in hand vooraan de vloer, haren rommelig, net niet buiten adem. Ze keken net zo goed naar ons als wij naar hen. Er brak een glimlach door – nu mogen jullie applaudisseren.

Ik voel me geen meisje meer. Achter de kassa betekent het dat mijn stem niet langer een octaaf omhoog schiet wanneer ik met bezoekers praat, dat ik geen pijn in mijn kaken meer heb van het lachen, dat ik durf te geinen als ik daar toevallig zin in heb. 

(‘Kan jij ons adviseren?’

‘Ligt eraan op welk vlak.’)

Het betekent dat ik alleen klantvriendelijk ben tegen klanten die vriendelijk zijn – en dat zijn de meesten gelukkig. Als dat niet zo is dan zijn er mijn collega’s die me vertellen dat ik niemand te woord hoef te staan die zich niet kan gedragen.

Soms voelt het alsof de Parade er vooral voor de medewerkers is. Als een theatertent na sluiting in een club verandert, als er dagenlang een moordspel wordt gespeeld tussen argeloze bezoekers – Sebas, bij Café Correct, met een papieren hoedje. Als we dansen bij Joost Oomen die plaatjes draait en vrijwel de gehele menigte uit Parademensen bestaat. Vorig jaar was er een bezoeker die niet doorhad waar hij beland was, dat hij niet zomaar een meisje in haar billen had geknepen, maar een kassameisje met een kort lijntje naar de bewaking. Met één druk op de portofoon was het geregeld, onder gejuich werd hij naar buiten geëscorteerd, onze sprookjeswereld uit.

In de laatste week kwam de realiteit dan toch naar binnen, mijn moeder bracht haar mee. Toen ze vroeg hoe ik na mijn dienst thuiskwam deed ze haar best het luchtig te laten klinken, maar tevergeefs. Ik vroeg of ze het nieuws had gekeken en dat was zo – ze had er wakker van gelegen. Natuurlijk had ik het ook gehoord, tijdens het eten aan de biertafels, via een telefoon die na dagen weer eens was opgeladen. Met een paar collega’s sloot ik aan bij een protestmars. De zomer was vol demonstraties geweest, in het rood op het Malieveld, op het station met pan en pollepel. Toch was dit anders. Dit ging ook over mij, over mijn ruimte om te leven. Ik liep in stilte, had geen energie om te roepen voor iets wat zo vanzelfsprekend zou moeten zijn. Op het Domplein stond een oudere vrouw toe te kijken. Ze klapte voor ons, de zucht die ik haar zag ontsnappen kneep mijn keel dicht. 

Die avond kwam de Parade ten einde. Op zo’n laatste dag heerst er een uitzonderlijke sfeer; iedereen is brak en melancholisch, er worden nummers uitgewisseld, bij de laatste zweef slaan we de armen om elkaar heen en laten we wat tranen, met de belofte volgende zomer terug te komen. Dit jaar was ik er niet bij terwijl het sprookje ten einde kwam – mijn tranen had ik elders verbruikt. ‘Sorry dat ik er niet was,’ zei één collega toen ik vroegtijdig dag kwam zeggen. Ze had nog in haar tent gelegen na een korte nacht. Ik drukte haar op het hart zich niet schuldig te voelen. ‘Het had niet nodig mogen zijn.’ Ik gaf haar een knuffel, nam afscheid van de kassameisjes – ook de mannen, ook de vrouwen van vijftig.

Ik ben geen meisje meer, terwijl het zo fijn kan zijn. Ik hou ervan om te giebelen, om te dansen zoals die man op TikTok. Ik geniet ervan om te tutten, om te knutselen, om te knuffelen en kletsen en lief te zijn tegen wie het verdient – maar de rest hoef ik niet. 

Die avond liep ik alleen naar huis. Het werd al donker.

Een gedachte over “de meisjes”

  1. Wat een prachtig mooi geschreven verhaal. 

    De Parade verandert, jij verandert, wij veranderen. 

    Iedereen zou zich moeten kunnen voelen en gedragen zoals ze willen. 

    Iedereen zou als Queens in het donker naar huis moeten kunnen lopen ♥️

Geef een reactie op GROOTVOGEL Reactie annuleren

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.