Hij stelde zich voor als Mathijs. ‘Met één of twee t’s?’ vroeg mijn vriend. Ze speelden een dubbel, beide tegenstanders hadden dezelfde naam, maar met een andere spelling. ‘Daar kom je vanzelf wel achter,’ antwoordde Mat(t)hijs. De mannen lachten, ik bleef in verwarring achter.
Het lijkt zo’n keurige sport: geen schwalbes, geen spreekkoren, op wat zweetplekken na blijven de polo’s smetteloos. Maar tennis is bruut op een andere manier, zo ontdekte ik laatst. Iedere speler heeft een rating: een speelsterkte tussen de 9 en de 1, hoe lager hoe beter. De ratings worden na iedere wedstrijd bijgewerkt. Bij competities en toernooien staat het pontificaal achter de naam van elke speler: Mathijs (4,79), als een koe met een oormerk. En dan maakt het dus uit wie welke Mat(t)hijs is – de één is namelijk een stuk beter. Bij koeien vormt dit nummer hun identiteit, en zo gaat dat bij tennissers eigenlijk ook. Je hebt geen rating van zes, je bént een zes. Misschien zelfs ‘een matige zes’ – in die termen wordt erover gesproken. Langs de baan wordt zonder schroom iemands backhand of volley bediscussieerd, waarbij de rating dient als leidraad.
(‘Hij heeft wel een goede service voor een vijf.’)
Ieder die denkt: het mag wat kil zijn, het is in ieder geval een eerlijk systeem, komt bedrogen uit. Een zeven in Limburg schijnt minder sterk te spelen dan een zeven in Utrecht. Ook in de 35+-categorie zijn de cijfers vertekend. Die groep is een stuk kleiner. ‘Ze spelen telkens tegen dezelfde mensen, en houden zo elkaars rating laag.’ Een ‘incestcompetitie’, aldus mijn lief, waarna hij me vertelde ‘dat hij zo wel eens een twee had verslagen.’ Maar wel een matige twee, dus.
Ha ha!!1
Een haarscherpe analyse van jou Milou, vast ook bestemd voor ons tennis minnende familie/ zacht uitgedrukt.
Zonnige Sonse avond groet!
Els