En het was al zo’n dag. Band plat, blaar op mijn hak, hand geschaafd toen ik haastig het huis probeerde te verlaten. En daarna hij nog:
‘Nou meisje, ga daar maar zitten.’
De eerste keer twijfelde ik: had ik dit goed verstaan? Met wat goede wil lijkt ‘Milou’ er nog wel op. Twee lettergrepen, twee letters hetzelfde. Maar toen zei hij het nog eens.
‘Eens even kijken meisje.’
Daar aan het einde van zijn zin was het onmiskenbaar. Toch gaf ik hem nog het voordeel van de twijfel. Het kwam door zijn toon, uiterst vriendelijk. Misschien was hij mijn naam vergeten? Pas toen hij meermaals bedenkingen van mijn kant terzijde schoof, onder het mom ‘we kijken wel even’ (synoniem voor ‘we doen het zoals ik wil’) stopte ik met excuses bedenken.
Het was die joviale houding waardoor het me maar traag benauwde, als een vacuümzak waar langzaam alle lucht uit wordt gezogen. Iedereen weet dat een vlam dan direct dooft. Pas onderweg naar huis ontbrandde het vuur. Ook op mezelf was ik kwaad: waarom had ik niets gezegd? Al had dat me mogelijk alleen maar een boos meisje gemaakt, in zijn ogen.
Een collega adviseerde om voor dergelijke situaties wat standaardzinnen paraat te hebben, in de categorie ‘vriendelijk doch doeltreffend’.
‘Dan zijn we rond, meisje.’
‘Zeg maar Milou, hoor.’